X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Edit Layout
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Leeg Venster
    Edit Layout
Test Window
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
Lexicon
Lexicon van literaire begrippen met voorbeelden 

Acconsonantie
Medeklinkerrijm bijvoorbeeld graaf, groet, grap.

Acrostichon
Kreeftdicht 

Bijvoorbeeld het Wilhelmus, ons volkslied.
De eerste letters van elke strofe vormen de naam Willem van Nassov.

Alexandrijn 

Allegorie

Alliteratie 

Allusio 

Ambiguïteit 
Dubbelzinnigheid
Marie is die nacht bevallen (drie betekenissen).

Amplificatie 
Uitvoerig doorgewerkte uiteenzetting van een gedachte of beeld.

Anadiplosis 

Anakoloet 
Zinsconstructie die grammaticaal niet klopt.

Anastrofe 

Apokoinou 

Asyndeton 

Blanke verzen 
Rijmloze vijfvoudige jammen

Boerden

Boutade 
Humoristische of ironische uiting van walging. De bekendste boutade is die van P.A. De Genestet: O Land van mest en mist... (De titel zegt al genoeg.)

Brahylogie
Sterk teruggedrongen schrijfwijze, waarbij zinsdelen worden weggelaten om een zo groot mogelijke bondigheid te krijgen. Voorbeelden: Veni, vidi, vIci; ik kwam, zag, overwon. Of: Eind goed, al goed.



Chiasme
Kruisstelling

J.C. Bloem 
Denkend aan de dood kan ik niet slapen 
En niet slapend denk ik aan de dood.

Cliché
Gemeenplaats.

Climax 

Conduplicatio 
Het herhalen van hetzelfde woord of woorden.

Connotatie
Al datgene dat door een woord wordt opgeroepen naast de algemene betekenis ervan (denotatie). Hierbij kun je denken aan associaties, echo's, taalmuziek, woordgrapjes en dergelijke. Zonder overdrijving kunnen we stellen dat connotatie poëzie mogelijk maakt en er de drijvende kracht achter is.


Contaminatie
Verkeerde samentrekking 

Opnoteren: contaminatie van opschrijven en noteren.
Aanrecommanderen: contaminatie van aanbevelen en recommanderen.

Dactylus 

Diëresis
Stijlfiguur waarbij in een woord een onbeklemtoonde klank wordt toegevoegd, meestal omwille van een passender metrum. Voorbeeld: O, wereloos geslacht (in plaats van weerloos.)

Distichon 

Dityrambe 

Ellips 

Emblemata 
Een plaatje met een praatje. Zinnebeeldige voorstellingen, van verklarende bijschriften of didactische rijmpjes voorzien. In de Renaissance was het genre buitengewoon populair en werd het vaak rechtstreeks vertaald uit het Latijn.
Hooft, Cats, Coornhert, Roemer Visschotel en Vondel waren meesters in het samenstellen van emblemata.

Emfase

Enclise 

Encomium 
Lofrede, lofdicht. Bijvoorbeeld Vondels Lof der Zeevaert.

Enjambement 
Het doorlopen van een zin over twee of eventueel meer versregels. Omwille van het rijm krijgt het begin of einde van een zin meer danwel minder nadruk. Een voorbeeld van Multatuli:
De kat viel van de trappe,
Mij vader verkoopt aardappe-
len en uien.


Enumeratio
Opsomming 

Epitheton ornans 
Geijkte sierende of erende bijvoeglijke naamwoorden, waarmee in het bijzonder klassieke dichters als Homerus en Virgilius personen of zaken bij veelvuldige herhaling aanduiden, bijvoorbeeld de rozevingerige dageraad of Willem van Oranje, de vader des vaderlands.

Epos

Erato 
Muze van het minnedicht 


Eufemisme 
Verzachtende uitdrukking

Geuzenliederen 

Gekruist rijm
abab

Gepaard rijm
aabb

Hagiografie 
Beschrijving van het leven van een heilige.

Hendiadys 
Een door twee

Herhaling 

Hoerenjong 
Typografische benaming voor het laatste deel van een zin of alinea die bovenaan een nieuwe pagina of kolom komt. Dit oogt niet mooi. Een typografische conventie is om een eerste regel van een pagina of kolom vol te laten lopen. Het Engelse woord voor hoerenjong in deze betekenis is widow, Engels voor weduwe.

Homerische vergelijking 

Hoofse lyriek 

Hyperbool 
Overdrijving; het met opzet vergroten van dingen waardoor het in het bespottelijke wordt getrokken.
Bijvoorbeeld: Hij heeft nog zeeën van tijd.
Zo kan het nog wel jaren duren.
Je moet daar altijd een eeuwigheid op je bestelling wachten.

Inversie 
Omdraaiing van de volgorde onderwerp en persoonsvorm.

Invocatie 
Het door een dichter aanroepen van een God of Muze om hem te steunen en te inspireren bij zijn denkwerk. Vaak gebezigd bij het Epos, zoals in de Odyssee van Homerus.

Ironie 

Jambe

Knittelvers 
Bewust onbeholpen, ook metrisch zeer zwak geschreven verzen, ook wel knuppelvers of doggerel genaamd. Het zijn meestal korte regels met gepaard rijm, immers de gemakkelijkste dichtvorm. Soms opzettelijk gebruikt om hiermee een komisch effect te bereiken. De Schoolmeester, pseudoniem van Gerrit van de Linde gebruikte het veelvuldig.

Kwatrijn

Litotes
Stijlfiguur waarbij een begrip wordt beschreven door het tegenovergestelde te ontkennen.
Voorbeelden: Hij heeft een niet onaardig salaris.
Welkom in mijn nederige stulpje.
Dat was niet slim van je.


Lofdicht 

Lyriek 

Metafoor 
De metafoor is de belangrijkste vorm van beeldspraak in de dichtkunst waarbij een object vergeleken wordt met iets anders.
Voorbeeld van Hendrik Marsman:
De paarden van de wind snuiven de horizon.
Maria Vasalis:
Als grooten bloemen komen zij uit 't blauwe duister.

Metonymia 

Metrum 
Versmaat. Schema van versvoeten; de regelmatige afwisseling van korte en lange lettergrepen of onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen.
Jambe  v -
Trochee  - v 
Anapest  v v -
Dactylus - v v 
Amfibrachus v - v
Spondee  - - 


Noëma 

Octaaf
De eerste twee kwatrijnen van een sonnet, dus de eerste acht regels ervan.

Omarmend rijm
abba

Onomatpeeën
Klanknabootsing.

Oxymoron

Palindromon (palindroom)
Woord of zin die je ook achterstevoren kunt lezen, bijvoorbeeld:

Parterretrap

Mooie zeden in ede, zei oom

Paradox 
Schijnbare tegenstrijdigheid.

Parallellisme 
Stijlfiguur waarbij zinswendingen naar vorm ongeveer hetzelfde zijn.

Parodie  

Pars pro toto
Deel voor geheel.

Nederland heeft gewonnen van Frankrijk.

Pastiche 

Pastorale 

Pentameter

Percontatio 

Perifrase 

Persiflage 
Karikaturale imitatie die tot doel heeft het voorbeeld belachelijk te maken. Vaak in cabaretteksten gebruikt.

Personificatie 

Pleonasme
Het nog eens benoemen in een andere woordsoort van iets dat al in het hoofdwoozrd besloten ligt, bijvoorbeeld groen gras, nat water, witte schimmel en witte sneeuw. Meestal wordt dit als een taalfout gezien, maar in de poëzie wordt het pleonasme vaak gebruikt om iets te benadrukken of om een bepaalde sfeer op te roepen. In dat geval is het een bewuste stijlfiguur.

Pointe

Prince 

Prolepsis 
Vooropplaatsing. Een woord of zinsdeel wordt benadrukt door het voor in de zin te plaatsen, meestal van de rest van de zin gescheiden door een komma. Voorbeeld: Een gore egoïst, dat is wat je bent!

Prosodie  
Leer van de versbouw en versstructuur. Dit betreft alles aangaande ritme, metrum, rijm, strofevormen en versvormen. Te denken valt aan leestekens, door de dichter aangebrachte aanwijzingen en accenten en andere diacritische tekens. Prosodie moet vooral in verband worden gebracht met het juist voordragen van teksten.

Proteron hysteron 
Stijlfiguur waarbij dat wat eerder gebeurd is, later wordt genoemd. Omgekeerde chronologie.

Voorbeeld van Hans Favory:

Als ik mijn ogen opsla,
Is het onzichtbare mij ontsnapt,
En begin ik te zien wat ik zie.


Puntdicht

Ready-made 

Refrein 

Rei
Lyrisch gedicht aan het eind van een bedrijf van een toneelstuk van een op klassieke tragedie geïnspireerd treurspel dat een soort emotionele samenvatting geeft van het voorafgaande en al enigzins vooruitwijst naar wat er nog staat te gebeuren. Vooral gebezigd door Joost van den Vondel, bijvoorbeeld in de Rei van Clarissen in het treurspel Gijsbrecht van Aemstel.

Repetitio 
Stijlfiguur waarbij een woord of zinsdeel ongewijzigd wordt herhaald. Voorbeeld uit Liefste en Dood van de dichter Hans Andreus: 
Ik kan het niet helpen het schiet mij niet te binnen,
het schiet mij niet te binnen ik schrijf het maar neer.

Retorische vraag
Vraag waarop geen antwoord verwacht wordt.

Zijn wij niet allemaal vervuiler?

Sarcasme 

Satire 

Schaakbord 
Matthias de Castelein schreef er een.

Sermosinatio 

Sextet
Gedicht van zes strofen of regels. Ook de laatste twee terzinen van een sonnet, dus de laatste zes dichtregels.

Slagrijm 

Slepend rijm

Sonnet
Gedicht van veertien strofes met een bepaald rijmschema.

Spoonerisme 
Een verspreking waarbij binnen een woord of zinsnede lettergrepen worden verwisseld, zodat amusante, ironische of juist verhullende effecten ontstaan. Het spoonerisme wordt vaak met opzet gebruikt in cabaretteksten bijvoorbeeld door Henk Elsink en Hugo Brandt Corstius (pseudoniem Battus: Opperlandse taal- en letterkunde.
Voorbeelden:
Onverklaarbaar bewoonde woning - onbewoonbaar verklaarde woning.
Apitentassisteker - apothekersassistent.
Analoog-pathonoom - patholoog-anatoom.
Schananenbil - bananenschil.
Van de verkante keer - van de verkeerde kant.
Douwen - Schuiveland - Schouwen - Duiveland.
Slaatje bla - blaadje sla.
Mobiliveertienachttiensatie - mobilisatie veertien achttien.
Een scheetje beef - een beetje scheef.
Dat spuit de loopgaten uit - dat loopt de spuigaten uit.
Overgebietste zeedelen - overzeese gebiedsdelen.
Dat zet geen doden aan de zeik - dat zet geen zoden aan de dijk.
Een vondelingetje in het Wandelpark - een wandelingetje in het Vondelpark.
Een slot kortvraagje - een kort slotvraagje.
De schand in het Breveningse Hoerkaus. Scheel Heveningen was een vlooi der prammen. Ver weg op zee zag men een pissende vink. De gadbasten waren gezoodnaakt het land te verstraten en riepen in hun kloten buiten lont. Ze kakten hun poffers, en streken elkaar kak in het gelaat. Enkelen kwakten zaad, anderen kakten zalm langs een touw. De guitspasten neukten de bok van het dak. Niets werd gered dan tien linnen tepels en een lul van een predikant in de harige kut van een vinnige pissersvrouw (Battus) - (De brand in het Scheveningse Kurhaus. Heel Scheveningen was een prooi der vlammen. Ver weg op zee zag men een vissende pink. De badgasten waren genoodzaakt het strand te verlaten en liepen in hun blote kont buiten rond. Ze pakten hun koffers, en keken elkaar strak in het gelaat. Enkelen zakten kwaad, anderen zakten kalm langs een touw. De spuitgasten beukten de nok van het dak. Niets werd gered dan tien tinnen lepels en een prul van een ledikant in de karige hut van een pinnige vissersvrouw.

Strofe

Symploke 

Synecdoche 
Een klein deel wordt met een groter geheel in verband gebracht. Hier doen zich twee tegengestelde mogelijkheden voor: pars pro toto, deel voor geheel (bijvoorbeeld: Voordat de bus vertrok moest de juffrouw eerst even de neuzen tellen. Vele monden moesten gevoed worden.)en andersom totum pro parte, geheel voor deel. (bijvoorbeeld: Duitsland viel Polen binnen.)

Tautologie 
Woordovertolligheid. Stijlfiguur waarbij een bepaald begrip tweemaal in andere woorden wordt uitgedrukt en die woorden behoren dan tot dezelfde woordsoort. In de poëzie vaak gebezigd om een bepaalde sfeer op te roepen of om iets nadruk te geven. Voorbeelden: Hi sprac en seide, pais en vree, enkel en alleen en eeuwig en altijd.

Tmesis 

Toespeling 

Topos 

Totum pro parte
Geheel voor deel. Bijvoorbeeld: Nederland heeft van Engeland gewonnen.

Tricolon 
Stilistisch figuur dat uit drie vergelijkbare onderdelen bestaat. Drieslag. Beroemdste voorbeeld: Veni, vidi, vIci; ik kwam, ik zag, ik overwon.

Tropos/troop

Understatement 

Variatio 

Vergelijking 

Vergelijking met als 

Vooropplaatsing 

Vrolijke noot 

Vulgarisme 

Zedenspreuk 

Zelfcorrectie
Een stijlfiguur waarbij een schrijver/dichter zichzelf corrigeert met als effect iets te accenturen of te ioniserende.

Piet Paaltjens 

Hij aarzelde - neen hij aarzelde niet,
Tenminste niet heel lang.

Nicolaas Beets 

De moerbeitoppen ruischten 
God ging voorbij, neen, niet voorbij, 
Hij toefde.

Zeugma 
Verkeerde samentrekking 

Hier zet men koffie en over.

Zinspeling 

----------------------------------------------------------------------------

Dooddoeners

Als je me vandaag huurt, ben ik morgen je knechie.

Als.....als: as is verbrande turf.

Als je boven bent, stuur je dan even een kaartje. (als je in je neus zat te peuteren) 

Als m'n tante klootjes had gehad dan was het m'n oom geweest.

Als je zo doorgaat, plak ik je achter het behang.

Ben je d'r in Bet, of ligt de kachel in bed.

Ben je van de trap gevallen? Wanneer maken ze het af? 

Bij jou hebben ze zeker het kind met het badwater weggespoeld en de nageboorte opgevoed.

Daar helpt geen lieve modderen aan.

Dan kan je wel met je pies naar de dokter.

Dat gaat jou geen ene moer aan.

De negertjes in Afrika zouden ernaar snakken.


Een boterham met tevredenheid.

Geen haar op mijn hoofd, die daar aan denkt. Ik pieker er niet over. Daar komt niks van in.

Het kan wel op al is het lekker.

Hoe gaan we? Lopend met de tram en heen terug.

Honger: In de oorlog hadden we pas honger.

Hoger poepen dan je gaatje zit.

Ik heb toch zeker niet met de strontemmer gerammeld.

Je hebt zeker paardenvlees gegeten (als je weer eens een tijssie had, druk geweest was.

Jij gaat vanavond met je blote voeten naar bed.

Kan niet ligt op het kerkhof en wil niet ligt ernaast.

Kijk uit, anders snij je jezelf nog in je rug.

Kleine potjes hebben grote oren.

Wat eten we?: Husse met je neus er tussen.
Wat eten we?: Stront met streepies.
Wat eten we?: Een drol op een plankie.

Ik bega nog eens een ongeluk aan je.

Hoe gaan we: Lopend met de tram en heen terug.

Kinderen die vragen worden overgeslagen.

Moeder vraagt of het zo goed is.

Moet je nog peulen.

Ouwehoer gevraagd bij de Scala om tegen de zee te lullen.

Als ouwehoeren pudding was geweest, was jij dokter Oetker. 

Daar komt stront van, let op mijn woorden.

Als er niks tussen komt moet ik nog poepen ook.

Als m'n tante klootjes had gehad, had het m'n oom geweest.

Het geld groeit me niet op de rug.

Ik heb geen paardje schijtgeld.

Ga jij je schoolgeld maar terugvragen.

Omdat ik het zeg.

Rooien en valen zijn donderstralen,
Zwarten en witten zijn kankerpitten.

Waar heb ik dit in hemelsnaam aan verdiend.

Ik voel 't aan m'n water.

Wie niet luisteren 👂 wil moet maar voelen.


Ezelsbruggetjes 

Mijnheer Van Dalen wacht op antwoord. Volgorde: Machtsverheffen, vermenigvuldigen, delen, worteltrekken, optellen, aftrekken.

Tv-tas: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog.

Haas: de gehoorbeentjes hamer🔨 , aambeeld en stijgbeugel.

Eerste kwartier of laatste kwartier van de maan: Kun je van de maansikkel 🌙 een kleine letter p maken, dan is het in het Frans premier, eerste kwartier, kun je van de maansikkel 🌙 een kleine letter d maken, dan is het  in het Frans dernier, laatste kwartier.

Het Leidse dialect 

Het Leidse dialect is een van de Hollandse stadsdialecten dat veel lijkt op het Rotterdams, waarmee het vaak verward wordt. Voor een stadsdialect vertoont het Leids opvallend veel klankvarianten en typische woorden.
Het Leidse dialect heeft een erg negatief imago, dit in tegenstelling tot het Amsterdams, dat in de loop der jaren een veel grotere status heeft gekregen, omdat dat nu eenmaal onze hoofdstad is en veel meer allure heeft.
Het Leids is zeer beïnvloed door de immigratie van Vlamingen en Franssprekenden uit Wallonië en Frankrijk in de zestiende en zeventiende eeuw. Rond 1600 was ongeveer een derde van de bevolking Franstalig. Hierdoor kwam het oorspronkelijke Hollandse dialect veel verder af te staan van de omliggende dorpen. Veel zinnen in het Leids eindigen met 'niet dan'; dit zou dan een letterlijke vertaling zijn van n'est-ce pas aan het eind van een Franse zin.

Het eerste echte grote onderzoek naar het Leidse dialect werd uitgevoerd door Dick Wortel. De zeker rond drie oktober populaire popgroep Rubberen Robbie zong in het plat Leids.

Het negentiende-eeuwse Leids schijnt enkele eigenaardigheden te hebben gehad die nu geheel verdwenen zijn. Van dat negentiende-eeuwse Leids zijn geen geluidsregistraties overgeleverd. Wel hebben studenten een persiflage op het Leids opgeschreven, maar het is heel goed mogelijk dat ze hierbij sterk overdreven hebben.

Grammatica

De paragogische t: een t aan het eind van een woord plaatsen waar deze niet hoort, bijvoorbeeld: ik gaat in plaats van ik ga. Ik staat in plaats van ik sta.

In plaats van het persoonlijk voornaamwoord hem wordt in het Leids vaak zijn gebruikt: ik heb het zijn gegeven.
Tot in plaats van dat: tot ik het effe niet meer weet.

Kunnen in plaats van kennen is een typisch geval van hypercorrectie.

Leidenaren hebben nogal eens de neiging de ergens voor te zetten waar dat in de rest van Nederland niet gebruikelijk is. Ze gaan naar de Albert Heijn, wat ga je doen met de Pasen?


Alfabetische lijst van Leidse woorden, met verklaring.


Aarpelen: aardappelen.
Aas: aanstonds, straks.
Advekaatje met een kuifie: advocaat met slagroom.
't akkedemie: Het academisch ziekenhuis LUMC, vroeger AZL.
Ampart: apart.
Apteek: Apotheek.
Arebeien: Aardbeien.
Avergasie: de hele handel.
Bakkie pleur: kopje koffie.
Bast: lichaam, hij zit in zijn blote bast, blote bassie.
Begrepe: verlegen, ik ben d'r mee begrepe. Ik ben verlegen om.
Bedank: bedankt!
Bedeen: meteen, direct.
Benee: welnee.
Benen: voeten.
Bekant/bijkant: bijna.
Beukie: een knikker met erbinnenbin iets dat op een beukennootje lijkt.
Bledder: leren voetbal, man met een kaal hoofd.
Bledderdrooghouder: paraplu.
Bonkie: knikker met een bepaalde waarde.
Booisotkade: Boisotkade.
Brommert: bromfiets.
Bussevlees: boterhamworst of corned beef ( uitgesproken als korset bief.
Dajakker: groot dier of ding.
Del: hoerig type.
Doet: kost, bijvoorbeeld in: Wat doet de paling?
Dorst: durfde, verleden tijd van durven.
Fambriek: fabriek, ook febriek.
Fatsoendelijk: Fatsoenlijk.
Fermentatie: garnering.
Fieselemietje: in je blootje, in je nakie. Volksetymologische afleiding van fysionomie.
Fleuren: schoonrijden op de schaats. Genoemd naar de gebroeders Fleur die deze tak van sport buitengewoon goed beheersten. Uit dien hoofde hebben ze ook veel onfortuinlijke schaatsers van een wisse verdrinkingsdood gered.
Fraas: slachtafval, ook wel triep genoemd.
Gebbetje: snee tussen de borsten die zichtbaar is.
Geeneens: Niet eens.
Glipper: iemand die ten tijde van het Leids Beleg de stad ontvluchtte en in ruil voor voedsel informatie over de toestand in de stad aan de Spanjaarden doorspeelde. Ook wel Leidse glibber.
Gulpenruiker: homoseksueel.
Hakbijlenbuurt: wijk die wordt omsloten door de Morsweg, Morssingel en het spoor, achter het voormalige Belastingkantoor, berucht om de kerstbomenjacht.
Hazegrauw: schemering.
Helmzeel: bretels.
Hemelsvaartdag: Hemelvaartsdag.
Herenbonen: sperziebonen.
Hu: paardenvlees. Wellustig(van vrouwen)
Hollewaai: iemand die niet nadenkt, maar wel heel nadrukkelijk aanwezig is of een meisje met een vrije seksuele moraal. Leukerd. In het Rotterdams betekent het ook een schop onder je kont.
Juut: agent van politie.
Kriezel: kruimel. Geen kriezeltje: geen kruimeltje.
Lasdrager: Lastdrager achter op de fiets, zonder -t.
Onder de middag: tussen de middag.
Onderlaatst: onlangs, enige tijd geleden.
Door de midden: in tweeën.
Intensieve caree: intensive care, afdeling in een ziekenhuis.
Kanebraaier: opschepper.
Koekeroe: Het geluid van een duif.
Ko: een klein mannetje, genoemd naar een politieagent met een indrukwekkende snor, die klein van stuk was. In werkelijkheid heette hij Pieter de Looff en was afkomstig uit Colijnsplaat, voordat hij hier geplaatst werd. Hij werd vaak gepest, maar toch boezemde hij ontzag in.
Kooibooi: jongen uit de stadswijk De Kooi.
De kraak: De kraakwagen, vuilniswagen voor grof vuil.
Labberdaan: vis.
Lekke pijp: een lekke band.
Leip zuurdeeg: iemand die niet goed lijkt te functioneren.
Looier: metalen knikker met een bepaalde waarde.
Majorettewoning: maisonnette.
Medallie: medaille
Oet an de ree: geen geld meer hebben, blut zijn.
Open kles: je kan zo naar binnen kijken omdat de gordijnen open staan.
Oud op Nieuw: de jaarwisseling.
Ouwe dibbes: troetelnaam, gezegd van een kind door een oudere.
Een paartje: een paar, een aantal.
Pampier: papier, ook pepier.
Parg: scheldnaam.
Persies: precies, exact, zo bedoel ik het.
Pisbakkenmarmer: cervelaatworst.
Praas: praatjes, opschepperij.
Reveiljie: de reveille op 3 oktober om 7 uur 's ochtends op het Stadhuisplein in Leiden. De start van de viering van Leidens Ontzet. Hier worden Oudhollandse liederen gezongen.
Moer: moeder. 
Ommers: immers.
Pampier: papier.
Polletootje: vestje, jackje.
Schokbeton, stra: stamppot rauwe andijvie.
Sjappetouwer: armoedzaaier, iemand die de avond voordat de kraakwagen kwam, de straten langsging om te kijken of er nog iets van zijn gading was.
Sjoege: geen sjoege geven, ergens niet op reageren.
Sleepdeken: onverzorgde vrouw.
Soortement: een soort van.
Spatsies: commentaar, kritiek, praatjes.
Speldaas: klein kind.
Spioentje: spionnetje, spiegeltje op de eerste verdieping van een huis om te kunnen kijken wie er voor de deur stond.
Stilletje : toilet.
Stimuleren: simuleren.
Sting: stond, verleden tijd van staan.
Stip: een mosterdsausje over de aardappelen bij de allerarmste Leidenaars.
Een strontverbeelding hebben: hautain doen, iemand die hoger wil poepen dan z'n gaatje zit.
Tetje geven: borstvoeding geven.
Triep: naar het Frans, tripe, slachtafval bij de slager voor mensen die het zich niet kunnen veroorloven regelmatig vlees op tafel te brengen. Ook wel fraas genoemd.
Trouwes: trouwens.
Tuig van de richel: minderwaardig volk.
Uboord: vlees van de uier, lang gekookt met zout en peper ging het door als enige betaalbare vleesproduct.
Uittenooie: allemachtig, nou daar beetje mooi klaar mee.
Uitweze: gezicht.
Uppie: kleine glazen knikker, die spelers na een verloren potje knikkeren kregen om het opnieuw te proberen.
Het veld: Het Schuttersveld, waar vroeger de gehele  3 oktoberkermis stond.
Vaar: vader.
V&D-speler: DVD-speler.
Vlikobak: vuilcontainer, zo genoemd naar het bedrijf dat deze leverde.
Waaro: waar, waarzo.
Watjekauw: opdoffer, een klap tegen het hoofd.
Zadelsnuffelaar: homoseksueel.
Zee/Zeejen: zei/zeiden.
Zeikerd: er is water in rubberen laarzen gelopen.
Ziekefongst: ziekenfonds, met extra -t.
zottehuis: gek.

Leidse uitdrukkingen: 

Bouwelouwesteeg: jij komt zeker uit de Bouwelouwesteeg. Gezegd van iemand met slechte manieren.
Een buik met benen: Een vrouw die (ongewenst) zwanger is.
In croma liggen: in coma liggen.
De fluit heb al geflooie, de klok heb al gelooie, meides, de deur gaat dicht: de dames van textielfabriek Clos en Leembruggen moesten op tijd op het werk zijn. 
Die heb model gestaan bij Van der Luit: begrafenisondernemer. Gezegd van iemand die er slecht uitziet.
Een heiter voor je treiter: een klap voor je kop.
Waar haal je het gore lef vandaan: hoe haal je het in je hoofd; hoe durf je dat te zeggen, doen.
Ut keraal: op de vroege ochtend van drie oktober om acht uur vindt in het Van der Werffpark het Koraalmuziek plaats als onderdeel van de festiviteiten rondom Leidens Ontzet.
Het hele kippenhok is leeggehaald: uterusextirpatie, operatieve baarmoederverwijdering
Koen van het Broodhuis: genoemd naar de norse persoon die bij de brooduitdeling voor de armen werkte.
Het licht op hebben: Het licht aan hebben.
Memmen: borsten.
Ik heb liever dat de Hartebrugkerk omvalt dan me glaassie. Gezegd door een liefhebber van een borreltje.
De andere maand: de volgende maand.
Ouwehoer gevraagd bij de Scala om tegen de zee te lullen. Gezegd van iemand die een beetje te veel praat, naar revuetheater Scala in Den Haag waar nogal wat Leidenaars zo vlak na de Tweede Wereldoorlog naar toe gingen.
Zij komen bij elkaar over huis: ze gaan bij elkaar op visite.
Lul maar tegen me kont, me kop is ziek: gezegd van iemand die niet luistert en zelf te veel praat.
Mot je nog peulen!: Is het nou goed!
De Pieterskerk moest door de Pieterskerkchoorsteeg: een moeder heeft een zware bevalling gehad.
Maak me de pis niet lauw: ik laat me door jou niet gek maken.
An de pruttel zijn: aan de diarree zijn.
Standje Zurloh: een onmogelijke houding, naar de etalagepoppen van het kledingmagazijn Zurloh aan de Breestraat.
Tet houwe: de borst geven, moedermelk geven aan een zuigeling.
Uitgescheten palingvel : hij ziet eruit als een uitgescheten palingvel. Gezegd van iemand die er afgetrokken uitziet na een avondje stappen.
Vervelend endje mens: naar persoon.
Een vrouwenhand doet meer dan een pond stijfsel: seksueel getinte opmerking.
De wast staat op het gast: de was staat op het gas.
Over je zuiger gaan: overgeven.

De ramp met het kruitschip.

Met een enorme teringknal vloog op 12 januari 1807 een kruitschip de lucht in dat in het Rapenburg lag. De dreun was naar verluidt in Friesland te hore en in de Bouwelouwesteeg vloge de ramen uit de sponninge en an het Ruime Consciëntieplein stonde de koppies te trille op ut anrech.
De klabakken moste dur an te pas komme om te voorkomme dat het rapalje an de haal ging met andermans goeie goed.
Konijn Lodewijk Napoleon is trouwes nog komme kijke .






©1997-2019 Bizzieman.NL