X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Edit Layout
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Leeg Venster
    Edit Layout
Test Window
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
Oefenen
Oefeningen A1/A2/B1


Oefening 1


Spelling regelmatige voltooide deelwoorden
De volgende regelmatige of zwakke werkwoorden worden vervoegd  met het hulpwerkwoord hebben. Verreweg de meeste werkwoorden worden met hebben vervoegd. 

Vul in: voltooid deelwoord d of t.

1. Bellen - ik heb 
2. Wandelen - ik heb
3. Fietsen - ik heb
4. Werken - ik heb
5. Studeren - ik heb
6. Leren- ik heb
7. Oefenen - ik heb 
8. Proberen - ik heb
9. Luisteren - ik heb
10. Wissen - ik heb
11. Maken - ik heb 
12. Sporten - ik heb
13. Knippen - ik heb
14. Plakken - ik heb
15. Twitteren - ik heb
16. Dansen - ik heb
17. Roken - ik heb
18. Vragen - ik heb
19. Antwoorden - ik heb
20. Skiรซn - ik heb
21. Gokken - ik heb 
22. Internetten - ik heb
23. Naaien - ik heb
24. Tanken - ik heb 
25. Facebooken - ik heb
26. Plukken - ik heb
27. Planten - ik heb
28. Wonen - ik heb 
29. Voetballen - ik heb
30. Surfen - ik heb
31. Schaatsen - ik heb
32. Fotoshoppen - ik heb
33. Winkelen - ik heb
34. Koken - ik heb
35. Delen - ik heb
36. Stoffen - ik heb 
37. Merken - ik heb
38. Praten - ik heb
39. Horen - ik heb
40. Telefoneren - ik heb
41. Douchen - ik heb
42. Voelen - ik heb
43. Snuffelen - ik heb
44. Wisselen - ik heb
45. Pinnen - ik heb
46. Kennen - ik heb
47. Sparen - ik heb
48. Halen - ik heb
49. Zetten - ik heb
50. Zappen - ik heb

Oefening 2

De volgende werkwoorden worden vervoegd met het hulpwerkwoord zijn. Vul in: voltooid deelwoord d of t

1. Starten - ik ben
2. Arresteren - ik ben 
3. Stoppen - ik ben
4. Zakken - ik ben
5. Vestigen - ik ben
6. Abonneren - ik ben
7. Trouwen - ik ben
8. Installeren - ik ben 
9. Inloggen - ik ben
10. Uitloggen - ik ben 
11. Wekken - ik ben 
12. Landen - ik ben
13. Slagen - ik ben
14. Arriveren - ik ben
15. Ophouden - ik ben
16. Instappen - ik ben
17. Overstappen - ik ben
18. Uitstappen - ik ben
19. Beginnen - ik ben 
20. Binnenkomen - ik ben
21. Groeien - ik ben
22. Ontsnappen - ik ben
23. Struikelen - ik ben
24. Storen - ik ben
25. Verbranden - ik ben

Oefening 3

Regelmatige werkwoorden die vervoegd worden met hebben en/of zijn. Actief of passief. Let op: met betekenisverschil.

1. Behandelen - ik heb, ik ben
2. Vestigen - ik heb, ik ben
3. Afzeggen - ik heb, ik ben
4. Verzorgen - ik heb, ik ben
5. Slaan - ik heb, ik ben
6. Genezen - ik heb, ik ben
7. Toelaten - ik heb, ik ben



Oefening 4

Scheidbaar samengestelde werkwoorden. Ge komt tussen prefix en het werkwoord.


1. Afluisteren - ik heb
2. Voorstellen - ik heb, ik ben
3. Aanschaffen - ik heb 
4. Overwerken - Ik heb
5. Optellen - ik heb
6. Doorhalen - ik heb
7. Ophalen - ik heb, ik ben
8. Instappen - ik ben
9. Overstappen - ik ben
10. Uitstappen - ik ben
11. Inhalen- ik heb, ik ben
12. Uitslapen- ik heb



Oefening 5

Regelmatige werkwoorden met voorvoegsel ge-, be-, er- ver-, her- of ont-. 
Deze voltooid deelwoorden krijgen geen extra ge-.

1. Herinneren - ik heb
2. Ontwikkelen - ik heb
3. Bezorgen - ik heb
4. Bestellen - ik heb 
5. Erkennen - ik heb
6. Betalen - ik heb
7. Herkennen - ik heb, ik ben
8. Verrekenen - ik heb
9. Ontdekken - ik heb, ik ben
10. Vermenigvuldigen - ik heb
11. Ontkennen - ik heb
12. Geloven - ik heb, ik ben
13. Beloven - ik heb
14. Verzorgen - ik heb, ik ben
15. Ontmantelen - ik heb
16. Herhalen - ik heb
17. Beleven - ik heb 
18. Bepalen - ik heb
19. Veranderen - ik heb, ik ben
20. Ontsnappen - ik ben



Oefening 6 

Half sterke werkwoorden. Het voltooid deelwoord krijgt -en als uitgang.

1. Bakken - ik heb
2. Wassen - ik heb, ik ben
3. Afwassen - ik heb 

Oefening 7

Onregelmatige of sterke werkwoorden krijgen klinkerwisseling en soms verandert er iets meer. Raadpleeg hiervoor het woordenboek of een internetlijst met onregelmatige werkwoorden. De meeste voltooide deelwoorden van onregelmatige werkwoorden eindigen op - en. Handig om te weten, de meeste werkwoorden die in het Engels onregelmatig zijn, zijn dat ook in het Nederlands. Er komen geen nieuwe sterke werkwoorden meer bij.

1. Kopen - ik heb 
2. Verkopen - ik heb 
3. Zoeken - ik heb
4. Vinden - ik heb
5. Lezen - ik heb
6. Eten - ik heb
7. Drinken - ik heb
8. Schrijven - ik heb
9. Spreken - ik heb
10. Nemen - ik heb
11. Geven - ik heb
12. Vergeten - ik heb, ik ben
13. Stelen - ik heb
14. Dragen - ik heb
15. Kijken - ik heb
16. Zien - ik heb
17. Komen - ik ben
18. Rijden - ik heb 
19. Slapen - ik heb
20. Zwemmen - ik heb
21. Bieden - ik heb
22. Doen - ik heb 
23. Gaan - ik ben
24. Winnen - ik heb
25. Verliezen - ik heb 
26. Oversteken - ik ben 
27. Schenken - ik heb 
28. Krijgen - ik heb
29. Liggen - ik heb
30. Strijken - ik heb

Oefening 8

Bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden. Kies steeds de kortste vorm.

1. De beantwoordde / beantwoorde brief
2. Het gelandde /gelande vliegtuig
3. De geplantte / geplante roos
4. De vergrote foto / vergrootte foto
5. De verlichtte / verlichte etalage
6. De gepote /gepootte aardappel ๐Ÿ  
7. De opgerichtte / opgerichte vereniging
8. De gedode / gedoodde prooi
9. Het afgerondde / afgeronde totaalbedrag
10.Het opgelichte / opgelichtte slachtoffer 
11. Het besteedde / bestede bedrag
12. De verwachte / verwachtte opkomst
13. De gemistte / gemiste kans.



Oefening 9

Het bepaald lidwoord de of het. Vul in: de of het.

1.  ... Schilderij
2.  ... Tentoonstelling 
3.  ... Schilderijententoonstelling
4.  ... Post
5.  ... Kantoor
6.  ... Postkantoor
7.  ... Meisje
8.  ... School
9.  ... Meisjesschool
10.  ... Aardbei
11.  ... IJsje
12.  ... Aardbeienijsje
13.  ... Abrikoos
14.  ... Confiture
15.  ... Abrikozenconfiture
16.  ... Reserveonderdeel
17.  ... Gereedschap
18.  ... Minister-president
19.  ... Burgemeester
20.  ... Borreltje
21.  ... Ontwikkeling
22.  ... Samenwerking
23.  ... Ontwikkelingssamenwerking
24.  ... Internet
25.  ... Aansluiting
26.  ... Internetaansluiting
27.  ... Oorlog
28.  ... Misdadiger
29.  ... Oorlogsmisdadiger
30.  ... Criminaliteit
31.  ... Bestrijding
32.  ... Criminaliteitsbestrijding


Oefening 10

Het bepaald en onbepaald lidwoord. Vul in: de, het, een of X.

1. Ik zie .......... vliegtuig. Volgens mij is .......... vliegtuig onderweg naar Londen.
2. Daar vliegt.........vogel. De vleugel van.........vogel is gebroken.
3. Wij wonen in..........flat. Er wonen twaalf gezinnen in..........flat.
4. Ik heb gisteren.......auto gekocht. Morgen ga ik met..........auto naar school.
5.Ik woon vlakbij...........supermarkt. Ik ga meestal met de fiets naar..........supermarkt.

Oefening 11

Flexie. Wel of geen buigings e aan het eind van het bijvoeglijk naamwoord.

De man is oud. De oude man/een oude man
De vrouw is ziek. De zieke vrouw/een zieke vrouw

1. De les is moeilijk. De..........les/een.......... Les
2. De oefening is makkelijk. De..........oefening/een..........oefening
3. De regeling is soepel. De..........regeling/een..........regel
4. De tante is lastig. De..........tante/een lastige tante
5. De handdoek is droog. De..........handdoek/een..........handdoek
6. De krant is nat. De.........krant/een natte krant
7. De biefstuk is koud. De..........biefstuk/een..........biefstuk 
8. De trui is warm. De..........trui/ een..........trui
9. De temperatuur is hoog. De..........temperatuur/een..........temperatuur 
10. De prijs is laag. De lage prijs/een lage prijs
11. De jurk is mooi. De.......jurk/een..........jurk
12. De wond is lelijk. De..........wond/een..........wond
13. De gedachte is origineel. De..........gedachte/een...........gedachte
14. De voorstelling is afgezaagd. De..........voorstelling/een..........voorstelling 
15. De appel is hard. De..........appel/een..........appel
16. De toffee is zacht. De..........toffee/een..........toffee
17. De trouwring is duur. De..........trouwring/een..........trouwring
18. De supermarkt is goedkoop. De..........supermarkt/een..........supermarkt
19. De laan is breed. De..........laan/een..........laan
20. De steeg is smal. De..........steeg/een..........steeg

Het meisje is jong. Het jonge meisje/een jong meisje
Het hondje is gezond. Het gezonde hondje/een gezond hondje


21. Het land is rijk. Het..........land/een..........land
22. Het vrouwtje is arm. Het.......vrouwtje/een.......vrouwtje
23. Het boek is oud. Het..........boek/een..........boek
24. Het idee is nieuw. Het..........idee/een.......idee
25. Het voorstel is helder. Het..........voorstel/een..........voorstel
26. Het glas is troebel. Het..........glas/een..........glas
27. Het mandje is zwaar. Het..........mandje/een..........mandje
28. Het koffertje is licht. Het..........koffertje/een..........koffertje
29. Het appartement is donker. Het..........appartement/een..........appartement 
30. Het vakantiehuisje is licht. Het..........vakantiehuisje/een..........vakantiehuisje
31. Het gebakje ๐Ÿฐ is lekker. Het..........gebakje  een..........gebakje 
32. Het doekje is vies. Het..........doekje/een..........doekje
33. Het programma is interessant. Het..........programma/een..........programma 
34. Het stripverhaal is saai ๐Ÿ’ค . Het..........stripverhaal/een..........stripverhaal 
35. Het barmeisje is aardig. Het..........barmeisje /een..........barmeisje
36. Het directielid is onsympathiek. Het..........directielid/een..........directielid
37. Het netwerk is groot. Het.......
netwerk/een..........netwerk
38. Het blikje is klein. Het..........blikje/een..........blikje
39. Het schooljaar is lang. Het..........schooljaar/een..........schooljaar 
40. Het touwtje is kort. Het..........touwtje/een..........touwtje

Zonder lidwoord indien zelfstandig naamwoord niet telbaar is. Abstract.
Het 
41. De soep is heet. De..........soep/..........soep
42. Het bier is lauw. Het..........bier/..........bier
43. Het vlees ๐Ÿ– is rauw. Het..........vlees  /..........vlees
44. De groente is gaar. De..........groente/..........groente
45. Het bezoek is onverwacht. Het..........bezoek/.......... bezoek
46. Het weer is wisselvallig. Het.........weer/.......... weer
47. De interesse is echt. De..........interesse/.......... interesse
48. Het gezelschap is kleurrijk. Het..........gezelschap/.......... gezelschap
49. De kwark is zuur. De..........kwark/........ kwark
50. De spinazie is vers. De..........spinazie/.......... spinazie
51. De gehakt is mager. De..........gehakt/........... gehakt
52. De vis ๐Ÿ  is vet. De..........vis /..........vis
53. Het gras is groen. Het..........gras/..........gras
54. Het fruit is puur. Het..........fruit/..........fruit
55. De eer is twijfelachtig. De..........eer/..........eer
56. De thee ๐Ÿต is slap. De..........thee /..........thee  
57. De chocolade ๐Ÿซ is bitter. De..........chocolade/..........chocolade 
58. Het water ๐Ÿ’ฆ is zout. Het..........water/..........water
59. Het ijs is dun. Het..........ijs/..........ijs
60. Het onderzoek is theoretisch. Het..........onderzoek/...........onderzoek.

Meervoud

De wegen zijn breed. De brede wegen/brede wegen
De lanen zijn groen. De groene lanen/groene lanen


61. De vazen zijn heel. De..........vazen/..........vazen
62. De studenten zijn intelligent. De..........studenten/..........studenten
63. De resultaten zijn tegenvallend. De..........resultaten/..........resultaten
64. De shirts zijn bruin. De..........shirts/..........shirts
65. De ogen zijn blauw. De..........ogen/..........ogen
66. De dobbelstenen โš€  zijn vierkant. De..........dobbelstenen โš€   /..........dobbelstenen โš€ 
67. De pannenkoeken zijn rond. De..........pannenkoeken/..........pannenkoeken.
68. De voorbeelden zijn praktisch. De..........voorbeelden/..........voorbeelden
69. De situaties zijn gevaarlijk. De..........situaties/..........situaties.
70. De flessen zijn leeg. De...........flessen/..........flessen
71. De klassen zijn vol. De..........klassen/..........klassen.
72. De kruispunten zijn druk. De..........kruispunten/..........kruispunten.
73. De kinderen zijn rustig. De..........kinderen/..........kinderen.
74. De druiven ๐Ÿ‡ zijn zoet. De..........druiven/..........druiven
75. De leerlingen zijn nieuwsgierig. De..........leerlingen/..........leerlingen 
76. De patiรซnten zijn dik. De..........patiรซnten/..........patiรซnten 
77. De toeristen zijn vrolijk ๐Ÿ˜Š . De..........toeristen/..........toeristen
78. De glazen zijn dof. De..........glazen/..........glazen
79. De ramen zijn glanzend. De..........ramen/..........ramen.
80. De winnaars zijn trots. De..........winnaars/..........winnaars.

Wel of geen buigings e.



81. De kerel is knap. De..........kerel/een..........kerel
82. De medewerker is lui. De..........medewerker/een..........medewerker 
83. De leerling ๐Ÿšธ is dom. De..........leerling ๐Ÿšธ /een..........leerling ๐Ÿšธ 
84. De oplossing is half ๐ŸŒ“ e.......oplossing/een..........oplossing
85. De ontwikkeling is stormachtig. De..........ontwikkeling/een..........ontwikkeling 
86. De appels ๐ŸŽ ๐ŸŽ zijn rot. De..........appels  ..........appels.
87. De vruchten zijn onrijp. De..........vruchten/..........vruchten
88. De band is lek. De..........band/een..........band
89. De atleten zijn energiek. De..........atleten/...........atleten
90. Het paard โ™˜ is sterk. Het..........paard โ™˜ / een..........paard โ™˜ 
91. Het mes ๐Ÿ”ช is scherp. Het.........mes / een..........mes ๐Ÿ”ช
92. De zaag is bot. De..........zaag/een..........zaag
93. Het eten ๐Ÿฒ is lekker. Het..........eten /..........eten 
94. De kinderen zijn lief. De..........kinderen/..........kinderen
95. Het meisje ๐Ÿ‘ง is stout. Het..........meisje een..........meisje 
96. De jongen ๐Ÿ‘ฆ is ondeugend. De..........jongen een..........jongen
97. De doos is dicht ๐Ÿ” . De..........doos/een..........doos
98. Het kastje is bruin. Het..........kastje/een..........kastje
99. Het haar is blond. Het..........haar/..........haar
100. De brandweerwagens zijn rood. De..........brandweerwagens/........... brandweerwagens 


Oefening 12

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden eindigen in de meeste gevallen op -en.

Het spoor is van ijzer. Het ijzeren spoor

1. De vloer is van hout. De..........vloer
2. Het bord is van papier. Het.........bord
3. De doos is van karton. De..........doos
4. De muur is Van beton. De..........muur
5. De leiding is van koper. De.......leiding
6. De medaille is van goud. De..........medaille
7. Het horloge is van zilver. Het..........horloge
8. Het standbeeld is van brons. Het..........standbeeld
9. De pijp is van lood. De..........pijp
10. De bol is van glas. De.........bol
11. De bal is van rubber. De..........bal
12. De doek is van linnen. De..........doek
13. De jurk ๐Ÿ‘— is van tule.De..........jurk 
14. Het overhemd is van katoen. Het........... overhemd
15.De broek ๐Ÿ‘– is van leer. De..........broek 
16. De sok is van wol. De..........sok
17. De badkuip is van steen. De..........badkuip
18. De hoed ๐ŸŽฉ is van zijde. De..........hoed 
19. Het afgietsel is van gips. Het..........afgietsel 
20. Het kransje is van chocolade ๐Ÿซ. Het..........kransje 
21. De teddybeer ๐Ÿป is van pluche. De..........teddybeer 
22. De gootsteen Is van graniet. De..........gootsteen
23. Het sieraad is van diamant. Het..........sieraad
24. De schaats is van been. De..........schaats
25. De toren is van ivoor. De..........toren
26. Het dak is van riet. Het..........dak
27. De kookpan is van emaille. De..........kookpan
28. De bank is van skai. De..........bank
29. De speld is van opaal. De..........speld
30. De broche is van robijn. De..........broche 
31. De ketting is van bloedkoraal. De..........ketting
32. De telefoon is van bakeliet. De..........telefoon 
33. Het dekbed is van dons. Het.........dekbed
34. De zak is van jute. De..........zak
35. De constructie  ๐Ÿšง is van metaal. De..........constructie
36. Het autootje is van blik. Het ............. autootje
37. De pyjama is van flanel. De..........pyjama 
38. Het theekopje is van porselein. Het.......... theekopje
39. De bekleding is van fluweel. De.......... bekleding
40. De meubels zijn van eikenhout. De.......... meubels
41. Het soldaatje is van tin. Het ............. soldaatje.

Uitzonderingen: aardewerk, acryl, aluminium, asfalt, badstof en badstoffen, bamboe, canvas, corduroy, fleece, gabardine, kunststof, mica, mohair, nylon, plastic, platina, mica, rotan, polyester,  sisal, suรจde, schuimplastic, terlenka en velours. Deze eindigen niet op -en.

Oefening 13

Het zelfstandig naamwoord (substantief). Zet de zelfstandige naamwoorden in het meervoud. In het Nederlands eindigen de meervoudsvormen op -s of -en. Sommige meervoudsvormen zijn aan het Latijn of Grieks ontleend en hebben een specifiek meervoud.

1. De hond ๐Ÿถ -
2. Het huis ๐Ÿก -
3. De kat ๐Ÿ˜ป -
4. De man๐Ÿ‘จ -
5. De maan ๐ŸŒ• -
6. De bril ๐Ÿ‘“ -
7. De jongen๐Ÿ‘ฆ -
8. De beer ๐Ÿป -
9. De vrouw ๐Ÿ‘ฉ -
10. Het meisje ๐Ÿ‘ง -

Laatste letter enkelvoud is een klinker:

11. De accu -
12. Het cafรฉ -
13. De baby๐Ÿ‘ถ -
14. Het alibi -
15. De hobby -
16. De bรจta -
17. De abonnee -
18. De alinea -
19. De krimi -
20. Het recu -

Onregelmatige meervoudsvormen. Deze moet je opzoeken in een woordenboek.

21. Het slot ๐Ÿ” -
22. Het schip ๐Ÿšข -
23. Het graf -
24. Het lid -
25. De dag -
26. De smid -
27. Het lot -
28. Het dak -
29. Het vat -
30. Het spel -
31. Het pad - 
32. Het gat - 
33. De stad - 
34. De weg - 
35. De god - 
36. Het schot - 
37. Het glas ๐Ÿท - 


Latijnse of Griekse meervoudsvormen.

Vul in: meervoud met -a of -i

31. Het museum -
32. De criticus -
33. De cynicus -
34. De analyticus -
35. Het centrum -
36. De medicus -
37. De datum -
38. De historicus -
39. De technicus -
40. De neerlandicus -


Meervoudsvormen op -iรซn of -ieรซn. Dit is afhankelijk van de klemtoon van het woord  ligt de klemtoon van het woord op de eerste lettergreep dan is het meervoud iรซn, ligt de klemtoon op de laatste lettergreep, dan is het meervoud iรซn.

41. De industrie - 
42. De porie -
43. De theorie -
44. De technologie -
45. De democratie -
46. De economie -
47. De tragedie -
48. De zee ๐ŸŒŠ -
49. De kolonie -
50. Het idee -

Als de klemtoon op de eerste lettergreep valt wordt de k of s niet verdubbeld bij woorden die eindigen op -el, -es, --ik of -it

51. De monnik - 
52. De kievit -
53. De perzik ๐Ÿ‘ -
54. De slechterik -
55. De havik -
56. De gemenerik -
57. De leeuwerik -
58. De dreumes -
59. De slimmerik -
60. De bangerik -


Meervoudsvormen door elkaar.

61. Het winkelcentrum -
62. De melodie ๐ŸŽถ -
63. De politicus -
64. Het artikel -
65. De bacterie -
66. De elektriciteit -
67. De oma ๐Ÿ‘ต -
68. Het alibi - 
69. De knie -
70. Het risico - 
71. De roos ๐ŸŒน -
72. Het genie -
73. De dominee -
74. De viezerik -
75. Het dictee -
76. De bronchie -
77. De neef -
78. Het duo -
79. De opa - 
80. De allergie -

Sommige zelfstandige naamwoorden kennen een meervoudsvormen eindigend op - eren. Het zijn er slechts enkele.

Het kind - de kinderen

81. Het rund  ๐Ÿ„ -
82. Het kalf -
83. Het ei ๐Ÿณ -
84. Het goed -
85. Het volk -
86. Het lied -
87. Het been -
88. Het lam -
89. Het hoen -
90. Het ๐Ÿƒ blad -
91. Het rad ๐ŸŽก -
92. Het gemoed -
93. Het gelid -
94. Het volkslied -
95. Het kleinkind - 
96. Het stiefkind -
 


Oefening 14

Het aanwijzend voornaamwoord ( pronomen demonstrativum)

De- woorden: deze (dichtbij), die (verweg)
Het-woorden: dit (dichtbij), dat (verweg)

De-woorden enkelvoud:

De aap ๐Ÿ’ : deze aap, die aap

1. De deur ๐Ÿšช :
2. De cursist:
3. De computer ๐Ÿ’ป :
4. De boom ๐ŸŒด :
5. De koe ๐Ÿฎ :
6. De som:
7. De boerderij:
8. De klas:
9. De telefoon ๐Ÿ“ฑ :
10. De hamer ๐Ÿ”จ :

Het-woorden enkelvoud:

Het paard โ™˜ : dit paard, dat paard

11. Het kind:
12. Het huis ๐Ÿก :
13. Het schilderij:
14. Het schrift:
15. Het boek ๐Ÿ“– :
16. Het potlood โœ :
17. Het woordenboek:
18. Het tijdschrift:
19. Het gordijn:
20. Het raam:

De-woorden meervoud:

De studenten: deze studenten, die studenten

21. De straten:
22. De scholen:
23. De oefeningen:
24. De cijfers ๐Ÿ”ข :
25. De koeien ๐Ÿฎ :
26. De eenden:
27. De artiesten ๐ŸŽจ :
28. De zinnen:
29. De mogelijkheden:
30. De dieren:

Door elkaar:

31. De wegen:
32. De oplossing:
33. Het kuiken ๐Ÿฃ :
34. De boot:
35. Het kledingstuk:
36. De getallen:
37. Het konijn ๐Ÿฐ :
38. De slager:
39. Het   vergrootglas ๐Ÿ”Ž :
40. De komma:
41. De alinea:
42. Het strijkijzer:
43. De stofzuigers:
44. De schroevendraaier:
45. Het plein:
46. De letters ๐Ÿ”  :
47. Het reservewiel:
48. De garage:
49. De blikopener:
50. De flesjes:

Oefening 15

Onze vraagwoordenโ“ 

De vraagwoorden in het Nederlands zijn: wie, wat, waar, wanneer, hoe, hoeveel, welk, welke en waarom.

Vul het juiste vraagwoorden in. Soms zijn er meerdere mogelijkheden.

1. ..........ga je op vakantie?
2. ..........kom je vandaan?
3. ..........kost die auto ๐Ÿš— ?
4. ..........zit er naast je?
5. ..........moet je Staatsexamen doen?
6. ..........is je mobiele nummer?
7. ..........cursisten zitten er in de klas?
8. ..........heet je?
9. ..........talen spreek je?
10. ..........huur betaal je elke maand?
11. ..........is je adres?
12. ..........ben je in Nederland komen wonen?
13. ..........huisgenoten heb je?
14. ..........heeft je geholpen met je huiswerk?
15. ..........heb je nog geen kinderen?
16. ..........gerecht raad je me aan?
17. ..........ben je geboren?
18. ..........cadeautjes ๐ŸŽ heb je gekregen?
19. .........ben je jarig?
20. ..........ligt de tandpasta?


Oefeningen 16

Vaste voorzetsels 

Vul het juiste voorzetsel in.

1. Ik houd niet..........bloemkool.
2. Ik wacht..........de bus ๐ŸšŒ .
3. Ik luister..........de radio ๐Ÿ“ป .
4. Ik kijk..........de televisie ๐Ÿ“บ .
5. Ik verheug me...........de vakantie.
6. Ik reken...........je komst.
7. Ik ben getrouwd.......... Yvonne.
8. Ik kom..........Griekenland.
9. Ik heb een hekel..........roddelen.
10. Ik ben dol..........citroenijs.
11. Ik ben verslaafd..........chocolade.
12. Wij genieten..........het mooie weer.
13. Hij leeft gescheiden..........zijn ex.
14. Zij krijgt een bos bloemen ๐Ÿ’ ..........hem.
15. Zij geven een cadeaubon.........haar.
16. U schrijft zich in..........een cursus Nederlands.
17. Jullie moeten stoppen..........het verkeerslicht.
18. Ik vraag de rekening..........de ober.
19. Ik heb genoeg..........al dat reizen.
20. Wij hebben een afspraak.........de huisarts.
21. Henk gaat verhuizen..........Amsterdam.
22. Julia is lid..........een voetbalclub.
23. Ik heb een abonnement..........de sportschool.
24. Jij gaat op bezoek..........je tante.
25. Ik moet even..........het toilet.
26. Deze bouwmarkt levert alleen..........particulieren.
27. U hebt een afspraak..........drie uur.
28. Hij is jarig.........28 september.
29. Wat vindt u.......... dat programma.
30. U kunt vragen...........de chef.
31. Brood ๐Ÿž koop je.......... de bakker.
32. Ik zie je morgen..........de markt.
33. Hij werkt..........de brandweer.
34. Ik vertrouw ..........je medewerking.
35. Ik wil een tafel reserveren .......... vier personen.



Oefening 17

Vul het juiste bezittelijk voornaamwoord in (het pronomen possessivum).

Mijn, jouw, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie of hun.


1. Ik woon in een huis. .......... huis staat in Leiden.
2. Jullie hebben een fiets.  .......... fiets staat op slot.
3. Wij wonen in een huurhuis. .......... huis staat in een rustige straat.
4. Hij heeft het examen gehaald. Hij kan vanmiddag .......... diploma ophalen.
5. Zij zijn hier niet geboren. Griekenland is .......... vaderland.
6. Jij hebt .......... sleutels ๐Ÿ”‘ vergeten.
7. Wij hebben .......... auto ๐Ÿš— in de parkeergarage gezet.
8. Hij heeft .......... moeder een bos bloemen ๐Ÿ’ gegeven.
9. Zij heeft .......... brommer achter het huis gezet.
10. Op vakantie neem ik altijd  .......... zaklantaarn ๐Ÿ”ฆ mee.
11. Ik heb .......... huiswerk niet gemaakt.
12. Zij hebben ............. reis  geannuleerd.
13. Wij hebben ............ ouders op visite gevraagd.
14. Anne en Max zeggen allebei .............. baan op.
15. U en .......... vrienden zijn van harte welkom op het feest.
16. Peter is op  ............ bril ๐Ÿ‘“ gaan zitten.
17. Mary heeft om half vier een afspraak met ............ tandarts.
18. Jullie gaan .......... huis ๐Ÿก verbouwen.
19. Hij heeft ........... laptop meegenomen.
20. Zij heeft .......... laptop vergeten.
21. Jullie hebben het hier naar ............. zin.
22. Joe? Wat is ........... moedertaal?
23. U hebt ........... rekening nog niet betaald.
24. Jij en ik hebben .......... paspoort ๐Ÿ›‚ verlengd.
25. Wij leren veel over de Nederlanders en .......... cultuur.

Het zelfstandig gebruik van het bezittelijk voornaamwoord 

Vul in: de mijne, de jouwe, de uwe, de zijne, de hare, de onze, die van jullie, de hunne.

26. Dat is mijn jas. Hij is niet van jou, het is ........... .......... 
27. Die pen is niet van mij. Hij is van jou, het is ...........  ............
28. Deze boeken ๐Ÿ“š zijn niet van ons. Het zijn jullie boeken. Echt, het zijn ........... .............   .............
29. Die fiets ๐Ÿšฒ is niet van hem. Hij is van haar. Het is ............   .............
30. Welke smartphone ๐Ÿ“ฑ is nou van mij? Is dit ........... ............. (ik) of is dit ............. ............. (u)?
31. Welke jas is van jou? Is dit .......... .........(ik), of is dit .......... ..........?
32. Dit is mijn boek๐Ÿ“– . .......... .......... (u) ligt op de grond.
33. Zijn dat onze sportschoenen ๐Ÿ‘Ÿ , of zijn dat .......... ..........   ............(jullie)
34. Mijn horloge โŒš loopt voor, .......... ..........(zij, enkelvoud) loopt achter.



Dit kan ook in het meervoud:

35. Het oranjeteam maakt kans op een plaats in de finale. .............   ............. (wij )hebben het tot nu toe goed gedaan.



18. De trappen van vergelijking 


De stellende trap (positief) = bijv.nw
De vergrotende trap (comparitief) = bijv.nw + er
De overtreffende trap ( superlatieven) = bijv.nw.+ st(e)

Laatste letter van stellende trap een r, dan der.

Uitzonderingen:

Goed - beter- best
Veel - meer - meest
Weinig - minder - minst
Graag - liever - liefst

1. Warm - In Spanje is het.........., in Egypte is het.........., maar in Soedan is het het..........
2. Zuur - Een sinaasappel is.........., een grapefruit is.........., maar een citroen is het..........
3.  Hoog - Het salaris van een verpleegster is.........., het salaris van een specialist is.........., maar het salaris van een chirurg is het..........
4. Goedkoop - Albert Heijn is.........., Aldi is.........., maar Lidl is het..........
5. Ver - Utrecht is.........., Zwolle is.........., maar Groningen is het..........
6. Moeilijk - Les 2 is.........., les 4 is........., maar les 8 is het..........
7. Snel - Een auto is.........., een trein is.........., maar een vliegtuig is het..........
8. Graag - Wij gaan..........naar de bioscoop. Wij gaan..........naar de schouwburg, maar het...........gaan wij naar de discotheek.
9. Zwaar - Deze rugzak is.........., deze tas is.........., maar deze koffer is het..........
10. Lekker ๐Ÿ˜‹ - Koffie โ˜• vind ik.........., thee  ๐Ÿต vind ik.........., maar chocolademelk vind ik het..........
11. Goed - De uitspraak van mijn Nederlands is.........., de uitspraak van mijn Engels is..........., maar de uitspraak van mijn Frans is het..........
12. Veel - In een mandarijn ๐ŸŠ zitten..........vitaminen, in een banaan ๐ŸŒ zitten..........vitaminen, maar in een kiwi zitten de..........vitaminen
13. Duur - Een zilveren ring โญ• is .........., een gouden ring is .........., maar een diamanten  ๐Ÿ’Ž ring is het..........
14. Laag - Frankrijk ligt............, Belgiรซ ligt.........., maar Nederland ligt het..........
15. Mager - Karbonade is.........., biefstuk is.........., maar kip ๐Ÿ— is het..........


Oefening 19

Zinsvolgorde

Modale werkwoorden:

Kunnen
Moeten
Mogen 
Willen
Zullen 
(niet) hoeven (te)

Zet de volgende woorden in de goede volgorde.
Het modale werkwoord is de persoonsvorm. Het tweede werkwoord komt helemaal achteraan. Begin met het woord met de hoofdletter.

moeten - studenten- maken - huiswerk - De - hun 
De studenten moeten hun huiswerk maken.

1. graag - leren - Jullie -taal - onze - willen
2. niet - morgen - werken - niet - Ik - te - hoef
3. roken ๐Ÿšฌ - Zij - niet - dit - in - mogen - restaurant ๐Ÿด 
4. moet - id-bewijs - Iedereen - zich - hebben - bij - een
5.  mag - woordenboek - examen - een - bij- Je - gebruiken - het
6. week - vakantie - willen - gaan - Wij - volgende - op
7. hoeven - oefening - niet - maken - te - Jullie - deze
8. moet - doen - best - Je - goed
9. meerijden - Wij - kunnen -  haar -  met - morgen
10. zin - Kan - deze - vertalen?- je - me - voor


Oefening 20

Voegwoorden (conjunctie)

Voegwoorden verbinden twee zinnen met elkaar. Het Nederlands onderscheidt twee soorten voegwoorden; nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden.

Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee hoofdlijnen met elkaar waarbij de volgorde onderwerp/ persoonsvorm dezelfde blijft. De nevenschikkende voegwoorden zijn en, of, maar, want, dus en doch.

De meeste voegwoorden zijn onderschikkend. Ze verbinden een hoofdeinde met een bijzin. Het gebruik  van het onderschikkend voegeoord heeft consequenties voor de plaats van de persoonsvorm in de bijzin.

Vul in: want of omdat 


Ik ga naar de kapper, want mijn haar is te lang
Ik ga naar de kapper, omdat mijn haar te lang is

1. Ik ga niet naar de bioscoop, .......... ik geen geld heb.
2. Hij komt niet naar de les, .......... hij is ziek.
3. Zij komt later op het feest ๐ŸŽ‰, .......... zij een lekke band heeft.
4. Ik ga met de auto ๐Ÿš— naar het werk, .......... het regent.
5. Wij doen het raam dicht, ........... het koud is.
6. Zij bestellen nog een drankje, ........... zij hebben dorst.
7. Koen gebruikt een woordenboek, ............hij de woorden niet kent.
8. Mary gaat naar de tandarts ,............ zij kiespijn heeft.
9. Wij moeten stoppen, ............ het verkeerslicht staat op rood.
10. Ik mag niet autorijden, .......... ik geen rijbewijs heb.

Oefening 21

Het voegwoord omdat. Als de bijzin voorop komt, gebruik je inversie ( omdraaiing van de volgorde onderwerp en persoonsvorm.

Ik ga niet naar het feest, omdat ik niet uitgenodigd ben.
Omdat ik niet uitgenodigd ben, ga ik niet naar het feest.

1. Hij kan de presentatie niet geven, omdat hij keelpijn heeft.
2. Ik doe een jas aan, omdat ik het koud heb.
3. Zij gaat niet mee naar het cafรฉ, omdat zij een andere afspraak heeft.
4. Joost mag nog geen bier ๐Ÿป drinken, omdat hij nog geen achttien ๐Ÿ”ž is.
5. Wij kunnen niet op je verjaardag komen, omdat wij op vakantie zijn.
6. Jack komt later, omdat de trein ๐Ÿš‚ vertraging heeft.
7. Susan neemt geen wijntje meer, omdat zij genoeg gedronken heeft.
8. Ik kan geen antwoord geven, omdat ik de vraag niet begrepen heb.
9. Theo kan de tekst niet lezen, omdat hij zijn bril niet bij zich heeft.
10. De bus ๐ŸšŒ rijdt niet, omdat het glad is.



Oefening 22

Het voegwoord als. Staat de voorwaardelijke bijzin voorop, dan krijgt de hoofdzin inversie, omdraaiing van de volgorde onderwerp en persoonsvorm. De bijzin blijft in beide gevallen gelijk.

Zet nu de bijzin met als voorop en gebruik inversie.


Je mag doorrijden, als het verkeerslicht op groen staat.
Als het verkeerslicht op groen staat, mag je doorrijden.

1. Je mag examen doen, als je alle opdrachten gemaakt hebt.
2. In Nederland mag je stemmen, als je achttien bent.
3. Je moet niet gaan autorijden, als je alcohol gedronken hebt.
4. Je moet een paracetamolletje nemen, als je hoofdpijn hebt.
5. Je kunt je beter insmeren met zonnebrandcrรจme, als de zon fel schijnt.
6. Ik meld me ziek, als ik hoofdpijn heb.
7. Zij komt naar mij toe, als ze tijd โŒš heeft.
8. Wij komen niet, als het regent.
9. Zij gaan morgen naar het strand, als het mooi weer is.
10. Je kunt beter in bed blijven liggen, als je griep hebt.


Oefening 23

Hoeveelheden/verpakkingen/eenheden

Maak goede combinaties. Trek een lijn.


Een pak aardappelen

Een pakje  cola

Een flesje ๐Ÿถ  eieren

Een krop  tandpasta 

Een struik chocolade ๐Ÿซ 

Een tros       sinaasappelen

Een pot melk

Een blik roomboter

Een beker  perziken

Een bos bier ๐Ÿป 

Een kuipje peper

Een net doperwten 

Een zak pindakaas 

Een mandje beschuit

Een bakje  bananen ๐ŸŒ 

Een krat margarine 

Een doosje  yoghurt 

Een tube  sla

Een reep  andijvie

Een busje  salade

Een rol wortelen


Oefening 24

De ontkenning (negatie)

Geen plaatsen we voor een zelfstandig naamwoord, niet gebruiken we in alle overige gevallen.

Vul in: niet of geen

1. Ik kan ......... slapen.๐Ÿ’ค 
2. Hij heeft ...........  rijbewijs.
3. Je hoeft ........... inburgeringsexamen te doen.
4. Jullie mogen hier .......... off piste skieรซn. ๐ŸŽฟ 
5. Zij mogen nog ........... stemmen.
6. Verboden toegang. Je mag hier dus .......... naar binnen.
7. Ik hoef ........... koffie โ˜• , en ook ............ thee ๐Ÿต .
8. Nederland is ............. wereldkampioen voetbal โšฝ geworden.
9. Ik heb werkelijk .......... idee๐Ÿ’ก .
10. Wij houden ................ van spinazie.
11. Zij heeft nog ............. inburgeringsexamen gedaan.
12. Je mag hier ............. inhalen.
13. Maxime heeft zich nog ............ ingeschreven.
14. Wij hebben ............ brood ๐Ÿž voor de lunch meegenomen.
15. Wil je even vijf minuten .......... Engels met me praten?
16. De Lidl is ............ duur.
17. Deze auto ๐Ÿš— is ............ goedkoop.
18. Ik heb momenteel ............ geen partner.
19. We gaan vanmiddag ........... strandwandeling maken.
20. Ik heb er ........... zin in.



Oefening 25

Kennen en kunnen

Kennen is een zelfstandig werkwoord in de betekenis van weten.
Kunnen is een modaal hulpwerkwoord in de betekenis van een vaardigheid bezitten, bekwaam of mogelijk zijn.
De 
De vervoeging van beide werkwoorden in de tegenwoordige tijd gaat als volgt:

Ik ken ik kan
Jij kent/ken jij jij kunt of kan/kun jij of kan jij
U kent u kunt
Hij/ zij kent hij/zij kan
Wij kennen  wij kunnen
Jullie kennen jullie kunnen
Zij kennen Zij kunnen


Vul de juiste vorm in van kennen of kunnen

1. ........... u de appelmoes even doorgeven?
2.  .......... je je achternaam even spellen?
3. David .......... de betekenis van dat woord niet.
4. Je .......... deze straat niet inrijden.
5. Zij ........... haar buren niet zo goed.
6. Jullie............ nu de oefening maken.
7. ........... je een biertje ๐Ÿป voor me bestellen?
8. ........... je de Nederlandse verkeersregels?
9. Ik ............. die man helemaal niet.
10. Jullie .......... hier uitstappen.

Oefening 26

Liggen en leggen

Liggen is rust, leggen is beweging.

Vul in:  een vorm van liggen of leggen.

1. Ik ........... ziek op bed.
2. De docent .......... de spellingsregel nog eens uit.
3. De vorken ๐Ÿด .......... in de bestekla.
4. De oorzaak van het ongeluk .......... niet aan mij.
5. De sleutel ๐Ÿ”‘ ..........op tafel.
6. Wij .......... de boeken  ๐Ÿ“– terug in de kast.
7. De moeder ......... de baby ๐Ÿ‘ถ in de wieg.
8. Er ........... een plas wijn ๐Ÿท op het tapijt.
9. Nederland .......... ten westen van Duitsland.
10. Het milieu? Hans .......... er niet wakker van.

Oefening 27

Vul in: hij - hem - het - ze - er

Hoe lang staat je al op de trein ๐Ÿš‚ te wachten? Ik wacht .........al een kwartier op. .......... is veel te laat.

Antwoord: er, hij

1. Heb je je huiswerk voor vandaag gemaakt? Nee, ik heb ........... niet gemaakt. Ik heb ............. gisteravond helaas geen tijd voor gehad.
2. Weet jij waar ik mijn fiets ๐Ÿšฒ heb neergezet? Ik heb .......... naast de bushalte gezet, maar nu staat hij ......... niet meer.
3. Ben je al een beetje gewend aan het weer in dit land? Nee, ik ben ............ nog steeds niet aan gewend; en .......... regent hier โ˜” ook zo vaak.
4. Robbin heeft een nieuwe computer  ๐Ÿ’ป gekocht. ........... staat op zijn bureau. Hij heeft .......... nu aangesloten en hij heeft ..........de hele middag op geรฏnternet.
5. Waar heb je die leuke schoenen ๐Ÿ‘Ÿ gekocht en hoeveel heb je ervoor betaald? Ik heb ........... bij Van Haren gekocht en .......... kostten โ‚ฌ 49,95.
6. Met wie kun je het beste over je problemen spreken? Ik spreek .......... het liefst met mijn ouders over. ............ respecteren mij het meest.
7. Ik heb een leuk artikel over reizen in Alaska gelezen. Heb jij ............ ook gelezen of wil je ............. het van me lenen?
8. In Utrecht heb ik in een leuk appartement gewoond.  .......... was er licht en ............ was niet duur. Ik heb .......... altijd met veel plezier gewoond.
9. Ik heb Mark al een hele tijd niet gezien. Wanneer heb jij ........... voor het laatst gesproken? .......... zal toch niets aan de hand zijn?
10. Ken je die woorden niet? Dan mag je .......... opzoeken in het woordenboek. .......... staat er een in de kast. Als je .......... na gebruik maar weer terugzet.




Oefening 28

De werkwoordstijden 

Het Nederlands onderscheidt acht werkwoordstijden. Het zijn respectievelijk:

O.t.t = onvoltooid tegenwoordige tijd
O.v.t.= onvoltooid verleden tijd
V.t.t = voltooid tegenwoordige tijd 
V.v.t.= voltooid verleden tijd 
O.t.t.t. = onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
O.v.t.t. = onvoltooid verleden toekomende tijd
V.t.t.t = voltooid tegenwoordige toekomende tijd
V.v.t.t.= voltooid verleden toekomende tijd 

Voor werkwoorden die met hebben vervoegd worden gaat dat zo:

Ik werk
Ik werkte
Ik heb gewerkt
Ik had gewerkt 
Ik zal werken
Ik zou werken
Ik zal gewerkt hebben
Ik zou gewerkt hebben

Voor werkwoorden die met zijn vervoegd worden gaat dat als volgt:

Ik verhuis
Ik verhuisde
Ik ben verhuisd
Ik was verhuisd 
Ik zal verhuizen
Ik zou verhuizen 
Ik zal verhuisd zijn
Ik zou verhuisd zijn

Doe nu hetzelfde met de volgende werkwoorden.


1. Leren
2. Zwemmen ๐ŸŠ 
3. Oefenen
4. Skiรซn ๐ŸŽฟ 
5. Vertalen
6. Zeggen
7. Wijzigen
8. Beginnen 
9. Komen
10. Eten ๐Ÿฒ 


Oefening 29

Actieve en passieve zinnen


Zet de volgende bedrijvende zinnen om in lijdende zinnen. De stamtijden van het hulpwerkwoord worden zijn: worden - werd - ben geworden. Het onderwerp in de actieve zin wordt een bepaling met door in de passieve zin.

We beginnen met de o.t.t

De moeder verzorgt de baby ๐Ÿ‘ถ 
De baby wordt door de moeder verzorgd.

1. De arts ๐Ÿ˜ท geneest de patiรซnten.
2. De schoenmaker repareert de laarzen ๐Ÿ‘ข .
3. De onderwijzer leest de tekst voor.
4. De minister raadpleegt de ambtenaren.
5. De bezorger levert de pizza ๐Ÿ• af.
6. De piloot taxiet het vliegtuig  โœˆ naar de startbaan.
7. De leerlingen maken de opdracht.
8. De burgemeester knipt het lint ๐ŸŽ€ door.
9. De man ๐Ÿ‘จ rookt een pijp.
10. De politie ๐Ÿšจ sluit de weg af.

We gaan verder met de o.v.t.

100.000 bezoekers bekeken de voorstelling.
De tentoonstelling werd door 100.000 bezoekers bekeken.

11. De chirurg opereerde de hartpatiรซnt.
12. De brandweer bluste het vuur ๐Ÿ”ฅ .
13. De timmerman maakte een tafel.
14. De bakker bakte honderd broden.
15. De boer molk de koe ๐Ÿฎ .
16. De uitsmijter sloot de deur๐Ÿšช .
17. De kinderen ๐Ÿšธ speelden het spel.
18. De verpleegster nam de temperatuur op.
19. De bloemist bezorgde het mooie boeket ๐Ÿ’ .
20. De studenten beantwoordden alle vragen.

Dan nu de v.t.t.

De huishoudster heeft het bed verschoond.
Het bed is door de huishoudster verschoond.

21. De kok heeft de maaltijd ๐Ÿด bereid.
22. De ober heeft de bestelling opgenomen.
23. Het barmeisje heeft drie biertjes ๐Ÿป getapt.
24. Het personeel heeft de gasten goed verzorgd.
25. De quizmaster heeft de kandidaten voorgesteld.
26. De slager heeft het vlees ๐Ÿ– gesneden.
27. De president heeft het buurland bezocht.
28. De docent heeft de opdracht uitgedeeld.
29. Martijn heeft de vlag โ›ณ uitgehangen.
30. Sven heeft de marathon ๐Ÿƒ uitgelopen.


Gaan we door met de v.v.t.

De monteur had de auto ๐Ÿš— gerepareerd.
De auto was door de monteur gerepareerd.

31. De professor had het hoorcollege goed voorbereid.
32. De schilder had het kozijn geverfd.
33. De machinist had het sein niet gezien.
34. De molenaar had de tarwe ๐ŸŒพ gemalen.
35. Tachtig wielrenners hadden de Tour de France uitgereden.
36. De Noorse skiรซrs hadden de reuzenslalom gewonnen.
37. De toeristen hadden het museum bezocht.
38. De marktkoopman had alle groente verkocht.
39. De elektricien had de stroom uitgeschakeld.
40. De loodgieter had de gootsteen vervangen.

En dan nu de o.t.t.t.

De nieuwe presentator zal het programma aan elkaar praten.
Het programma zal door de nieuwe presentator aan elkaar gepraat worden.

41. De buitenlandse architect zal het gebouw ๐Ÿข ontwerpen.
42. De scherpzinnige advocaat zal de misdadiger verdedigen.
43. Daarna zal de rechter de man veroordelen of vrijspreken.
44. De nieuwe dominee zal deze dienst leiden.
45. De laborant ๐Ÿ”ฌ zal het onderzoek in een ander bedrijf voortzetten.
46. De burgemeester zal de kampioenen op het stadhuis onthalen.
47. De buurvrouw zal in onze vakantie de poes ๐Ÿ˜ป te eten geven.
48. De meubelmaker zal de hypermoderne stoel ๐Ÿ’บ fabriceren.
49. De barkeeper zal de deur om twee uur sluiten.
50. Het meisje zal de trouwjurk niet in die winkel kopen.

Vervolgens jawel de o.v.t.t.

De promovendus zou zijn proefschrift aanstaande vrijdag verdedigen.
Het proefschrift zou aanstaande vrijdag door de promovendus verdedigd worden.

51. De tandarts zou vanmiddag de pijnlijke kies trekken.
52. De trambestuurder zou morgen het nieuwe lightrailvoertuig besturen.
53. De docent zou het proefwerk nakijken.
54. De apotheker zou de medicijnen bezorgen.
55. De journalist zou de politicus interviewen.
56. De minister zou vanmiddag het wetsvoorstel indienen.
57. De directeur zou vandaag het personeel toespreken.
58. De garagehouder zou volgende week de auto afleveren.
59. De conciรซrge zou de vuilnisbakken legen.
60. De pizzabezorger zou de pizza ๐Ÿ• binnen een kwartier brengen.


En tot slot de v.v.t.t.

De makelaar zou het huis verkocht hebben.
Het huis zou door de makelaar verkocht zijn.

61. De scheidsrechter zou het doelpunt hebben goedgekeurd.
62. De man zou de vrouw geslagen hebben.
63. De leraar zou de regel hebben uitgelegd.
64. De boer zou de koeien om zes uur gemolken hebben.
65. De pianist zou de vijfde symfonie van Beethoven gespeeld hebben.
66. De bioloog zou een nieuwe plantensoort ontdekt hebben.
67. De lezer zou het geleende boek teruggebracht hebben.
68. De schilder zou de voordeur vanmiddag geverfd hebben.
69. De kinderverzorgster zou het kind verwaarloosd hebben.
70. De politie ๐Ÿšจ zou de moordenaar gearresteerd hebben.



Nu door elkaar. Let goed op de werkwoordstijden.


81. De cursisten lezen ๐Ÿ“– de tekst.
82. De conducteur controleert onze kaartjes ๐Ÿ’ณ. 
83. De docent legde de grammaticaregel uit.
84. De nieuwe dirigent spreekt de orkestleden toe.
85. Albert Heijn heeft de prijzen verhoogd.
86. De leerlingen hadden de som uitgerekend.
87. De atleet zong het Wilhelmus.
88. De koning โ™” leest de Troonrede voor.
89. Acht paarden โ™˜ trekken de gouden koets.
90. Koningin โ™• Maxima zwaaide de menigte toe.

Overigens moet het gebruik van de lijdende vorm sterk ontraden worden. Het maakt teksten minder goed leesbaar en ook voor u is het bezigen hiervan lastiger dan de bedrijvende vorm. De passief maakt zinnen gewoon langer dan nodig. Bovendien kan de bepaling met door gemakkelijk weggelaten worden. In formele teksten, waaronder juridische en politieke, wordt de passief vaak gebruikt. Je kunt immers makkelijk weglaten wie verantwoordelijk is. Soms wil of kan je de handelende persoon niet noemen.


Oefening 30

Het verkleinwoord (diminutief)

Nederlanders gebruiken relatief vaak verkleinwoorden. Je vormt ze door - etje, -tje, -je, - pje of  -kje achter het zelfstandig naamwoord te plakken. Welke vorm het is, is afhankelijk van de slotklank van het zelfstandig naamwoord of het woordaccent. Soms zijn er twee mogelijkheden. Alle verkleinwoorden zijn overigens  het-woorden. Wel zo makkelijk.

Maak het verkleinwoord.

De jongen ๐Ÿ‘ฆ - het jongetje ๐Ÿ‘ฆ 

1. De man ๐Ÿ‘จ 
2. De vrouw ๐Ÿ‘ฉ 
3. Het huis ๐Ÿก 
4. De auto ๐Ÿš— 
5. De boerderij
6. De bloem ๐ŸŒธ 
7. De stad 
8. De fiets ๐Ÿšฒ 
9. Het dorp
10. De kerk โ›ช 
11. De lamp ๐Ÿ’ก 
12. De koning โ™” 
13. De pop
14. De foto ๐Ÿ“ท 
15. De baby ๐Ÿ‘ถ 
16. Het paard โ™˜ 
17. Het cijfer
18. De trap
19. De film ๐ŸŽฅ 
20. De radio ๐Ÿ“ป 
21. Het station ๐Ÿš‰ 
22. De tv ๐Ÿ“บ 
23. De kamer
24. De tafel
25. Het bed
26. De weg

Oefening 31

Scheidbaar samengestelde werkwoorden 

Scheidbaar samengestelde werkwoorden bestaan uit een  prefix (voorzetsel of bijvoeglijk naamwoord) en een werkwoord. In de o.t.t. komt het werkwoord eerst en later in de zin het eerste deel van het werkwoord.

Voorstellen - De gastvrouw stelt de man aan de andere man voor.
Indrukken - Druk eerst de knop ๐Ÿ”ฒ in.

1. Aannemen - De loodgieter .......... de klus niet .............. 
2. Schoonmaken - De man ............ de keuken ............... 
3. Dichtdoen - De onderwijzeres ........... het raam ...........
4. Bijklussen - De hoogleraar .......... er naast zijn volledige baan een paar uurtjes ............ 
5. Rondkomen - De bijstandsmoeder ..........  niet .......... van haar uitkering.
6. Uitgaan - De student .......... alleen in het weekend ........... 
7. Innemen - De patiรซnt ........... trouw zijn medicijnen .............  
8. Doorgeven - De ober .......... de bestelling aan de chef-kok .......... 
9. Bijdragen - De leden .......... zelf aan het onderhoud van de kantine ..........
10. Overwerken -  Ik .......... vanavond tot tien uur ........... 

Voor de o.v.t. geldt dezelfde volgorde.

Samenstellen - De producer stelde een mooi tv-programma samen.
Ingaan - De regeling ging met terugwerkende kracht in.

11. Oversteken - De vrouw met de rollator .......... zonder uit te kijken de drukke straat ............ 
12. Doorberekenen - De bank ๐Ÿฆ ......... de rente aan de spaarders ........... 
13. Instappen - De toerist ...........  gisteren op station ๐Ÿš‰ Schiphol .......... 
14. Overstappen - Daarna ........... hij op Amsterdam Centraal ............  
15. Uitstappen - Tenslotte ........... hij in Amersfoort ............ 
16. Overschrijven De leerlingen ........... het opstel netjes ............
17. Doorgeven - De winkelier ........... de bestelling aan de groothandel ..............
18. Openmaken - De nieuwsgierige vrouw ........... de doos gauw ............
19. Uitgeven - De jarige ........... veel geld ............
20. Inwisselen - De toerist ............al zijn vreemde valuta ๐Ÿ’ฑ ............ 

Bij het voltooid deelwoord komt het element ge- tussen de twee delen van het scheidbaar samengestelde werkwoord. Dit geldt voor zowel de v.t.t. als de v.v.t.

Bijhouden - Het huis is in de loop der tijd goed bijgehouden.
Inschrijven - De studenten hadden zich voor de voorjaarscursus ingeschreven.

21. Opeten - De baby๐Ÿ‘ถ heeft zijn fruithapje netjes ................ 
22. Opdrinken - De bevende tante had haar kopje thee netjes .......... 
23.  Uitstellen - De directeur heeft de beslissing twee weken .......... 
24. Aanzetten -  Ik dacht dat ik het koffiezetapparaat had ............. 
25. Uitzetten - Jij hebt de televisie ๐Ÿ“บ ............. 
26. Meegaan - De buurvrouw is niet .......... 
27. Afknippen - Ze heeft haar lange haar ........... 
28. Bijsluiten - De apotheker heeft de informatie voor het medicijn ...........
29. Aanpakken - De minister had het probleem niet goed ...........
30. Overschrijven - Het bedrag is gisteren op uw bankrekening ............... 

Met te tussen de beide delen van het scheidbaar samengestelde werkwoord.

Ik ben mij vergeten voor te stellen.
De student is vergeten zich voor deze werkgroep in te schrijven ๐Ÿ“. 

31. Uitgaan - Amsterdam is een leuke stad om ...........   ..............  ........... 
32. Overstappen -  Deze passagiers zijn vergeten in Utrecht ...........      ..........     ..........
33. Voorbereiden - De kok is bezig de gerechten voor het diner ............     ...........     ............
34. Nadoen - Het is aan te raden dit trucje thuis niet ..........     ...........    ...........
35. Overnemen - Wie is bereid dit lesboek van me .............    ...........    ............?
36. Naspelen - Het toneelgezelschap probeerde het Griekse treurspel ...........    ...........     ...........
37. Overtypen - De secretaresse is bezig de notulen ...........    ...........     ............ 
38. Doorspoelen - Vergeet niet het toilet ๐Ÿšฝ..........    .............     ...........!
39. Bijbetalen - De klant is niet van plan het prijsverschil ............   ...........     ........... 
40. Uitnodigen -  Jullie zijn gek om die mensen op jullie feest ๐ŸŽ‰ ...........    ...........     ............. 

Aan het einde van een bijzin

Instappen - Check in voordat u de trein instapt.
Uitchecken - Het is van belang dat u bij het verlaten van het station uitcheckt.

41. Doorverwijzen - De huisarts is degene die u naar een specialist .......... 
42. Afwassen - Als jij ..........., doe ik alvast de boodschappen.
43. Doorrijden - Als je hier ............ kom je zo bij de Kalverstraat.
44. Inhalen - Het is veiliger als u op tweebaanswegen niet ............
45. Openmaken - Voordat u de verpakking ..............moet u eerst de gebruiksaanwijzing zorgvuldig lezen.
46. Klaarmaken - In Nederland is het toch meestal nog de moeder die het eten ๐Ÿฒ ..........
47. Uitgeven - Het geld dat je ............aan huur, is eigenlijk te hoog.
48. Doorsnijden - Als u deze worst  half ..........., wil ik hem wel hebben.
49. Afzeggen - Wie niet 24 uur van tevoren  ..........., moet het lesgeld toch betalen.
50. Aansteken - Voordat je het licht ..........., moet je de stekker ๐Ÿ”Œ in het stopcontact doen.



Na een modaal hulpwerkwoord volgt het scheidbaar samengestelde werkwoord in zijn geheel.

Je moet in Leiden overstappen.
Je mag hier niet inhalen.

51. Intekenen - Je kunt je aan de balie ...........
52. Afrekenen -  U kunt bij de ober ...........
53. Afslaan - Je mag hier niet naar links .............  
54. Omkleden - Ik wil me nog even voor het feest ๐ŸŽ‰ ..........
55. Aangeven - Een baby moet je binnen drie keer 24 uur bij de burgerlijke stand ...........
56. Aankomen - Sinterklaas zal dit jaar in Maassluis ............. 
57. Afstappen - Wegens een omgevallen boom ๐ŸŒด moeten de fietsers ๐Ÿšด even ............
58. Invallen - Mijn collega zal morgen voor me ...........
59. Aanbieden - De Minister van Financiรซn zal vanmiddag de miljoenennota ..........
60. Uitrekenen - Wilt u voor mij even het totaalbedrag ........... ? 

Oefening 32

Het wederkerend voornaamwoord 

Sommige zelfstandige werkwoorden zijn wederkerend, wat betekent dat er nog een element van de persoon terugkomt. De wederkerende voornaamwoorden (pronomen reflexivum) zijn me, je, u, zich en ons.

Zich vergissen

Ik vergis me
Jij vergist je
U vergist u
Hij vergist zich
Zij vergist zich
Wij vergissen ons
Jullie vergissen je
Zij vergissen zich

Doe nu hetzelfde met de volgende werkwoorden.

1. Zich scheren
2. Zich wassen
3. Zich bezeren
4. Zich vervelen
5. Zich ergeren
6. Zich verslikken 
7. Zich verstoppen
8. Zich haasten
9. Zich herinneren 
10. Zich verbazen


Voor scheidbaar samengestelde werkwoorden geldt de volgende volgorde.

Zich voorstellen.

Ik stel me voor
Jij stelt je voor
U stelt u voor
Hij stelt zich voor
Zij stelt zich voor
Wij stellen ons voor
Jullie stellen je voor
Zij stellen zich voor

Vervoeg de volgende werkwoorden.

11. Zich aankleden
12. Zich uitkleden
13. Zich aanstellen
14. Zich afdrogen 
15. Zich uitsloven
16. Zich afvragen 
17. Zich inschrijven
18. Zich opgeven
19. Zich opmaken
20. Zich inlezen

Oefening 33

Het betrekkelijk voornaamwoord 

Het betrekkelijke voornaamwoorden (pronomen relativum) zijn onder andere die voor de-woorden en dat voor het-woorden. Het betrekkelijk voornaamwoord slaat terug op een zelfstandig naamwoord dat eerder in de zin genoemd is. (het antecedent)


Vul nu zelf in die of dat en maak de zin vervolgens af.

Het kopieerapparaat ............ ik heb gekocht, is ...................
Het kopieerapparaat dat ik heb gekocht, is heel gemakkelijk in het gebruik.

1. De bus ๐ŸšŒ ............ te laat kwam, ..................
2. Het huis ๐Ÿก .......... nog gebouwd moet worden,  .............. 
3. Het boek ๐Ÿ“– ........... ik nog wil lezen, ................
4. De schoenen ๐Ÿ‘Ÿ ........... ik net geruild heb, .............
5. De man ๐Ÿ‘จ ........... daar loopt, ..............
6. De vakantie ............ vandaag geboekt heb,  .............
7. De cursus ........... vorige week begonnen is, .............
8. De toeristen ..........daar in de bus zitten, ...........
9. Mijn paspoort ๐Ÿ›‚ ........... dat ik gisteren verloren had, ...........
10. De sollicitatiebrief ........... hij vorige week geschreven heeft, .............


Oefening 34

Versterkingen

Boven de superlatief is er nog een mogelijkheid om aan te duiden dat iets of iemand heel erg ............. is.

Maak goede combinaties door een lijn te trekken.

Steke  stil

Oer scherp

Bloed rijk
Spot hoog

Knetter lang 

Toren arm

Ellen nerveus

Straat lelijk

Steen gek

Dood  blind

Vlijm goedkoop

Stok jong

Spring gezond

Kern oud

Piep levend

Kraak eigenwijs

Brood kort

Ultra mager 

Stront helder

Pot dood

Mors dicht 

Poes sterk

Klets droog

Kurk nat

Bere lief

Lood modern

Hyper zwaar


Oefening 35

Vergelijkingen met als

Maak goede combinaties door een lijn te trekken.

Zo sterk als  een hond

Zo arm als  een pier

Zo ziek als een vis

Zo gezond als  Job

Zo dood als een beer

Zo dom als een mandje

Zo lek als een ezel

Zo licht als boter

Zo zacht als een veertje

Zo plat als een kreeft

Zo slank als gras

Zo zwart als een den

Zo rood  als een dubbeltje

Zo groen als de nacht

Zo gespannen als een vaatdoek

Zo slap als een spier

Zo blij als een aal

Zo hard als de wind

Zo snel als  een kind

Zo glad als een spijker


Oefening 36

De spelling van aan het Engels ontleende werkwoorden 

1. Ik heb je gisteravond de brief (faxen).
2. Marleen heeft vanmiddag met haar vriendin (fitnessen).
3. Denk je dat je alle ingrediรซnten wel goed (mixen) hebt.
4. Hij heeft de foto's netjes (fotoshoppen).
5. Jaap heeft tot diep in de nacht (computeren).
6. Rafael van der Vaart heeft in deze wedstrijd maar liefst vier keer (scoren).
7. Heeft de secretaresse de notulen nog (mailen)?
8. De onderzoeker heeft voor zijn  vak veel (internetten).
9. De expat heeft gisteravond met zijn met ouders (skypen).
10. Nederlanders leven een beetje (stressen)
11. Heb je de spelling (checken)?
12. De damesploeg heeft weer prima (hockeyen).
13. De herenploeg heeft trouwens prima (rugbyen)
14. Wij hebben samen heel wat (whatsappen).
15. Ik heb nog nooit (instagrammen).
16. Op deze camping wordt veel (barbecueรซn).
17. Mijn dochter heeft vandaag nog niet (facebooken)
18. Heb je je vanochtend nog (douchen ๐Ÿšฟ  ).
19. Haar oogleden zijn (faceliften).
20. De basketballers๐Ÿ€ hebben anderhalf uur (trainen).

Oefening 37

-e of -en. Als het om personen gaat. Met een -e als er een duidelijk antecedent in de vorige zin(net) staat . Zo niet dan schrijf je -en.

Vul in: - e of - en

1. Studenten hebben soms weinig geld. Sommig............ zijn echt aangewezen op studiefinanciering.
2. Vel......... hebben zich aangemeld, slechts enkel............ zullen worden ingeloot.
3. Jullie gaan vanochtend met hem mee, de ander............ gaan met mij mee.
4. Vel............... gaan 's zomers op vakantie, weer ander.............prefereren wintersport.
5. Winkeliers in deze straat hebben het moeilijk. Sommig.......... zijn zelfs failliet gegaan.
6. Deze school ๐Ÿซ heeft honderd docenten. De meest............. hebben een lesbevoegdheid.
7. Er deden dit jaar tienduizend wandelaars mee aan de Nijmeegse Vierdaagse. De meest............. hebben het jaarlijkse evenement uitgelopen.
8. Het zijn niet de minst............ die door rood rijden.
9. Twintig leerlingen gaan naar de havo, enkel............gaan naar het VWO.
10. Hier wonen veel gokverslaafden. De meest......... hebben baat bij een goede therapie.

Oefening 38

Spreekwoorden 

Spreekwoorden zijn onveranderlijk, dat wil zeggen dat ze alleen in deze vorm gebruikt kunnen worden. Ze zijn een belangrijk onderdeel van het Nederlandse taaleigen.

Maak het spreekwoord af en zoek de betekenis op. Dat kan bijvoorbeeld op www.spreekwoord.nl

1. Wie een kuil graaft voor een ander,
2. Oog om oog,
3. Al geef je een aap ๐Ÿ’ een gouden ring โญ• ,
4. Zo de waard is,
5. Al is de leugen nog zo snel,
6. In het land der blinden
7. Hoge bomen๐ŸŒด 
8. Twee honden ๐Ÿถ vechten om een been,
9. De appel ๐ŸŽ 
10. Voorzichtigheid โš  is 
11. Zo vader,
12. Wie niet waagt,
13. Het paard โ™˜ 
14. Wat de boer niet kent,
15. Als de vos de passie preekt,

- tand om tand.
- achter de wagen spannen.
- vertrouwt hij zijn gasten.
- de derde gaat ermee heen.
- de moeder van de porseleinkast.
- het is en blijft een lelijk ding.
- dat eet hij niet.
- is eenoog koning โ™” .
- valt er zelf in.
- die niet wint.
- valt niet ver van de boom ๐ŸŒด .
- zo zoon.
- vangen veel wind ๐ŸŽ .
- boer, pas op je kippen.
- de waarheid achterhaalt hem wel.

Oefening 39

Spreekwoordelijke uitdrukkingen

Spreekwoordelijke uitdrukkingen kunnen eventueel ook in een andere tijd gezet worden.

Vul aan:

1. Niet over een nacht ...........
2. Weten waar Abraham ............
3. Ergens geen been ............
4. Het hart โ™ฅ ...........
5. Voor de duvel ...........
6. Iets voor zoete koek ...........
7. Iemand de das 
..............
8. Iemand in de maling ..........
9. Ergens geen heil ...........
10. Ergens de brui ..........
11. Goed beslagen ...........
12. Water๐Ÿ’ง ............
13. Iemand het hemd ............

- ijs gaan.
- ten ijs komen.
- op de tong ๐Ÿ˜œ hebben.
- in zien ๐Ÿ™ˆ .
- in zien ๐Ÿ™ˆ . 
- van het lijf vragen๐Ÿ™‹ .
- aannemen.
- naar de zee ๐ŸŒŠ dragen.
- omdoen.
- nemen.
- aan geven.
- niet bang ๐Ÿ˜ฑ zijn.
- de mosterd haalt.

Oefening 40.

Werkwoordelijke uitdrukkingen

Werkwoordelijke uitdrukkingen kun je niet letterlijk nemen. Ze beginnen meestal met een voorzetsel en er zit een werkwoord in.


Vul aan: 

1. Door de mand 
2. Door het ijs
3. Tegen de lamp ๐Ÿ’ก
4. Voor paal 
5. Door het lint
6. In de wind
7. In zak en as
8. Voor het blok
9. Voor Pampus
10. Over de rooie
11. Op zwart zaad
13. Met de noorderzon
14. Onder vuur ๐Ÿ”ฅ 
15. Aan banden
16. Voor schut
17. Boven Jan
18. Op een houtje
19. Uit je dak
20. Van de hoed en de rand
21. Over z'n nek 
22. Een boom
23. In het ootje
24. Op hete kolen 
25. Aan banden
26. Uit de bocht

- bijten
- leggen 
- zakken 
- Zitten
- Zitten
- Zitten 
- Zetten
- Zetten
- Opzetten
- vliegen 
- Weten

- Zijn
- Nemen
- Vertrekken
- Gaan
- Gaan
- Gaan
- gaan
- Liggen
- lopen๐Ÿšถ 
- Staan
- Slaan
- Vallen 
- Leggen
- Liggen 

Oefening 41

Uitdrukkingen uit de scheepvaart 

Veel van onze uitdrukkingen hebben betrekking op onze rijke scheepvaarthistorie. Zoek de betekenis hiervan op.

1. Onder zeil
2. Iets over een andere boeg
3. De bakens
4. Het ruime sop
5. De wind ๐Ÿƒ 
6. Het roer
7. Twee โœŒ kapiteins
8. In de boot
9. Alle hens
10. In elk stadje
11. Tussen wal en schip ๐Ÿšข 

- Gaan
- Op een schip ๐Ÿšข .
- Aan dek.
- Geraken.
- In de zeilen hebben.
- Kiezen
- Een ander schatje.
- Genomen worden.
- Verzetten.
- Gooien.
- Omgooien.

Oefening 42

Verkleinwoorden

Zijn de volgende verkleinwoorden positief, neutraal ๐Ÿ˜‘ of negatief bedoeld.

1. Voor het opknappen van mijn huis ๐Ÿก heb ik een mannetje gevonden.
2. Ga je mee een biertje ๐Ÿป drinken?
3. Paula heeft een nieuw vriendje.
4. Het kindje๐Ÿ‘ถ lag lekker in de wieg te slapen ๐Ÿ’ค .
5. Ik ben alweer een jaartje ouder.
6. Mag ik nog een servetje?
7. Ze serveerden een soepje vooraf.
8. Wie wil er nog een toetje ๐Ÿฎ ?
9. Leiden is een leuk stadje.
10. Ik wil een paar kilootjes afvallen.
11. Ik ben er over een uurtje.
12. Even een plasje plegen.

Oefening 43

Eufemisme 

Een eufemisme is een verzachtende, verbloemende of verhullende uitdrukking. Vaak hebben ze betrekking op een onderwerp waar een taboe op kan liggen,  bijvoorbeeld ziekte, dood, stoelgang en seksualiteit.

Wat betekenen de volgende eufemismen.

1. Het hoekje omgaan.
2. Aan de dunne zijn.
3. De chef en de secretaresse doen het met elkaar.
4. Zij heeft het eeuwige met het tijdelijke verwisseld.
5. Ze is kleiner gaan wonen.
6. Jaap is even naar het kleinste kamertje.
7. Zij heeft de rode hond.
8. Ik heb een ongelukje gehad.
9. Het meisje is voor het eerst aan de je weet wel.
10. Ze ruikt niet zo fris.

Oefening 44

Afkortingen

Wat betekenen de volgende afkortingen?

1. Enz.
2. Zoz
3. Mmv
4. T/m
5. Muv
6. Tgv
7. Adhv
8. Teab
9. Zsm
10. Maw

Oefening 45

Waar staan de volgende organisaties voor?

1. ANWB
2. KNMI
3. KNVB
4. NOS
5. NT2
6. NS
7. VU
8. KLM
9. Vmbo
10. Havo
11. VWO
12. AMC
13. LUMC
14. Interpol
15. NTR

Oefening 46

Onomatpeeรซn

Onomatpeeรซn zijn klanknabootsingen.

Waarnaar verwijzen de volgende onomatpeeรซn?

1. Zoemen
2. Piepen
3. Kraken
4. Miauwen
5. Kakelen
6. Kwaken
7. Kwekken
8. De kievit
9. De grutto
10. De tjiftjaf 

Oefening 47

Het modaal hulpwerkwoord (niet) hoeven (te). Let ook op de tijd van het werkwoord.

1. De leerlingen ........
..... in de herfstvakantie niet voor dit museum te betalen.
2. Onze buurman .......... de boom๐ŸŒด niet te kappen.
3. Op Koningsdag ............ de meeste mensen niet te werken.
4. ............ jullie geen koffie โ˜• meer?
5. De leerlingen .............. gisteren geen brood ๐Ÿž mee naar school ๐Ÿซ te nemen.
6. Je ............. in dat land minder belasting te betalen.
7. De kinderen ๐Ÿšธ .........vorige week geen toegang te betalen voor het museum, omdat het Museumweekend was.
8. Hij ........... geen spareribs meer.
9. Ik ............geen kaartje ๐ŸŽซ te kopen.
10. Zij ............ geen maggi door de soep.
11. Hier ............. je nooit lang te wachten.
12. Ik .................. niemand te bedanken.
13. Jullie ........... in de vorige zomervakantie nooit je identiteitsbewijs te laten zien.
14. Ik ........... nergens bang voor te zijn.
15. ............. je volgende week niet te werken? 

Oefening 48

Het wederkerig voornaamwoord 

Het wederkerig voornaamwoord, niet te verwarren met het wederkerend voornaamwoord bestaat slechts uit een woord en dat is elkaar ( of het wat archaรฏsch aandoende elkander).

Vul in: elkaar, in elkaar, met elkaar, door elkaar, uit elkaar, bij elkaar, op elkaar, in elkaar, naast elkaar enz.

1. Ik kan die twee tweelingbroers niet .............. houden.
2. Je hebt het hele spel ............ gegooid.
3. Die buren gaan vaak ............. op bezoek.
4. De baasjes haalden de honden ๐Ÿถ ............
5. Zij heeft de kast in twee uur ............. gezet.
6. De onderwijzeres haalt de namen van die twee meisjes ๐Ÿ‘ญ altijd ..............
7. Alleen samen krijgen we die klus ............
8. De bokser heeft per ongeluk iemand ............ geslagen.
9. De pannenkoeken lagen allemaal .............
10. De bijstandsmoeder had moeite de eindjes ............... te knopen.
11. Zij draagt twee truien ............
12. Mag ik van u een half pond roomboterkoekjes .............?
13. Ze zijn al dertig jaar directe buren. Ze wonen ...........
14. Om te kunnen optellen  โž• ,moet je de bedragen netjes ............. zetten.
15. De barkeeper stapelt de glazen ......................
16. Bij mediation probeer je ............... tot een oplossing te komen.
17. Na de scheiding viel het hen moeilijk om weer een beetje .............. te komen.
18. Die twee auto's ๐Ÿš— zijn .................. gebotst.
19. Overburen wonen recht .................. in de straat.
20. Die twee roddelaarsters praten de hele tijd ................

Oefening 49

Namen van beroepen voor vrouwen โ™€ 

Wat is het vrouwelijke equivalent van:

1. Conducteur 
2. Onderwijzer
3. Boer
4. Dirigent
5. Psycholoog 
6. Verkoper
7. Professor
8. Zanger
9. Burgemeester 
10. Brandweerman
11. Coรถrdinator 
12. Historicus
13. Secretaris 
14. Boekhouder
15. Leraar
16. Voorzitter
17. Minister
18. Agent
19. Neerlandicus
20. Acteur

Oefening 50

Synoniemen 

Synoniemen zijn woorden die (ongeveer) dezelfde betekenis hebben. Kruiswoordraadsels staan er vol mee.

Welke twee woorden betekenen (ongeveer) hetzelfde:


1. Gooien 
2. Sturen
3. Sterven
4. Vertrekken 
5. Kwaad
6. Arriveren
7. Spenderen 
8. Genezen
9. Piekeren
10. Heden 
11. Reรซel 
12. Opnieuw
13. Voldoende 
14. Verbinding
15. Geschiedenis 




Zenden
Werkelijk
Boos
Connectie 
Vandaag
Weer
Besteden 
Genoeg
Overlijden 
Aankomen
Helen
Tobben
Historie
Weggaan
Werpen 

Oefening 51

Homoniemen 

Homoniemen zijn woorden die meerdere betekenissen hebben.

Welke betekenissen hebben de volgende woorden:

1. Bank
2. Bal
3. School
4. Kraam
5. Beslag
6. Prijs
7. Zin
8. Regel
9. Punt
10. Bord
11. Bevallen
12. Afzet
13. Kraan
14. Klinker
15. Molen

Oefening 52

Hyperoniemen

Hyperoniemen zijn zelfstandige naamwoorden die een overkoepelende term zijn voor een aantal  verwante specifieke woorden. Bijvoorbeeld klasse of soort.

Tot welke klasse of hyperoniemen behoren de volgende hyperoniemen.

1. De merel
2. De mug
3. De muis ๐Ÿญ 
4. De baars
5. De fiets ๐Ÿšฒ 
6. De zoon
7. Juni
8. De tafel
9. Woensdag 
10. De onderbroek

Kledingstukken
Knaagdieren
Meubels
Familieleden
Insecten
Vogels ๐Ÿฆ
Voertuigen
Dagen 
Maanden
Vissen ๐Ÿ  

Oefening 53

Hyponiemen

Nu andersom. Noem minstens drie hyponiemen van de volgende hyperoniemen: 

Voorbeeld: meubels - tafel, stoel๐Ÿ’บ, bank.

1. Vogels ๐Ÿฆ 
2. Katachtigen ๐Ÿ˜ป 
3. Vissen ๐Ÿ  
4. Voertuigen 
5. Familierelaties ๐Ÿ‘ช 
6. Groenten 
7. Fruit
8. Zuivelproducten 
9. Graanproducten 
10. Boerderijdieren 
11. Landen
12. Hoofdsteden
13. Talen
14. Sporten
15. Hoofddeksels 

Oefening 54

Voegwoorden 

Vul het juiste voegwoord in. Kies uit: maar, ondanks, dankzij, alsof.


1. ........... het slechte weer, zijn we zondagmiddag toch een strandwandeling wezen maken.
2. Het leek wel, ........... iedereen op hetzelfde tijdstip naar de supermarkt wilde.
3. ........... de erfenis kon het huis ๐Ÿก verbouwd worden.
4. Ik zou wel naar je toe willen komen, ........... ik heb geen vervoer.
5. Het lijkt wel ............ vandaag iedereen vakantie heeft.
6. Hij heeft de nieuwe baan geaccepteerd, .......... het hem door anderen is afgeraden.

Oefening 55

Bijwoorden

Vul een van de volgende bijwoorden in. Kies uit: bovendien, opnieuw, ergens, nergens, ooit, nooit,

1. Sven Kramer is ........... wereldkampioen schaatsen geworden.
2. Hij heeft een salarisverhoging gekregen en ............ een auto ๐Ÿš— van de zaak.
3. Ze is nog ........... bij de Ikea geweest.
4. Hij wil .......... in zijn leven een keer het noorderlicht zien.
5. Ik kan ............mijn sleutels ๐Ÿ”‘ vinden.
6. Houd die rotoorlog dan .......... op!

Oefening 56

Suffixen

Suffixen of achtervoegsels zijn bijvoorbeeld - baar of - zaam achter sommige werkwoorden in de betekenis van in of gemakkelijk te.

Vul in: - baar of -zaam


1. Hij is werk.......... in de horeca.
2. Plastic is buig.........
3. Amsterdam is goed bereik........
4. Deze situatie is niet goed leef...........
5. Het product is momenteel niet lever............
6. Deze ervaring was voor ons allen heel leer...........
7. De schoenen ๐Ÿ‘Ÿ in deze winkel zijn goed betaal...........
8.Een warm bad ๐Ÿ›€ kan soms heel heil......... werken.
9. Mijn uitspraak van de g is nog moei..........
10. Deze oude kaas is nog goed snijd..........
11. Het is raad........... uw rekeningen op tijd te betalen.

Oefening 57

De apostrof ( ')

Waar komt de s , apostrof of apostrof s in de volgende bezitsrelaties:

1. Max woning.
2. Ilja biertje.
3. Jan huis.
4. Mama verjaardag ๐ŸŽ‚ .
5. Joost vrienden.
6. Maria feestje ๐ŸŽ‰ .
7. Alex woordenboek.
8. Desiree  ๐Ÿšฒ fiets.
9. Papa kantoor 
10. Pieter konijn๐Ÿฐ .

Oefening 58

Leestekens accent aigu, accent grave of accent circonflexe 

Voeg het accent toe:

1. Het cafe
2. a contant
3. De loge
4. De enquete
5. Feteren
6. De coupe
7. De creme
8. De pate
9. De crepe
10. Tete-a-tete 




Oefening 59

De indirecte vraagzin

Voorbeeld: Wat ga je morgen doen? Ik wil weten wat je morgen gaat doen.

Maak indirecte vragen:


1. Wat wil je op je brood ๐Ÿž ? Ik wil weten wat ................
2. Heb je zin om met me mee op vakantie te gaan? Ik wil weten of ..................
3. Lusten jullie spinazie? Wij willen weten of ................
4. Vind je Nederlands een moeilijke taal? Ik ben benieuwd of .............
5. Heeft hij de koning weleens gezien? Ik wil weten of ............. 
6. Hebben jullie je huiswerk gemaakt? De docent wil weten of ...............
7. Zal ik het raam dichtdoen? Willen jullie dat ............
8. Hebt u uw medicijnen ingenomen? De huisarts wil weten of de patiรซnt ...........
9. Hebben jullie gisteravond nog televisie ๐Ÿ“บ gekeken? Hij wil weten of ...............
10. Wat heb je gekregen voor je verjaardag ๐ŸŽ‚ ? Ik ben nieuwsgierig wat .............
11. Waar ga je naartoe? Hij wil weten waar ...............
12. Waar komt zij vandaan? Hij wil weten waar ..........
13. Kennen jullie dat liedje? Wij willen weten of .............
14. Wat ga je dit weekend doen? Hij wil weten wat ............
15. Hebt u uw rijbewijs bij u? De agent wil weten of ..............

Oefening 60

Bijvoeglijke naamwoorden 

Maak passende bijvoeglijke naamwoorden van de zelfstandige naamwoorden die tussen haakjes staan:

1. Een (levensgevaar) situatie.
2. Een (geweld) aanslag.
3. Een (energie) persoonlijkheid
4. (Plant ๐ŸŒฟ) vetzuren.
5. Een (geheim) avontuur.
6. Een (geluk๐Ÿ€ ) moment.
7. Een (reus) storm.
8. Een (raadsel) verdwijning.
9. Het (stad) Gymnasium.
10. Het (dag) leven.
11. Een (week) bezoek.
12. Een (maand) uitbetaling.
13. Een (jaar) terugkerend evenement.
14. Een (wonder) genezing.
15. Een (tijd) omleiding.

Oefening 61

De beknopte bijzin: om te ...........

Wat hoort bij elkaar:

1. Een bed is
2. Een huis is
3. Een keuken is
4. Een stoel ๐Ÿ’บ is
5. Een fiets  ๐Ÿšฒ is
6. Een piano is
7. Een hengel is
8. Een oefening is
9. Een radio ๐Ÿ“ป is
10. Een televisie  ๐Ÿ“บ is
11. Een boot is
12. Een passer is
13. Een camera ๐ŸŽฅ is 
14. Een lineaal ๐Ÿ“ is
15. Een rijke man is


- om in te wonen.
- om naar te luisteren.
- om op te spelen.
-  om mee te trouwen.
- om op te zitten.
- om foto's te maken.
- om cirkels โญ• te tekenen.
- om mee te vissen๐ŸŽฃ .
- om in te koken.
- om mee te meten.
- om mee te varen.
- om naar te kijken.
- om van te leren.
- om in te slapen.
- om op te rijden.

Oefening 62

Als de vorige oefening. Maak zelf de zin af:

Voorbeeld: Waarvoor gebruik je een fรถhn? Ik gebruik een fรถhn om mijn haar droog te maken.

1. Waarvoor gebruik je een sleutel ๐Ÿ”‘ ?
2. Waarvoor gebruik je een tandenborstel?
3. Waarvoor gebruik je een magnetron?
4. Waarvoor gebruik je zeep?
5. Waarvoor gebruik je een koelkast?
6. Waarvoor gebruik je deodorant?
7. Waarvoor leer je Nederlands?
8. Waarvoor gebruik je een lepel?
9. Waarvoor gebruik je shampoo?
10. Waarvoor gebruik  je internet?

Oefening 63

De verleden tijd van regelmatige werkwoorden 

De verleden tijd van regelmatige werkwoorden  (ovt) verloopt op dezelfde manier als die van het voltooid deelwoord. Eindigt de stam op een stemhebbende medeklinker, dan wordt verleden tijd gevormd door -de(n), bij stemloze medeklinkers (t k f s ch en p) door -te(n).

Ik fietste
Jij fietste
Hij/zij fietste
Wij fietsten
Jullie fietsten
Zij fietsten

Wat is de verleden tijd (ovt) van:

1. Werken.
2. Studeren.
3. Planten.
4. Delen.
5. Vermoorden.
6. Trouwen.
7. Kleden.
8. Pakken.
9. Kussen ๐Ÿ’ .
10. Oefenen.

Oefening 64

De onvoltooid verleden tijd van werkwoorden waarvan de stam eindigt op f of s (onderliggend v of z)

Wat is de verleden tijd van:

1. Reizen.
2. Geloven.
3. Beloven.
4. Leven.
5. Prijzen.
6. Beven.
7. Erven
8. Grazen.
9. Lozen.
10. Durven.


Oefening 65

Vul in: -e of -en.

1. Deze leerlingen gaan met mij mee, de ander...... met juffrouw Annie.
2. Vel......... zullen deze maand de metro โ“‚ van Londen mijden.
3. Er gaan dit jaar twee miljoen Nederlanders op vakantie naar Duitsland, maar de meest........ gaan naar Frankrijk.
4. Zij leren samen Nederlands. Ze gaan altijd beid..... op de fiets.
5. Vel......... zijn geroepen, weinig........ uitverkoren.
6. In Nederland moeten werknemers nu tot hun 66-ste werken, maar de meest.......... stoppen eerder.
7. Voor 1 mei moet iedereen belastingaangifte doen. De meest......... hebben het al gedaan.
8. Ze kennen elkaar al tien jaar. Ook nu zitten ze beid.......... in dezelfde klas.
9. Wij gaan vanvond eten met het hele elftal. All........ nemen spareribs.
10. Er zitten twintig examenkandidaten in deze klas. De meest........... zullen hun diploma wel halen.
11. De eerst....... zullen de laatst......... zijn.

Oefening 66

Hoe heet een inwoner van:

Man: + -er of  -(e)naar 
Vrouw: + -se

1. Leiden 
2. Amsterdam 
3. Zwolle 
4. Utrecht 
5. Delft 
6. Oegstgeest 
7. Leiderdorp 
8. Den Haag 
9. Haarlem 
10. Hilversum 

Oefening 67

Onderschikkende voegwoorden 

Vul in voordat, nadat, zodat, terwijl, zodra.

1. ........... zij met de muziekgroep gerepeteerd hebben, gaan zij een biertje drinken.
2. ........... zij koken, spreken zij zo veel mogelijk Nederlands met elkaar.
3. .......... je in de trein stapt, moet je je ov-kaart inchecken.
4. ............ uw geld gestort is, verzenden wij u bestelling.
5. Zij woont in een multicultureel studentenhuis, ........... zij veel internationale gerechten kent.
6. ............. het vakantie is, vertrekken wij met de caravan.
7. De chauffeur heeft zijn mobiele telefoon gebruikt, ........... hij de bus ๐ŸšŒ met kinderen reed.
8. Je moet in Nederland eerst je theorieexamen gehaald hebben, .............. je je mag inschrijven voor het praktijkexamen rijvaardigheid.
9. We hebben nu geld genoeg gespaard, ............ we nu die mooie auto kunnen kopen.


Oefening 68

Dierengeluiden 

Welke dierengeluiden maken de volgende dieren? Trek een lijn.

1. Een paard โ™˜  brult
2. Een haan ๐Ÿ“  tsjilpt
3. Een eend hinnikt
4. Een ezel kraait
5. Een leeuw loeit
6. Een mus kwaakt
7. Een koe ๐Ÿฎ  balkt
8. Een olifant ๐Ÿ˜  mekkert
9. Een geit๐Ÿ  trompettert
10. Een hond ๐Ÿถ  blaft
11. Een kat ๐Ÿ˜ป  kleppert
12. Een muis ๐Ÿญ  miauwt
13. Een ooievaar piept
14. Een schaap ๐Ÿ‘  zoemt
15. Een mug  blaat


Oefening 69

Adviseren met zou. "Als ik jou was .............,

Maak beleefde adviezen met zou.

Voorbeeld:

Neem de bus ๐ŸšŒ !
Als ik jou was, zou ik de bus nemen.

1. Eet je bord leeg!
2. Ga lekker op vakantie!
3. Blijf vandaag thuiswerken!
4. Neem een paracetamolletje!
5. Ga rijles nemen!
6. Ruil die auto ๐Ÿš— dit jaar in!
7. Schilder ๐ŸŽจ de voordeur nog een keer!
8. Koop dat appartement niet!
9. Kijk op internet!
10. Boek op tijd een hotelkamer!

Oefening 70

Zet de bijvoeglijke bepalingen in goede volgorde:

1. Zij at (lekkere, zeven, nieuwe) haringen aan de viskraam.
2. Zie je daar (rooie, die, mooie) poes?
3.Wij hebben (nieuwe, blauwe, mooie, twee) fietsen gekocht.
4. Mag ik nog (twee, verse, lekkere) koppen koffie?
5. Hij woont in de (eerste, geasfalteerde, brede) straat.





II De redekundige ontleding 

1. De persoonsvorm 

Wijs de persoonsvorm aan in de volgende zinnen:

1. Wil je het raam even dichtdoen?
2. Doe het raam dicht!
3. Loop naar de maan!
4. Ik reken op een rekenmachine.
5. In een hoofdzin kan slechts รฉรฉn persoonsvorm staan.
6. Heb je dat goed begrepen?
7. Dan gaan we nu naar het volgende hoofdstuk.
8. Ben je morgen ook vrij?
9. Nee, ik moet morgen de hele dag werken.
10. Volgende week neem ik een dag vrij.

2. Het onderwerp 

2a. De aangesproken persoon 

Wijs de aangesproken persoon aan in de volgende zinnen:

1. Hรฉ, jij daar, wil je daar onmiddellijk mee ophouden!
2. Gerda, zou je de appelmoes even willen doorgeven?
3. Zeg Jacobus, heb je de krant ๐Ÿ“ฐ al uit?
4. Moeder, je hebt weer een heerlijke maaltijd ๐Ÿด klaargemaakt!
5. Juf, mag ik even naar het toilet?
6. Ik heb mijn huiswerk af, meester!
7. Mama, wij houden van je!
8. Meneer, mag ik me even voorstellen?
9. Mijnheer de voorzitter, mag ik u even interrumperen?
10. Dag buurvrouw, lekker weertje vandaag hรจ!

3. Het werkwoordelijk gezegde 

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit een of meerdere werkwoorden.

Wijs het werkwoordelijk gezegde aan in de volgende zinnen:

1. Ik heb hen hier nog nooit eerder gezien.
2. Zou je nog iets willen drinken?
3. We zijn gisteren naar Noordwijk gefietst.
4. Ze had een lekker soepje gemaakt.
5. De patiรซnt zou vandaag nog geopereerd worden.
6. Wie kan ik helpen?
7. De schilder zou het huis in vier dagen geverfd kunnen hebben.
8. Haar man maakt vanavond het eten klaar.
9. Heb je een uitje door het gehakt gedaan.
10. Begrijp je nu de uitleg?

4. De werkwoordelijke uitdrukking 

Wijs de werkwoordelijke uitdrukkingen aan in de volgende zinnen:

1. De huurders werden met een kluitje in het riet gestuurd.
2. Nu zit zij met de gebakken peren.
3. De gestrande toeristen werden van het kastje naar de muur gestuurd.
4. De grijsaard had nog een appeltje voor de dorst.
5. Hier moeten we paal en perk aan stellen.
6. Ik wil je even onder vier ogen ๐Ÿ‘€ spreken.
7. Hij stond even met de mond ๐Ÿ’‹ vol tanden.
8. Ze praatte haar leidinggevende naar de mon
9. Ik vertrouw hem voor geen cent.
10. Die vrouw heeft een klap ๐Ÿ‘ van de molen gekregen.


5. Het naamwoordelijk gezegde 

De negen koppelwerkwoorden zijn:
Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.

Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zinnen: 

1. Zij is verpleegkundige.
2. Mijn broer is soldaat.
3. Bob wordt later F16-piloot.
4. Na hun nederlaag leken de hockeyers ontroostbaar.
6. Ik blijf later vast en zeker vrijgezel.
5. Zij lijkt de beste kandidaat voor het voorzitterschap.
6. Zij schijnt zwanger te zijn.
7. Dat project blijkt onuitvoerbaar.
8. Hij heet van koninklijke bloede te zijn.
9. Ik blijf vandaag ziek thuis.
10. Jan is morgen jarig.


5. Het lijdend voorwerp 

Wijs het lijdend voorwerp aan in de volgende zinnen:

1. Neem je gelijk een fles van die lekkere yoghurt mee?
2. Mag ik van u een pond spinazie?
3. Wij zien hen elke donderdagavond.
4. Ken je die barkeepster?
5. Hebben jullie je huiswerk al gemaakt?
6. Wij hebben de nieuwe buren aan beide kanten uitgenodigd voor onze jaarlijkse barbecue.
7. De directeur ontvangt vanochtend de buitenlandse gasten.
8. Voor morgenochtend moeten jullie die Latijnse tekst vertalen.
9. Lusten jullie hagelslag op je brood ๐Ÿž ?
10. Weet je nu al of je zondag blijft eten?

6. Het meewerkend voorwerp 

1. Zij heeft mij een tientje geleend.
2. Wij hebben hem een cadeautje ๐ŸŽ voor zijn verjaardag ๐ŸŽ‚ gegeven.
3. Ze hebben ons niets gevraagd.
4. Het internetbedrijf heeft ons het gevraagde binnen een dag geleverd.
5. Wij schenken het je natuurlijk.
6. De organisatie stuurt ons zo snel mogelijk een brief.
7. Wij hebben het hun vergeven.
8. Ik heb het haar niet laten merken.
9. Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?
10. Ik zend u de nieuwe catalogus vandaag nog.


7. Het belanghebbend voorwerp 

1. Heb je een vuurtje voor me?
2. Hebt u voor mij een bos rode rozen?
3. Voor mij had je dat niet hoeven doen!
4. 

8. Het voorzetselvoorwerp 

1. De directie rekent op ieders volledige medewerking.
2. Wij mogen tijdens het werk niet naar de radio ๐Ÿ“ป luisteren.
3. De organisatie levert haar medewerking aan dat plaatselijke evenement.
4. Ik geloof niet in sprookjes.
5. Dit boek ๐Ÿ“– bestaat uit twaalf hoofdstukken.
6. De dokter verwijst hem naar een specialist.
7. Mag ik je herinneren aan je eerder gemaakte belofte?
8. Dit bedrijf levert niet aan particulieren.
9. Het zwembad is niet aansprakelijk voor verlies en diefstal.
10. Deze patiรซnt is allergisch voor gluten.


9. De bijwoordelijke bepaling 

In een zin kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen staan.
Wijs de bijwoordelijke bepalingen aan in de volgende zinnen. 

1. Gisteravond ben ik gezellig met mijn vriend naar Amsterdam geweest.
2. Morgen zal ik een upgrade van dat computerspelletje kopen.
3. Volgend jaar gaat ik met mijn partner met de fiets een wereldreis maken.
4. Kom je gauw eens bij me op visite?
5. Vanavond heb ik een diner in een Leids restaurant. 
6. De koning leest elk jaar op prinsjesdag na een rit met de gouden koets in de Ridderzaal de Troonrede voor.
7. Hoeveel buitenlandse werknemers werken er in jouw organisatie?
8. Vandaag ga ik met mijn collega met de trein naar Den Haag.
9. Zij zal je morgenochtend om een uur of tien even terugbellen.
10. We gaan dit weekend gezellig met z'n tweeรซn een paar uurtjes in de duinen fietsen ๐Ÿšด.

10. De bepaling van gesteldheid 

De bepaling van gesteldheid zegt iets over twee zinsdelen, meestal het onderwerp of het lijdend voorwerp en het gezegde. Eigenlijk is de bijvoeglijke bepaling een overkoepelende term voor twee soorten: de resultatieve werkwoordsbepaling en de predicatieve toevoeging.

Wijs de bepaling van gesteldheid aan in de volgende zinnen:

1. De schilder verft de voordeur standaardgroen.
2. Wij noemen onze zoon Sem.
3. Die door jou gemaakte salade smaakt fantastisch.
4. De koeien ๐Ÿฎ liepen loeiend de wei in.
5. De patiรซnt ligt bewusteloos op de brancard.
6. Zij lag de hele nacht wakker in bed.
7. Als trainer heeft Louis van Gaal veel voor het Nederlandse voetbal โšฝ betekend.
8. De honden vochten blaffend om een bot๐Ÿ– .
9. Ik heb hem voorzichtig gewaarschuwd.
10. De meiden kwamen gierend ๐Ÿ˜‚ uit de bioscoop.

11. De bijvoeglijke bepaling 

De bijvoeglijke bepaling is eigenlijk een deel van een zinsdeel. Meestal zegt de bijvoeglijke bepaling iets over een zelfstandig naamwoord vlak ervoor of erna. In een zin kunnen meerdere bijvoeglijke bepalingen staan. 

Wijs de bijvoeglijke bepalingen aan in de volgende zinnen:

1. Vorige week ben ik met mijn buitenlandse gasten naar de bloeiende Keukenhof in Lisse geweest.
2. Op grond van bewezen vakmanschap heeft de eigenaar van dit Amsterdamse etablissement buitengewoon recht verkregen tot het exclusief voor onze hoofdstad schenken van dubbelgestookte jenever.
3. Aanstaande zaterdag gaan we de passerende tentoonstelling in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden bezoeken.
4. Ken jij die vrouw, die hier pas is komen wonen?
5. Hoeveel letters heeft jullie alfabet?
6. Hebben jullie gisteravond nog naar dat leuke programma op  tv๐Ÿ“บ gekeken.
7. In jullie lesboek staat een verduidelijkende oefening ter voorbereiding op het Staatsexamen.
8. Wat zullen we aanstaand weekend gaan doen?
9. Heb jij die puzzel in het Leidsch Dagblad al opgelost?
10. Dit is de laatste zin van deze oefening.

12. De bijstelling 

Wijs de bijstelling aan in de volgende zinnen:

1. Koningin โ™• Maxima, het mode-icoon van Nederland, zwaaide iedereen gracieus toe.
2. De Rijn, de drukst bevaren rivier van Europa, ontspringt in Zwitserland.
3. Stella, het mooiste meisje van de klas, heeft een snee in haar neus.
4. Het Oranjeteam, onze nationale trots, staat  de laatste tijd volledig buiten spel.
5. Het vak wiskunde, de moeder van alle wetenschappen, is voor velen een struikelblok.
6. Willem van Oranje, de vader des vaderlands, werd in 1584 in Delft doodgeschoten.
7. Dit cafรฉ, zijn tweede huiskamer, is op zondag en maandag gesloten.
8. Zelfs Stefano, de slimste jongen van de klas, had een onvoldoende voor zijn proefwerk.
9. Suriname, een vroegere kolonie van Nederland, werd in 1975 onafhankelijk.
10. Het Rijksmuseum, de thuisbasis van Rembrandts Nachtwacht, is vermaard over de hele wereld.


13. Het tussenwerpsel 

Het tussenwerpsel heeft geen functie in de zin en dus geen invloed op de volgorde van de zin, een zinsdeel wel.

Wijs het tussenwerpsel aan in de volgende zinnen:

1. Tsjeemig, al weer een onvoldoende voor scheikunde.
2. En dan nu, last but not least, een optreden van Tina Turner.
3. Ach God, nou is die vrouw al weer gevallen.
4. Jaja, het valt allemaal niet mee.
5. Tja, wat zal ik er van zeggen.
6. Achach, hoe moet dat nou verder, Nederland heeft al weer verloren.
7. Pff, dat was op het nippertje!
8. Foei, dat moet je nooit meer doen!
9. Aha, nu snap ik het!
10. Ja doei, doe het lekker zelf!



De taalkundige ontleding 

In de taalkundige ontleding verdelen we de zin in woordsoorten.

1. Het lidwoord 

De, het en een 

2. Het zelfstandig naamwoord 

Verreweg de meeste woorden in de Nederlandse taal zijn zelfstandige naamwoorden. Meest kun je er een lidwoord voorzetten.

3. Het werkwoord 

Het zelfstandig werkwoord 
Het koppelwerkwoord 
Het hulpwerkwoord 
Het modale werkwoord 

De meeste werkwoorden zijn zelfstandige werkwoorden.

4. Het bijvoeglijk naamwoord 

Het bijvoeglijk naamwoord zegt meestal iets over een zelfstandig naamwoord.

5. Het persoonlijk voornaamwoord 

Als subject

Eerste persoon enkelvoud: ik, 'k
Tweede persoon enkelvoud: jij, je
Derde persoon enkelvoud: hij, ie, zij, ze, het, u

Eerste persoon meervoud: wij, we
Tweede persoon meervoud: jullie
Derde persoon meervoud: zij, ze



Als object of na  een voorzetsel 



6. Het bezittelijk voornaamwoord 

7. Het aanwijzend voornaamwoord 

8. Het betrekkelijk voornaamwoord 

9. Het wederkerend voornaamwoord 

10. Het wederkerig voornaamwoord 

11. Het onbepaald voornaamwoord 

12. Het telwoord 

13. Het voorzetsel 
In een zin kunnen meerdere voorzetsels staan.

Wijs de voorzetsels aan in de volgende zinnen:

1. Zij gaan met Koningsdag met z'n vieren met de trein naar Amsterdam.
2. Heb je een kortinskaart voor de trein bij je?

14. Het bijwoord 

In een zin kunnen meerdere bijwoorden staan.

Wijs de bijwoorden aan in de volgende zinnen:

1. Gisteravond heb ik daar nog gelopen.
2. Je krijgt zaterdag pas weer je zakgeld.
3. Vandaag rijden de trams helaas niet.
4. Er was eens een rijke prinses ..........
5. Misschien gaan wij hier straks nog een uurtje fitnessen.
6. Hij werd nogmaals gewaarschuwd.
7. Wellicht krijg je daar later nog eens spijt van.
8. Zij zijn daar vroeger vaak geweest, maar nu niet meer.
9. Even leek het erop dat het alweer zou gaan plenzen.
10. Morgenochtend is er gelukkig geen vergadering.


15. Het tussenwerpsel 

Wijs het tussenwerpsel aan in de volgende zinnen:

1. Eh, mag ik je even onderbreken?
2. Tja, hoe moet dat nu verder?
3. Och, het zal wel weer loslopen!
4. Brr, wat is het guur buiten!
5. Ai, al weer mis!
6. Dat is dan, uh, twaalf euro veertig.
7. Nee, dat gaat niet lukken!
8. Foei, dat mag je nooit meer doen!
9. Willen Tom, Winfrey, enne Dave en Maarten even naar voren komen?
10. Okay, dat was het dan weer voor vandaag.




©1997-2019 Bizzieman.NL