Reageer 
Reageer
X
Error
X
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Edit Layout
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Leeg Venster
    Edit Layout
Test Window
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
Wandelen
Wandelen door Leiden 

1. Een literaire wandeling door Leiden

Leiden heeft in de loop der eeuwen tientallen schrijvers onderdak geboden. In niet geringe mate kan dat natuurlijk worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de in 1575 door Willem van Oranje gestichte universiteit. Sommige schrijvers woonden hier tijdelijk, studeerden hier, weer andere werden hier geboren of maakten van Leiden hun definitieve vestigingsplaats. In Leiden heeft altijd een tolerante sfeer geheerst en in deze cultuur konden veel schrijvers in een redelijk beschermde omgeving hun zielenroerselen aan het papier toevertrouwen. 

Daarnaast vormt  de stad Leiden regelmatig het decor voor gedichten en romans. Ook al weer omdat veel auteurs hun studententijd hier hebben gesleten. Ook is menig boek verfilmd.

Wie door Leiden loopt zal het opvallen dat op veel gevels van huizen muurgedichten geschilderd zijn. Dit was een mooi initiatief van de Stichting Tegenbeeld, waarin onder andere Piet van Veen zitting had.In totaal zijn er 115 muurgedichten aangebracht. Ook op onze wandeling zullen we er een aantal van kunnen aanschouwen. Jan Willem Bruins schilderde deze muurgedichten. Ben Walenkamp was een belangrijk inspirator. Ook organiseerde deze laatste poëziefestivals op de Nieuwe Rijn.

Schrijvers en dichters die onlosmakelijk aan Leiden verbonden zijn, zijn: François HaverSchmidt (alias Piet Paaltjens), Maarten 't Hart, Maarten Biesheuvel, J.C. Bloem,  Willem Bilderdijk, Jan Wolkers, Jacob Jan Cremer, Jacob Geel, Kneppelhout (alias Klikspaan), Nicolaas Beets (alias Hildebrand), Frank Koenegracht, Harry Mulisch, Boudewijn Büch, Paulien Slot, Christiaan Weijts, Ilja Leonard Pfeiffer,  Abdelkader Benali, Jan van Hout en Albert Verweij. Velen hiervan zullen we tijdens onze wandeling  door Leiden tegenkomen.

U staat op het punt te beginnen aan een literaire wandeling door de Sleutelstad met een hoog anekdotisch en cultuurhistorisch gehalte.
Specifieke voorkennis van de Nederlandse letterkunde is niet nodig, al zal diegene die nog wel gedegen literatuuronderwijs heeft genoten veel meer dan blaren alleen aan de voettocht overhouden. Wees welkom in onze mooie stad en geniet ervan.

We beginnen onze literaire wandeling door Leiden net buiten het centrum bij de Petruskerk aan de Lammenschansweg. Deze katholieke kerk werd in 1933 gebouwd naar een ontwerp van de architecten Kropholler en Van Oerle. De kerk is een specimen van de Delftse School en werd gebouwd nadat de oude Petruskerk aan de Langebrug was uitgebrand. Besloten werd de kerk aan de Langebrug niet te herbouwen maar een geheel nieuwe kerk te bouwen in de nieuwe stadsuitbreiding in de richting van de Lammenschansweg. 
De zuilen van de afgebrande kerk zijn nog aan de Langebrug zichtbaar. Ze zijn in de nieuwbouw geïntegreerd. De bijnaam van de St. Petruskerk was Metuitekerk, dit vanwege het opschrift Metuite Deum hetgeen Vreest God betekent.
Ook de huizen in de driehoek om de Petruskerk zijn van de hand van hetzelfde architectenduo. De sinistere steegjes rondom de kerkvormen het decor voor enkele passages uit de roman Kort Amerikaans van Jan Wolkers.  Wolkers heeft geen goed woord over voor deze lelijkste kerk van het land. De hoofdpersoon uit dit boek Eric van Poelgeest bezoekt hier in de oorlogsjaren het huis van De Spin om er zijn werken te gaan bekijken. Eric kent De Spin van de Tekenacademie Ars Aumula Natura aan de Pieterskerkgracht, waar hij tekenlessen heeft en zijn seksuele lusten botviert op een gipsen vrouwentorso. De Spin is een rare man met NSB- sympathieën. Hij brengt zijn eigen hondje ter dood omdat het niet met De Spin kan praten. Als blijkt dat de Duitsers de oorlog niet gaan winnen, hangt De Spin zich op in zijn atelier, waar Eric hem aantreft als hij een brief van De Grauw moet bezorgen. In werkelijkheid staat het personage K. de Spin voor de heer Herman de Voogd. Leidenaar Peter van Zonneveld heeft uitgevogeld dat deze heer De Voogd gewoond heeft aan de Van der Hoevenstraat 4 in de Professorenwijk tussen de Stieltjesstraat en de Melchior Treublaan. Weliswaar in de schaduw van de Petruskerk, maar vanwege de dramatiek meer in de buurt van deze merkwaardige kolos gepositioneerd. Het is dus niet langer nodig te zoeken naar de plek in de onmiddellijke nabijheid van de Petruskerk.
Leidenaar Onno Blom schreef overigens een diepgaande biografie over Jan Wolkers.

We lopen de Lammenschansweg naar rechts af en gaan in de richting van het centrum. We steken de Lorentzkade over, de straat waar schrijver Maarten 't Hart  in het tweede jaar van zijn studie biologie in Leiden woonde. Om precies te zijn op nummer 14 bij mevrouw Stuyvenberg. De vorige huurder was kennelijk met de nodige rancune bij mevrouw Stuyvenberg vertrokken, want die had met punaises een tarbot onder de tafel vastgeprikt. Natuurlijk ging die tarbot na verloop van tijd stinken, maar mevrouw Stuyvenberg kon de bron ervan echter niet ontdekken. De kat doet de laatste tijd zo raar. Ze springt steeds. Maarten wist het inmiddels wel, maar heeft het wijselijk voor zich gehouden. Deze geschiedenis is terug te vinden in het verhaal 'De ziekte van Ménière' in de  verhalenbundel De Huismeester. 't Hart reisde wekelijks heen en weer tussen Leiden en Maassluis langs de Vliet op een krakkemikkige fiets. Voor Maarten 't Hart is Leiden altijd de grote stad geweest;  hij is altijd dolblij als hij de groene polders rondom Leiden weer in beeld krijgt. 

Over de Jan van Houtbrug gaan we rechtsaf en stuiten daar op het monument van de hand van J.C. Altorf ter ere van de grote mannen uit de tijd van het Beleg van Leiden in de jaren 1573 en 1574. Willem van Oranje, Janus Dousa, Jan van Hout en geuzenleider Louis de Boisot. Burgemeester Pieter van der Werff ontbreekt hier maar hij heeft een eigen standbeeld gekregen in het eveneens naar hem vernoemde stadspark. Jan van Hout wordt in Leiden geëerd met een eigen kade en het muurgedicht Vrundschap dat is aangebracht op een gevel in de 3 Oktoberstraat. Jan van der Does werd de eerste curator  en bibliothecaris van de pas geopende universiteitsbibliotheek. Ook naar hem is een straat in Leiden genoemd.

Het Plantsoen is gebaseerd op een negentiende eeuws ontwerp van stadsarchitect Salomon van de Paauw. Met inzet van werkloze arbeiders werd dit gedeelte van de stad tussen 1835 en 1842 ingericht, nu de verplichting was weggevallen een stadsomwalling te onderhouden. Even later verschenen de statige herenhuizen voor welgestelden. Veel uit Nederlands-Indië terugkerende Nederlanders die daar hun fortuin hadden gemaakt werden op die manier naar Leiden gelokt. Vroeger stond er in het Plantsoen nog een muziektent van Musis Sacrum. In de hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog werd het hele Plantsoen door burgers kort en klein geslagen om te verdwijnen in de provisorische kacheltjes.
We lopen nu het Plantsoen in en passeren de vogelkooi. Een mooie plek om even op een bankje te gaan zitten en het gedicht Zo heb ik Leiden lief van stadsdichter Wouter. Ydema op u te laten inwerken. Deze ontboezeming verscheen rond Leidens Ontzet op acht bierviltjes, op elk viltje een couplet. Moeilijk om het geheel bij elkaar te prokkelen. Hier volgt het complete gedicht:

Zo heb ik Leiden lief 💋 

Het Rapenburg, de Herengracht 
Een schitterend gezicht
Een biertje op een bootterras 
Het laatste avondlicht
Dat nog in alle glazen speelt 
Een kauw die als een dief
Het koekje van mijn schotel steelt
Zo heb ik Leiden lief

De Leidse Hout of het Plantsoen 
Of toch het Ankerpark 
Van boom tot boom, van bloem tot bloem
Met schoffel en met hark
Oranje pakken in het groen
Een bontgekleurd motief 
Van paars en geel tot vermiljoen 
Wat heb ik Leiden lief

Van carillon tot klokkenspel 
Romantisch of Gotiek 
Op ieder uur en op de helft 
Van booggewelf tot booggewelf 
Van spitsboog tot ogief
Ik tel er zelf een stuk of elf
En heb ik Leiden lief

De stad wordt oud en steeds verbouwd 
Haar aangezicht doorkliefd 
Door staal en steen door merg en been
Pak aan en alstublieft 
Al wordt de Burcht door stad verwurgd 
Die zich rond haar verhief 
Al zwemt de Kooi bij grote dooi
Toch heb ik Leiden lief

Ze zeggen wel de tijd gaat snel 
Maar niemand die het ziet
Hier hangt de bui van peen en ui
Die druipt in het vergiet
Van klapstuk met het Leids ontzet 
En hutspot haast massief
De haringvloot met wittebrood 
Dan heb ik Leiden lief

En ieder jaar bevrijdt men haar
Met optocht feest en lied
Met veel vertoon langs Joppenszoon 
De kermis in 't verschiet
Het reuzenrad onthaalt de stad 
In vogelperspectief 
Die mensen daar zijn Leienaar 
En hebben Leiden lief

Een heel district wordt opgeschrikt 
De stad staat op z'n kop
En stratenvol gaan uit hun bol
Men hijst de vlag in top
Waarop, voornaam, de sleutels staan
Met elke hoge pief 
In pandjes en Leidse das
Zij hebben Leiden lief

Koraalzang of een kermistent 
Een wankel evenwicht 
Op elke muur in ieder raam
De stad is een gedicht 
En bovenaan staat steeds haar naam
Als bij een liefdesbrief 
Zij zal voortaan hierin bestaan 
Zo heb ik Leiden lief 

In deze groene omgeving is decennialang gewerkt aan het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. De grondlegger van het WNT was Matthias de Vries (1820-1892) van wie we later tijdens onze wandeling het huis aan het Rapenburg zullen passeren, en Lambert Te Winkel. Meer dan anderhalve eeuw is door vijf generaties lexicologen aan dit megaproject gewerkt. En inmiddels verschijnen er al weer aanvullingen want taal is altijd in ontwikkeling en een woordenboek is dus nooit af. Met 49 kloeke delen en maar liefst 400.000 trefwoorden is het WNT het grootste woordenboek ter wereld. Het WNT beschrijft de Nederlandse woordenschat tussen de vijftiende eeuw en 1976. 
Nog steeds zetelt de redactie van het WNT in Leiden aan, hoe kan het ook anders, het instituut voor Nederlandse Lexicologie aan het Matthias de Vrieshof, onderdeel van het Witte Singeldoelencomplex. Met recht kunnen we Leiden dé woordenboekenstad van Nederland noemen.

Als we even rechts naar de overkant kijken zien we de Zoeterwoudse Singel. De Zoeterwoudse Singel werd al in 1386 gegraven. Nummer 74 valt op omdat het pand iets uitsteekt. Het huis speelt een rol in De Donkere Kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans. Nummer 74 is in deze roman de woning van Labare aan wie de hoofdpersoon Henri Osewoudt een bezoek brengt. Labare maakt onderdeel uit van een verzetsgroep. Bij Labare kan Henri Osewoudt foto's ontwikkelen, maar hij moet vluchten en springt in het water van de Zoeterwoudse Singel. Het is die avond mistig. Osewoudt kruipt uit het water en raakt verdwaald in de straatjes van de Haver- en Gortbuurt. Allemaal heel mysterieus. 

W.F. Hermans zelf moest er weleens om lachen dat speurders probeerden te achterhalen waar dat kromme straatje met die portiekwoning nu precies geweest moest zijn.
In de verfilming van De Donkere Kamer van Damocles van filmmaker Fons Rademakers uit 1962 met als titel  'Als twee druppels water' wordt de rol van Labare vertolkt door Alfred Heineken. Als producer had hij zelf een klein rolletje in de film bedongen. Dit heet cameo of glimprol. Hij deed dit op voorwaarde dat ook zijn toenmalige vriendin Nan Los een rolletje in de film zou krijgen. Vertoning van de film werd later door diezelfde Freddie Heineken verboden, om persoonlijke redenen, waarschijnlijk omdat het uit was met zijn vriendin Nan Los. In 2002 werd de film weer vrijgegeven voor vertoning. Labare is trouwens Latijn voor weifelen. Zou hier een extra verwijzing in schuilen naar het labiele karakter van Henri Osewoudt of gaat mijn fantasie hier te zeer met mij op de loop?
De Nederlandstalige zwartwit film werd gemaakt met een budget van 620.000 gulden. Ongelooflijk! Ik heb de film zelf in mijn middelbare schooltijd gezien in het kader van de lessen Nederlands en deze heeft toentertijd enorme indruk op mij gemaakt.

Jan Wolkers was naast schrijver ook beeldhouwer, al zag hij het zelf liever andersom. Het beeldje Moeder met Kind ter hoogte van Plantsoen 13 werd hier door de gemeente in 1957 neergezet. Ook voor de ingang van Leiden Centraal staat een glazen kunstwerk van Wolkers genaamd Ode aan Rembrandt en is er een straat naar hem vernoemd.


Via de Plantage gaan we weer richting centrum. Dan komen we op de Hogewoerd. Hier gaan we linksaf.

Boven de deur van Hogewoerd 179a lezen we de tekst: Camelot Vandaer si riden soecken avonture. Deze tekst is afkomstig uit de Middelnederlandse ridderroman Lancelot. Naar verluidt zou in zijn studententijd bohemien Ilja Leonard Pfeiffer enige tijd achter deze groezelige deur geresideerd hebben.
Camelot nu was een van kastelen van de legendarische koning Artur. Vanuit dit kasteel ondernamen de ridders van koning Artur tochten te paard om edele jonkvrouwen te ontzetten, draken te doden en op zoek te gaan naar de Heilige Graal, de schaal waarin het bloed van de gekruisigde Jezus opgevangen zou zijn. Camelot, een toepasselijke naam voor een studentenhuis, immers ook studeren hoort een avontuur te zijn.

Leiden was in de vorige eeuwen rijk aan textielfabrieken. De textielindustrie was jarenlang Leidens grootste werkgever. Ook de wollendekenfabriek van de gebroeders Van Wijk was aan de Hogewoerd gevestigd. De werkomstandigheden in de textielindustrie waren in de negentiende eeuw schrijnend. Werkdagen van 15 uur waren geen uitzondering. Ook kinderen werden massaal 
aan de spinmachines gezet. Beruchte Leidse textielfabrieken waren Zaalberg en Clos & Leembruggen. Er gebeurden veel ongelukken, waarvan veel kinderen het slachtoffer waren. De slechte arbeidsomstandigheden vormden voor Jacob Jan Cremer (1827-1880) de aanleiding tot het schrijven van zijn manifest Fabriekskinderen, Een bede maar niet om geld. Vanaf de jaren '30 van de negentiende eeuw werd al bij de landelijke overheid geklaagd over de slechte werkomstandigheden in de textielindustrie, echter de liberale regering onder leiding van Rudolf Thorbecke deed hier niets aan. Ten einde raad verzocht een klager, ingenieur bij het Stoomwezen, de heer A.A.C. De Vries Robbé J.J. Cremer over deze misstanden rond kinderarbeid te publiceren. Cremer genoot in dit tijd (1863) al enige bekendheid, omdat hij veel over sociale misstanden publiceerde. Het bleek een schot in de roos. Cremer, zelf woonachtig in Arnhem, bezocht daartoe een paar Leidse textielfabrieken en geloofde zijn eigen ogen niet. De situaties die hier hier aantrof overtroffen zijn stoutste verwachtingen. Cremer schreef Fabriekskinderen, Een bede, doch niet om geld in slechts zes weken en droeg het in een vlammend  betoog voor in het Haagse Diligentia. De aanklacht leidde nu wel tot veel commotie, media-aandacht en uiteindelijk tot vragen in de Tweede Kamer. Toch sleepte de zaak nog lang voort en trad er nauwelijks verbetering op. Elf jaar later pas maakte het Kinderwetje van Samuel van Houten in 1874 een einde aan het verschijnsel kinderarbeid in Nederland en werd het mogelijk voor kinderen om onderwijs te genieten en zo hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Als u uw oorschelp tegen de muur houdt en goed luistert, hoort u soms nog de ploegbaas bulderen: Voort, raderen, voort. Voort, raderen, voort.
Tot 1984 was de tweede verdieping van dit gebouw in gebruik van de vakgroep Nederlands. Tegenwoordig kunt u de vakgroep Nederlands helemaal aan de andere kant van de stad vinden aan het P.N. van Eijckhof, een gedeelte van het Witte Singeldoelencomplex. Bekende studenten Nederlands aan de universiteit Leiden zijn Christiaan Weijts (Art.258b), Pauline Slot (Zuiderkruis) en Nelleke Noordervliet. Zij bracht haar jeugd door in de Leidse Gerrit Doustraat, waarover zij schrijft in de aardige roman Elke dag roomboter.

Dat de lakenindustrie ook z'n goede kanten had moge blijken uit de gedenksteen op nummer 99 ter herinnering aan lakenhandelaar en neerlandicus Frans van Lelyveld. Hij was naast enkele anderen oprichter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 1766, die na al die eeuwen nog steeds in Leiden gevestigd is. Dit genootschap beheert onder andere een enorme bibliotheek, houdt literaire evenementen, maakt het mogelijk boeken uit te geven en stelt vele literaire prijzen ter beschikking. Van Lelyveld werd in Leiden geboren.

in Leiden heeft in haar studententijd van 1914 tot 1920 ook historica Annie Romein-Verschoor gewoond. Eerst aan de hier achtergelegen Utrechtse Veer op kamers bij Marie de Loos en later op de Hogewoerd bij dezelfde hospita. In 1920 trouwde Annie met de historicus Jan Verschoor. Samen schreven ze onder andere de historische overzichtswerken Erflaters van onze Beschaving en De Lage Landen bij de Zee. Omzien in Verwondering gaat dan weer over de studententijd en de Indische jaren van Annie Verschoor.

Schrijver en tekenaar Alexander Ver Huell studeerde van 1840 tot 1848 rechten aan de Leidse universiteit.  In Schetsen met de Pen vinden we een merkwaardig verhaal getiteld No. 470 Hogewoerd, een huisnummer dat overigens helemaal niet bestaat. In zijn studententijd woonde Ver Huell aan het Kort Rapenburg, precies op de hoek.
Jaarlijks publiceerde hij een tekening voor de almanak van het corps, waar hij lid van was. Kneppelhout vroeg hem al in 1840 om zijn boek Studententypen, dat werd uitgegeven onder het pseudoniem Klikspaan, te illustreren. Daar heeft hij zich met verve van gekweten.Ver Huell is meer bekend als illustrator dan als schrijver. Hij tekende en schreef ook onder het pseudoniem O.Veralby.
Het meest bekend van hem is zoals gezegd het morbide verhaal No. 470 Hogewoerd, waarin de hoofdpersoon contact probeert te leggen met de hersenen van een halfvergane schedel om er zo achter te komen of er leven na de dood is en zo ja, hoe dat er dan uit ziet. Hij onderhoudt contact met de dode hersenen via allerlei draadjes.

Aan de muur van Hogewoerd 76 zien we een uithangbord met de naam Maupertuus en de afbeelding van een vos.
Maupertuus is de naam van de vossenburcht van de vos Reinaert uit het Middelnederlandse dierenepos Van Den Vos Reinaerde. Maupertuus is potjeslatijn voor male pertusum dat zoiets betekent als slechte plaats om te wonen, verwijzend naar het listige karakter van de vos. Laten we maar hopen dat de huidige bewoners wel van hun woonst mogen genieten.

We staan nu even stil bij François HaverSchmidt, inderdaad met een zogenaamde CamelCase, een hoofdletter waar je eigenlijk een spatie zou verwachten en dan ook nog eens aaneengeschreven. De term verwijst naar de twee bulten van een kameel.
Vrij hoog op Hogewoerd 63 zien we een kleine gedenksteen.

In zijn studententijd van 1852 tot 1858 woonde François HaverSchmidt in dit huis op de hoek van de Hogewoerd en de Koenesteeg op de eerste verdieping boven doodbidder Van Ewijk, en man die bij familie, vrienden, buren en bekenden van een overledene aan de deur iemands verscheiden kwam aanzeggen. Het alter ego van HaverSchmidt, Piet Paaltjens, woont ook op de Hogewoerd en ook al boven een doodbidder.  Vele versjes uit Piet Paaltjens Snikken en Grimlachjes uit 1853 zijn hier te situeren, zoals: 

Als ik een bidder zie lopen
Dan slaat mij het hart zo blij
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.

Des zangers min

De morgendamp hangt over 't veld,
En kleurt den herfstdraad wit
Voor 't venster op de Hoogewoerd 
Een minnedichter zit.

Uit het raam op de eerste verdieping kijkt Paaltjens toevallig in de postkoets naar Woerden en ziet daar nog net de glinstering van een oorijzer van een Friezin doordat een toevallige passant net een lucifer afstrijkt om een sigaar aan te steken. De ultrakorte blik is voor hem voldoende om in opperste verliefdheid uit te barsten. Paaltjens is in Leeuwarden geboren, logisch dat hij Verliefd is op deze mooie Friezin. O Mina, Mina mijn. Hoe meer hij iets liefheeft, deste meer pleegt hij ermee te sollen.

Wellicht ziet u nog dat de stoep voor de deur wat aangevreten en wituitgeslagen is. Deze is afkomstig van de vele zoute tranen die de bleke jongeling en snel verliefde 'Paal' hier geplengd heeft.

Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
De stoep is weer nat.
Och hij wist niet dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Dat hij en de meid het niet wisten
was niets voor mij.
Maar dat zij er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.

Het gedicht Liefdewraak moeten we ook op de Hogewoerd situeren:

Een dikke sneeuwlaag dekt den grond;
Een wolkenlaag 't azuur;
't Vriest dertig graad; de wind blaast fel;
't Is 's nachts om twalef uur.

Maar trots de koude en trots de nacht
Staat op de Hoogewoerd 
Een jongling, vrij van oogopslag,
Het hart door min beroerd.

Bedoelde jongeling wilde daar een muzikale aubade brengen aan zijn geliefde, maar krijgt de kous op zijn kop. Zijn wens gaat niet in vervulling. Zijn aanbedene komt niet voor het raam; dan maar een sneeuwbal door de ruiten.

François HaverSchmidt studeerde theologie in Leiden en werd, bijna als vanzelfsprekend in die tijd, lid van het corps. Als we het over Minerva hebben dan bedoelen we daarmee in de tijd van HaverSchmidt Rapenburg 19, het pand waarin tegenwoordig het Von Sieboldhuis is gevestigd. Dat hij op Minerva een getapte peer was, moge blijken uit het feit dat hij het daar tot preses wist te schoppen. Hoe anders is dan HaverSchmidts alter ego Piet Paaltjens, een bleke, verlegen, ongelukkig in de liefde en aan Weltschmerz lijdende jongeling, in alles compleet het tegenovergestelde van de vrolijke Frans.

Aangekomen bij de Watersteeg gaan we even 30 meter naar rechts en komen zodoende op het hoekje van de Hooigracht en de Nieuwe Rijn. Waar kent u dat plekje ook al weer van? Oh ja, daar hangt het aan de muur!

Op het hoekje van de Hooigracht
En de Nieuwe Rijn
zwoer hij voor eeuwig trouw
Mijn boezemvriend te zijn

En halverwege De Vink
En De Haagsche Schouw
Verbrak hij, zes weken later zowat
Den eed van vriendentrouw 

Maar welk hoekje wordt nu precies bedoeld? Er zijn immers vier mogelijkheden.

Wat er precies tussen deze twee personen heeft afgespeeld is nog altijd onduidelijk gebleven. Wellicht toch een homo-erotische inslag? Hoewel, hiervoor hebben we geen enkele aanwijzing. We moeten eerder denken aan een vriendschapscultus, zoals die in de Romantiek gebruikelijk was. We gaan weer terug naar de Hogewoerd.

We passeren nu aan de rechterkant café Odessa, in zijn studententijd de stamkroeg van romanschrijver Christiaan Weijts, die in zijn schrijfsels Odessa het kroegje O. noemde. Weijts woont tegenwoordig in Den Haag. In 2006 verscheen zijn debuutroman Art. 285b over een verslaafde telefoonstalker. Hij won onder andere De Gouden Uil en de Prijs van de Lezer.

We lopen verder naar de Breestraat.

Ooit woonde de bekende Renaissancedichter Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647) aan de Breestraat al weten we niet precies waar, Int wapen van Loeven heette het huis; er bestonden in die tijd nog geen huisnummers, deze werden pas verplicht in de Franse tijd. Hooft studeerde in 1606 en 1607 rechten aan de Leidse universiteit. In het geschiedkundige werk de Nederlandse Histooriën beschrijft Hooft gedetailleerd het beleg en ontzet van Leiden in 1573 en 1574.


Vater Muller op de Breestraat 175 was in de dagen van HaverSchmidt een bekende eetgelegenheid. Piet Paaltjens werd door Vater Muller de tafel ontzegd omdat Paal er volgens hem zo bleek en mager uitzag. De gasten zouden soms kunnen denken dat zijn keuken niet goed genoeg zou zijn. Er konden bij Vater Muller hele drinkgelagen worden aangelegd. Muziek en zang waren hierbij absoluut geen uitzondering.

Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders heelemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zo schraal.

We staan even stil bij Botermarkt 16 waar in de negentiende eeuw Sigarenmagazijn Blaauw was gevestigd. Blaauw maakte zelf sigaren en deze vonden gretig aftrekiet onder het studentenwerk. Paaltjens heeft ook over deze sigarenboer geschreven in een Immortelle in de dichtbundel Snikken en Grimlachjes.

Immortelle 

Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem 
En zijn New-Foundlandse hond.

Ik moet er gedurig aan denken 
Zelfs adem ik soms nog flauw 
Den geur in van zijn sigaren 
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren 
dan word ik eensklaps zo raar
Is 't omdat hij ze rookte
Of was de tabak mij te zwaar


Gerrit Komrij heeft in 1992 op deze Immortelle de volgende persiflage gemaakt. 

Mien Spleetjens haar broer Piet Paaltjens nagevolgd

Zijn dauwworm en pokken, zijn gevel
Ontvleesd en poreus zijn wond.
Zijn compleetverdriet-pik, zijn falsetstem
En zijn nu-aftandse kont.

Ik moet aan die zurigheid denken;
Zijn aderen lager er rauw
En beurs bij, gehakte tartaartjes 
Niet Rood als gewoonlijk, maar Blauw.

Ruik ik opnieuw die tartaartjes 
Dan wordt ik eensklaps zo raar
Door hem die op de brancard lag
Of was het een bak of pissoir.


Gerrit Komrij bezocht overigens graag Leidse cafeetjes zoals De Bonte Koe en Sociëteit De Burcht.

Op Breestraat 146 woonde Isaäc da Costa (1798-1860) van 1816 tot 1818. Hij werd sterk beïnvloed door Willem Bilderdijk. Da Costa liet zich in de Pieterskerk tot christen dopen. Veel tumult ontstond er toen Da Costa zijn brochure Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, dat gericht was tegen het Verlichtingsdenken, publiceerde. Behalve Da Costa schaarde ook anderen zoals Groen van Prinsterer, de broers Willem en Dirk Van Hogendorp, Jacob van Lennep en Abraham Capadose zich rond de centrale figuur Willem Bilderdijk.
Willem Bilderdijk woonde in die tijd Breestraat 130, maar woonde ook op Oude Singel 86, waar eveneens  een herinneringsplaquette hangt, net als op het Rapenburg.

Op Breestraat 132 woonde de volksdichter Jan Pieter Heye (1809-1876), die hier medicijnen studeerde en hier van 1827 tot 1832 heeft gewoond. Verschillende student-auteurs namen in 1830 deel aan het succesvol neerslaan van de Belgische Opstand in de beroemde Tiendaagse Veldtocht. Zij schreven zich in bij het Corps Vrijwillige Jagers. Naast Heye namen hieraan ook Gerrit van de Linde, Bernard Gewin (pseudoniem Vlerk) en J.P. Hasebroek (pseudoniem Jonathan) deel. Zij schreven wapenliederen en strijdzangen. Bij terugkomst werden zij als ware helden ingehaald.


De bleke Piet Paaltjens viel ook danig op bij de plaatselijke winkeliers, zoals onder andere blijkt uit een gedeelte van de volgende Immortelle.

En Jongmans, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zoo op
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.

Adrianus Jongmans (1811 - 1886) was kleermaker en woonde op Breestraat 93 en vervaardigde op verzoek maatpakken voor de heren studenten.

Op Breestraat nummer 118 heeft kapper Knaap vroeger heel wat hoofden van de heren studenten gekapt. Hij genoot binnen het corps behoorlijk aanzien. Piet Paaltjens was er ook vaste klant aan huis getuige de volgende regels:

Toen Knaap mij de laatste keer knipte 
Was jij aangedaan onder het werk.
'Wat wordt u al grijs!', sprak hij somber,
'Ik vrees, u studeert te sterk.'

Boven de boekenwinkel van De Kler kunnen we een gedicht lezen van de in Leiden wonende schrijver, muzikant endichter Nico Dijkshoorn. We kennen hem natuurlijk allemaal uit zjjn wekelijkse optreden in De Wereld Draait Door.

Het boek 

het boek is niet dood 
het ademt
het boek gaat niet weg
het blijft
het boek schaamt zich niet
het babbelt 
het boek was niet ooit 
het is

Leiden heeft in de loop der jaren meer boekhandels gehad dan welke andere stad ook. Maar ook hier is het aantal boekhandels de laatste decennia geslonken. Toch wordt er meer dan ooit geschreven en gelezen. Het internet kent ook hierin zijn voor- en nadelen. De boekenbranche kende ook zo zijn verzuiling. De Kler richtte zich op de  protestants-christelijke lezer terwijl boekhandel Zandvliet onder de rook van de Hartebrugkerk het katholieke volksdeel bediende. Kooyker en Ginsberg richtte zich meer op wetenschap, terwijl Sweris aan de Prinsessekade, lekker rommelig als het er altijd was, gerust het meest anarchistisch genoemd mocht worden. En dan waren er natuurlijk de vele kleine boekhandeltjes, waar je zo lekker urenlang kon rondstruinen.


Nicolaas Beets (pseudoniem Hildebrand). Hier schreef Hildebrand zijn Camera Obscura, een verzameling burgerlijke verhalen. Deze romanticus heeft Leiden onvergetelijk gemaakt in het verhaal De Leidsche Peueraar in zijn Camera Obscura, hetgeen donkere kamer betekent. Karakteristieke figuren als Nurks, een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout, de familie Stastok, het aandoenlijke Keesje, het diakenhuismannetje, de familie Kegge zijn in ons nationale geheugen gegrift. Het wellicht bekendste gedicht van de dichter-dominee is wellicht het volgende. In de eerste strofe zit een mooi voorbeeld van zelfcorrectie:

De moerbeitoppen ruischten 

'De moerbeitoppen ruischten';
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille 
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn' vaderarmen 
Mij koesteren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij


Het huis met de naam Mon Repos (Mijn rustplaats) is het oudste Minerva-studentenhuis van de stad en is als zodanig nog steeds in gebruik.

Als Ilja Leonard Pfeiffer niet in Genua zit en in Leiden bivakkeert mag hij graag een glas of meer La Chouffe drinken in café Burgerzaken in de Breestraat. Bekende romans van Pfeiffer zijn Het Grote Baggerboek, Rupert en La Superba (2013) waarvoor hij de Libris literatuurprijs won. Voor een niet onaanzienlijk gedeelte zijn de invallen en teksten van Ilja's romans in dit etablissement in het kleine zwarte notitieboekje terechtgekomen. Pfeiffer heeft in Leiden een pied-a-terre op de bovenste verdieping van het massale pand van de voormalige vestiging van drukkerij Brill. Brill geniet internationale bekendheid omdat het een van de weinige drukkerijen in Nederland is die oriëntaalse teksten kan drukken, bijvoorbeeld Hebreeuws. Nog steeds is drukkerij Brill aan Leiden verbonden, iets om trots op te zijn.

Op Breestraat 121, het pand met de klokgevel zetelde vroeger het studentencorps.

Pfeiffer heeft Leiden vereeuwigd in zijn gedicht In Leiden met het meisje van zilver. Het gaat zo:

In Leiden met het meisje van zilver

In de lokhorststraat met het meisje van zilver
In de brandewijnsgracht met het meisje van zilver
In de minnestraat met het meisje van zilver
In de meisjespoort met het meisje van zilver 
In de paradijssteeg met het meisje van zilver
In de beschuitsteeg met het meisje van zilver
In de uiterste gracht met het meisje van zilver 

Dichter Jan van Hout schreef beide gedichten op de voorgevel van het stadhuis. Oorspronkelijk werd de voorgevel in 1594 door de Vlaming Lieven de Key ontworpen. Na de verwoestende stadhuisbrand van 12 februari 1929 werd het stadhuis opnieuw opgetrokken door architect Blauw, die de voorgevel in zijn oude glorie herstelde.Jan van Hout woonde trouwens vlak rechts van het stadhuis in het huis dat nu een schitterend gekleurde gevelversiering daterend uit 1673  heeft de horecagelegenheid In Den Vergulden Turk.
Terug naar die fatale nacht.Het vroor die nacht dat het kraakte. De volgende ochtend leek de ruïne nog het meest op een ijspaleis 
Er zijn foto's bewaard gebleven waarbij de ijspegels aan de hangsnorren van de spuitgasten. Een groot deel van het archiefmateriaal ging voorgoed verloren. Wat er nog gered kon worden ligt in Erfgoed Leiden en Omstreken. Soms met nog steeds zichtbare brand- en schroeiplekken.

In het  linkergedicht op de gevel van het stadhuis kunnen we lezen hoeveel dagen het Beleg van Leiden heeft geduurd en als we de Romeinse cijfers optellen komen we aan het jaartal 1574, het jaar waarin Leiden door de Watergeuzen ontzet werd. Het aantal dagen dat het Beleg door de Spanjaarden geduurd heeft bedraagt 129. Een waar gewrocht uit de tijd van de Rederijkers.

Thrijc van Spaengien, hem verbliden,
In tbeleggen, als si sagen,
Met gedult, mi dragen 't liden
Zo veel letters, Zo veel dagen

Nae zVVarte HVnger-noot,
GebraCht had tot de doot 
BInaest Zes-dVIizent MensChen:
ALst God Den heer Verdroot 
Gaf hI Vns VVeder brood,
Zo Veel VVI CVnsten VVensChen.

Zuukt en vint tjaer, van liden zwaer 
Dat niet en was te herden:
De Heren, maer, vrid'uns daer naer, 
Der tienden maent, den derden.

Het rechtergedicht is ook van de hand van Jan van Hout en gaat als volgt:

Indien Gods goetheyt U brengt voort
Gheluc en spoet, niet trotst t'gemoet 
Maar neer wil dragen 
En zend hij (siet) weeromme aen 't boort 
Angstich verdriet, weest daerom niet,
Te zeer verslaghen:
U heyl, zulc hil en toebehoort:
Danc God, swijcht stil, zoo was zijn wil
Beheer behaghen.


Twee cartouches met de tekst Bewaert Heer Hollandt en En Salicht Leyden. Deze laatste tekst is ook te vinden aan de achterzijde van de overblijfselen van de Vrouwenkerk op het gelijknamige plein. Componist Cornelisz Schuyt schreef er een compositie op.

Boven op het stadhuis ziet u pinakels met daarop een half maantje. Dat zit er niet alleen voor de decoratie op. In de Tachtigejarige Oorlog waren we in een strijd verwikkeld met het katholieke Spanje. Katholiek wilden we niet zijn, dan nog liever islamitisch. Vandaar de uitdrukking: Liever Turks dan paaps. De halve maan is het symbool van de Islam.

Leiden had aan het eind van de zestiende eeuw twee Rederijkerskamers: De Witte Acoleye en D'oraingne Lelie, de laatste was speciaal bedoeld voor de nieuwe Leidenaars en stond onder leiding van Jacob Duyn (1547 - 1624).

Aan de overkant, in de Wolsteeg, bevindt zich dranklokaal de WW. Hier wordt een paar keer per jaar op de dinsdagavond een Poetryslam of Poëzieslag georganiseerd, waarbij plaatselijke dichters hun recentste gedichten voordragen en het publiek kan beoordelen welk gedicht het meest treffend rond een bepaald onderwerp is en wie over de beste performance beschikt.

Toen François HaverSchmidt als student voor de laatste keer de stadhuistoren hoorde slaan viel hem dat heel zwaar, getuige een brief aan zijn beste vriend Adrianus van Wessem:

'Toen de toren van het Stadhuis mij voor 't laatst het middernachtelijk uur toesnikte, doolde ik alleen langs de eenzame straten en grachten der Sleutelstad. Ik zocht al de huizen op, waar vrienden hunne kamers hadden gehad, ik stond voor uw vroeger verblijf, en voor dat van Lutjen en Kaay langen tijd stil en ik herdacht al die zalige uren, toen wij daar alles smaakten, wat de aarde zoets en heerlijks heeft. Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik gevoelde mij zoo diep ongelukkig, dat het waarachtig was, of mij het bonkend hart zou barsten in de boezem. Ik bad om tranen en ik kon niet weenen. - Zie, ik had mij zoo gansch en al met ziel en ligchaam verpand en verkocht en overgegeven aan het Studentenleven en bovenal aan de vrienden, die ik onder de Studenten had gevonden, dat het voor mij was, alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijne wareld. Goddank dat die ure voorbij is!

Toen Rudolf Thorbecke, de grondlegger van de Grondwet en ons huidige parlementaire stelsel in Leiden hoogleraar was, woonde hij op Breestraat 113. Eerder bewoonde hij Nieuwsteeg 11 en later woonde hij op de Garenmarkt, waar wel een gedenksteen van zijn aanwezigheid in de stad getuigt.

Tegenover het stadhuis woonde hoogleraar Joseph Justus Scaliger het grote talenwonder. Naar verluidt beheerste Scaliger meer talen dan wie ook in heel Europa.

Op nummer 83 en 85 woonde de dichter Hieronymus van Alphen. Hij had daar een huis met een naastgelegen koetshuis.
Op nummer 103, naast het poortje van de Penshal woonde aan het eind van de zestiende eeuw de moralistische dichter Jacob Cats.

In de Stadsgehoorzaal droeg Jacob Geel in 1844 zijn Gesprek op den Drachenfels voor. Ook de Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid hield hier haar bijeenkomsten.

Op nummer 55 woonde de humanist Justus Lipsius, een begenadigd Leids hoogleraar, die de universiteit internationaal in de belangstelling wist te verheffen. Hij werd tot vier keer toe benoemd tot Rector Magnificus van de jonge universiteit. De jonge Prins Maurits woonde bij hem in. Hij eiste overigens een ijzeren tucht van zijn studenten. Ze moesten al om zes uur opstaan en lazen de hele dag klassieke teksten. Ook moesten ze zelf gedichten in het Latijn schrijven en voordragen. Zijn bekendste werk is De Constantia.

Op Breestraat 52 was vanaf de jaren dertig een boekhandel van S.B. Van Kloeten gevestigd. Het pand is ontworpen door architect Hendricus Lamberts in de Nieuwe Zakelijkheidstijl in gele baksteen en blauwgeschilderde kozijnen en geveldelen. Op de eerste verdieping van Het Nieuwe Boekhuis, zoals het bedrijf later ging heten, bevond zich de afdeling Letterkunde, die toepasselijk naar de gelijknamige bundel van Maarten Biesheuvel 'In de Bovenkooi' werd genoemd.


In de Vrouwensteeg woonde van 1583 tot 1585 de internationaal bekende drukker en uitgever Christoffel Plantijn. Een flinke gedenksteen hiervan kan u onmogelijk ontgaan. Plantijn werd opgevolgd door zijn schoonzoon Franciscus Raphelengius, de eerste drukker van Arabische teksten. De spreuk luidt vertaald: door arbeid en standvastigheid. De passer was zijn zinnebeeld.

Aan de rechterkant van de Breestraat nummer 50 doemt studentensocieteit Minerva op. Deze eerbiedwaardige vereniging bestaat al meer dan tweehonderd jaar en is op meerdere gebieden van belang geweest voor de Nederlandse letterkunde. Allereerst zijn er natuurlijk heel wat schrijvers die in hun studententijd lid geweest zijn van het corps. Te denken valt aan François HaverSchmidt, Eric, Soldaat van Oranje, Hazelhoff Roelfzema, Annie Romein-Verschoor, Alexander Verhuell, Conrad Busken Huet en vele anderen. Ook vormt Minerva regelmatig het decor voor verhalen van schrijvers.
Overigens, als we het over Minerva hebben, gaat het niet altijd om dit gebouw. Tot begin van de twintigste eeuw zetelde het corps op de begane grond van het Von Sieboldhuis aan het Rapenburg 19. Op de eerste verdieping daar lagen de vele Japanse kunstschatten van Von Siebold opgeslagen. Het mag gerust een wonder heten dat de hele miljoenencollectie in die roemruchte Minervajaren onaangetast is gebleven.
In de negentiende eeuw had Minerva een abonnement op verschillende buitenlandse kranten. In onze huidige informatiesamenleving kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat een eeuw geleden het internationale nieuws er een aantal dagen over deed om de sleutelstad binnen te sijpelen. De leestafel van Minerva is van onschatbare waarde geweest voor de nieuwsvoorziening in Leiden. De blik op de wereld werd hier voor een niet onbelangrijk gedeelte gevormd. Minerva heeft op de eerste verdieping een rijkgevulde bibliotheek, waarin de bezoeker zich, onder het toeziend oog van zes opgezette zwanen, weer even in de negentiende eeuw waant. De zwaan is het symbool van een subvereniging van Minerva, roeivereniging Njord.
In de Vrouwensteeg treffen we een muurgedicht aan van Piet Paaltjens. Paaltjens is door HaverSchmidt voor het laatst gezien tussen twee biljarttafels van Minerva, om daarna voorgoed van de radar te verdwijnen.
Aan de voorkant van de vesting zien we in het blazoen van Minerva de tekst Virtus Concordia Fides hetgeen Deugd Eensgezindheid Trouw betekent. Het lijflied van Minerva is het veel geciteerde en overbekende Io Vivat.

Veel Leidenaren vinden Minerva een detonerend gebouw in de Breestraat. Minerva is een representant van het in de jaren zestig populaire brutalisme, een architectonische stroming die veel met beton werkt en in vakken werkt.De binnenkant echter heeft een veel warmere uitstraling. Dit pand kwam in de plaats van zijn illustere in 1959 afgebrande voorganger. Vanaf 1844 troffen de corpsleden elkaar hier. Een ingediend bouwontwerp van mahoniehout kwam niet in aanmerking. Op het hoekje van de Wolsteeg en de Breestraat, op nummer 121, was de studentensocieteit Minerva van 1814 tot 1837 gevestigd, in de roerige beginjaren van het corps. Het huis werd in die tijd  ook 'De twee kolommen' genoemd. Het moet in dit gebouw  geweest zijn dat zo'n 300 studenten zich inschrijven om ten strijde te trekken in de beroemde Tiendaagse Veldtocht. Onder hen bevond zich ook Gerrit van der Linde, die we later leren kennen onder zijn pseudoniem De Schoolmeester. 

De leden van Minerva zelf noemen hun onderkomen steevast De Tent. Ze komen er vaak meerdere keren per week een aantal pinten downloaden. Peter Matthes beschrijft het verenigingsleven in die beginjaren als volgt:
'Bijj Sociëteit Minerva voelt zich de student te huis, zij is zijn tweede woning, zij is 't tooneel waarop de studenten-wereld zich beweegt. - Daar vindt gij des namiddags te 3 uur de geheele studenten-maatschappij bijeen; dan krioelt het er, dan wordt er gelagchen, geschertst, gezongen, gespeeld, gedronken; ja de dorstige kelen worden dan gelaafd met nektar, vroeger door nijmfen geschonken ... thans helaas! Door iemand die alles met Ganymedes gemeen heeft behalve zijn schoonheid. ... En 's-avonds, als het troepje studenten daar bij een zit, laat dan de een of andere melancholicus, die reeds door de doctoren als ongeneeslijk is opgegeven, zich onder hen mengen, ik verzeker u, hij wordt genezen.'

Na de uitreiking van zijn eredoctoraat in 1946 heeft Sir Winston Churchill voor de deur van Minerva nog een sigaar gerookt.

Overigens is het aan Minerva te danken dat we tegenwoordig nog of weer 3 oktober vieren. Het feest was in 1883 op sterven na dood doordat de viering die toen op vrijdag plaatsvond in verband met economische schade aan de wekelijkse veemarkt verplaatst werd naar zondag 5 oktober De Leidenaar werd zodoende een vrije dag door de neus geboord en dat ging de heren studenten te ver. Ze gingen zelf op 3 oktober haring en wittebrood uitdelen aan arme stadsgenoten. Enkele leden van Minerva hebben het toen met de ervaring die ze hadden met het organiseren van maskerades hebben Leidens Ontzet toen nieuw leven ingeblazen. En zie daar, de roemruchte 3 October Vereeniging, zag in 1886 het levenslicht. Om die reden neemt de preses van Minerva qualicate qua plaats in het bestuur van de 3 October Vereeniging en is er jaarlijks de traditionele hutspotmaaltijd op Minerva met datzelfde bestuur.
In het gedicht De Drie Studentjes komt de sociëteit ook nog een keer voor.

Alle morgens van tienen tot elven
Hengstten ze samen vol vlijt,
En van elven tot vieren
Bezochten ze eendrachtig de sociëteit.

Veel lijkt er in al die jaren niet veranderd; alleen zijn de tijdstippen wat meer opgeschoven naar de avonduren.

Ook vormt Minerva het decor van de verfilming van Erik Hazelhoff Roelfzema's boek Soldaat van Oranje (1977)
Rutger Hauer zingt hier het bekende Maleise liedje Terang Bulan. Erik moet dit lied tijdens een studentendoop zingen voor preses Guus, die gespeeld wordt door Jeroen Krabbé. guus vindt dat Erik het lied vals zingt. Hij moet het lied opnieuw zingen en krijgt daarbij een nog volle soepterrine boven zijn hoofd uitgegooid en op zijn hoofd gezet. Dan valt Erik tegen de tafel van het bestuur en moet naar het ziekenhuis. guus bezoekt hem daar en zo leren zij elkaar kennen. De herkenbaar muziek van de film is van de veel te vroeg overleden componist Rogier van Otterloo en wordt vaak gebruikt bij Minerva-evenementen, en klinkt dan flink versterkt over de Leidse grachten.

Het liedje gaat als volgt:

Terang bulan, Terang bulan di kali
Buaya timbal, disankalah mati 
Jangen percaya orang mulat lelaki 
Berani sumpah,  dia takut mati.

Het is een Maleis liedje in de krontjongstijl en dateert nog uit de koloniale tijd. De versvorm is een zogenaamd pantun, een klassieke kwatrijnvorm, waarbij alleen het eerste en tweede regelpaar bij elkaar horen. Soms is er een duidelijk verband tussen beide regelparen, vaker is het verband vaag of soms zelfs helemaal zoek. In het Nederlands vertaald luidt het liedje als volgt:

De maan schijnt, de maan schijnt over de rivier
De krokodil drijft, je zou denken dat ie dood is.
Geloof niet dat wat een man je zegt.
Ze durven van alles te zweren,
Maar zijn bang om dood te gaan.

De dichter J.M.W. Scheltema (1921-1947) was lid van het Leidse studentencorps. Pim kon af en toe  echt strontvervelend zijn, zo ook op een avond waarop hij uit De Tent komende iedereen de hoed van het hoofd stootte. Er ontstond een opstootje doordat het publiek zich ging bemoeien met het politieoptreden. De politie was zijn fluimactie zat en loste een schot dat hem noodlottig werd. Pim werd onder massale belangstelling begraven in aanwezigheid van burgemeester Van Kinschot en een speechende rector-magnificus. De agent die het fatale schot loste werd vrijgesteld van  verdere rechtsvervolging. Pim Scheltema geniet bekendheid om zijn kolderliedjes à la Toon Hermans, bijvoorbeeld zijn bekendste gedicht Mijn Hospita in een soort pseudo-Hongaars. 

De steen in de gevel van Breestraat 37 vermeldt dat Pieter Bas hier tussen 1868 en 1873 heeft gewoond. Dat is echt fake, want de persoon Pieter Bas heeft nooit bestaan. Het is een karakter van de geestige Godfried Bomans uit zijn roman Memoires of Gedenkschriften van Pieter Bas. Pieter Bas studeerde in die tijd rechten, was lid van Minerva en woonde in de ploeterij (kosthuis) van juffrouw Fles. Hij zou het later nog tot minister van Onderwijs weten te schoppen. Bomans heeft zelf nooit in Leiden gewoond, noch er gestudeerd.
Godfried Bomans zelf was een begenadigd causeur en in de beginjaren van de televisie een veelgevraagde spreker. Legendarisch geworden is zijn beschrijving van de Duitse zangeres Marlène Dietrich: Had mijn vrouw maar één zo'n been.

Ik zit mij voor het zolderraam
Onnoemelijk te vervelen
Ik wou dat ik twee hondjes was
Dan kon ik samen spelen.

Altijd toegeschreven aan Godfried Bomans, maar in werkelijkheid waarschijnlijk van cabarettekstenschrijver Michel van der Plas. Bomans zelf heeft overigens nooit toegegeven dat hij de auteur is. We kunnen het ze niet meer vragen.

Vroeger was de centrale van de openbare bibliotheek gevestigd aan de Breestraat 43. Deze locatie speelt een rol in de zich in Leiden afspelende detectiveroman De Kroongetuige van Maarten 't Hart. Een van de hoofdpersonen Thomas Kuypers raakt hier verliefd op het spiegelbeeld van bibliotheekmedewerkster Jenny. Zij verdwijnt op mysterieuze wijze, en Thomas is de laatste die haar gezien heeft. Thomas wordt er vervolgens van verdacht haar lijk aan zijn laboratoriumratten te hebben gevoerd.

De bioscoop Trianon en het daartegeover gelegen pand, dat vroeger een postkantoor was, spelen een rol in Kort Amerikaans van Jan Wolkers. Eric van Poelgeest vlucht bij een razzia door de Duitsers door de draaideur het postkantoor binnen en weet zo te ontkomen. Hij en een vriend stonden toen net de schaarsgeklede dames op de posters van de de bioscoop te bewonderen.

Daarnaast op nummer 29 woonde van 1831 tot 1834 literatuurcriticus, historicus en filosoof Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink (1810-1865). Hij studeerde hier en in Amsterdam theologie en filologie.In zijn tijd gold hij als een van de meest invloedrijke intellectuelen van het land en was een warm voorstander van een liberale maatschappij. Hij heeft zeven jaar in Europa van bibliotheek tot bibliotheek gezworven om, naar eigen zeggen, onderzoek te doen, maar in werkelijkheid om zijn schuldeisers te ontlopen; hij had namelijk torenhoge speelschulden.

Vroeger was de centrale van de openbare bibliotheek gevestigd in het pand Breestraat  25 en 27. Deze plek speelt een rol in de roman De Kroongetuige van Maarten 't Hart. De bibliotheek op deze plek werd mogelijk door een legaat van juffrouw Reuvens. Zij bood haar huis aan en zorgde ervoor dat de bibliotheek over een startkapitaal kon beschikken. Eerder waren er al initiatieven voor een bibliotheek in het gebouw van de Maatschappij tot Nut Van Het Algemeen op de hoek van de Langebrug en de Steenschuur. De katholieke kerk en de gereformeerde gemeente waren bevreesd dat zij hun grip op de lezers zou kwijtraken.
Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog beschikte de centrale van de openbare bibliotheek over 28.000 boeken. De Duitse bezetter liet 200 Nederlandse auteurs verbieden. In totaal werden er 1150 verwijderd die de Duitsers niet welgevallig waren.
Op Breestraat nummer 30 woonde in zijn studententijd de schrijver Jacob van Lennep en hier zijn Academische Idyllen schreef en zich hier liet inspireren tot De lotgevallen van Klaasje Zevenster.


We passeren op Breestraat 24 het geboortehuis van Johannes Kneppelhout (pseudoniem Klikspaan) die we vooral kennen van de bundel Studententypen en het latere Studentenleven. De sprookjesschrijver Hans Christian Andersen heeft hier in 1866 gelogeerd. Hij gold als een maecenas voor arme kunstenaars.

Aan de Breestraat is eveneens studentenvereniging Quintus gevestigd. Schrijfster Corien Botman (1961) was lid van dispuut Triumph. Nu is ze een gevierd  schrijfster van jongerenromans. Met Schaduwspits schreef ze haar bekendste werk. Ook cabaretier Onno Innemee was lid van Quintus en wel van het dispuut Delta. Tot slot noemen we nog de naam van Renee Gade, die lid was van dispuut Aquavite.

Waarom eigenlijk publiceren zoveel schrijvers toch onder een schuilnaam? In het bijzonder in de negentiende eeuw. Kneppelhout is toch zeker een schitterende naam? Staan ze niet achter de inhoud? Zijn ze bang te min gevonden te worden? Willen ze het voor anderen niet weten? Zijn ze bang voor eventuele vervolging (van die onschuldige verhaaltjes)? Of is er nog een andere reden?
Veel schrijvers die een pseudoniem kozen deden dat in hun studententijd. Ze waren zich er als rechtenstudent en theologiestudent terdege van bewust later in een hoge maatschappelijke functie terecht te komen. Onder de hoede van de alma mater konden de studentschrijvers lekker experimenteren en zichzelf nog even laten gaan, want later in de grote boze wereld moest alles voor het echie.

We komen nu op het Kort Rapenburg die het decor vormt voor het verhaal Drijvende Mijnen in de roman Ernstvuurwerk van F.B Hotz. Hotz woonde zelf op de door hem vereeuwigde Rijnsburgerweg, op nummer 75.

Aan het eind van de Breestraat gaan we linksaf het Rapenburg op en nemen hiervan de rechter, onevengenummerde zijde. Achter ons zien we molen De Valk, waar cabaretier Paul van Vliet in zijn studententijd gewoond heeft. Over zo'n beetje elk pand aan het deftige Rapenburg, ooit de mooiste gracht van Europa genoemd, valt wel wat te zeggen. Dat is dan ook gebeurd in een lijvige studie over de gracht en zijn bewoners door de eeuwen heen. Overigens weten we nog steeds niet wat de naam Rapenburg betekent. Ook Amsterdam kent zijn eigen wijkje Rapenburg en ook hier tast men in het duister over de herkomst van de naam.
Zoals al eerder gezegd vermelden we nog eens dat hier op de hoek ooit schrijver en tekenaar Alexander Verhuell, pseudoniem O. Veralby heeft gewoond. Hij woonde boven de bakkerij van Garrer. In 1914 bouwde architect W. C. Mulder dit Um 1800 hoekpand voor de Leidsche Verzekeringsmaatschappij. 

Op de beletage van het Von Sieboldhuis op nummer 19 was zoals gezegd studentensociëteit Minerva gevestigd.

Over het Rapenburg en haar bewoners door de eeuwen heen heeft Willemijn Fock een tiendelig boekwerk gemaakt. Niet bekend is waar de naam Rapenburg vandaan komt en wat het betekent.

Philipp Franz Von Siebold (1796 - 1866) was een Duitse arts in dienst van het Nederlands-Indische leger. Hij is een vermaard natuuronderzoeker en geniet vooral bekendheid vanwege zijn in Japan verzamelde etnografica en kunstvoorwerpen waarvoor hij zijn huis ter beschikking stelde. Zelf verbleef Von Siebold meestentijds tussen zijn exotische plantencollectie op zijn buiten Nippon aan de Lage Rijndijk.

Aan de overkant van het Rapenburg ligt Hotel De Doelen. In 1995 huurde A. F. Th. van der Heijden hier enige weken een kamer en werkte daar aan zijn dubbelroman De Tandeloze Tijd deel 3.

De Franse filosoof Rene Descartes of Cartesius woonde in 1640 en 1641 op het Rapenburg 21 . Descartes voltooide hier zijn beroemde Meditationes.
Het was hier dat hij via zijn hospes Jean Gillot in contact werd gebracht met de Haagse uomo universalis Constantijn Huygens. Er ontstond een levendige conversatie en correspondentie tussen die twee. Van Descartes is de beroemde uitspraak cogito ergo sum, hetgeen Latijn is voor ik denk dus ik besta. Hij trok alles in twijfel alleen zijn eigen denkvermogen niet. Het bekendste werk van Descartes verscheen In 1637 onder de titel Discours de la Methode, een verhandeling over de manier waarop wetenschap bedreven dient te worden. Descartes wordt dan ook wel de vader van de moderne wetenschap genoemd. Bij de wijsgerige debatten ging het er soms zo heet aan toe dat de discussianten buiten met elkaar slaags raakten. Descartes bewoonde ook kasteel Endegeest.


We gaan de brug over de Groenhazengracht over. Haasje Groen was een bekende Middeleeuwse prostituee. Lange tijd is dit de hoerenbuurt van Leiden geweest. Militairen van de voor u liggende Doelenkazerne en studenten vormden de clientèle. Publieke vrouwen werden in de zeventiende eeuw ook wel dakhaasjes genoemd.
O Here, breng hem niet tot Leyde, verzuchtte een angstige Amsterdamse vader toen zijn zoon te kennen gaf in Leiden te willen studeren. Leiden gold in de zeventiende eeuw als een stad waar de verleiding om de hoek lag. Amsterdam daarentegen was toen nog een nette stad. Hoe anders is het nu. Hier zijn de nodige liefdesgedichten over geschreven in Incogniti Scriptores Nova Poemata, (nieuwe gedichten van onbekend willen blijvende schrijvers) want anoniem wilde deze dichters natuurlijk wel blijven. Om diezelfde reden zijn de gedichten in het Neolatijn opgesteld.

Op de hoek zien we de Bibliotheca Thysiana. De jong overleden Jan Thijs had bij testament bepaald dat na zijn overlijden zijn boekenverzameling ter beschikking moest komen van de samenleving, echter er was nog geen pand. Thysius laat 20.000 gulden na voor de bouw van een bibliotheek. Die verrees hier in 1654. Een pareltje van Renaissance-architectuur. De nog steeds publieke bibliotheek is ontworpen door de Leidse stadsarchitect Arent van 's Gravesande en werd afgemaakt door Willem van der Helm. In het Hollands classicistische pand bevindt zich nog een van de zes originele lezenaars, een meubelstuk in de vorm van een boekenmolen waarop zes boeken konden liggen en met gemak een ander boek naar voren gehaald kon worden.
Het werd veel gebruikt bij het afschrijven van teksten.

Een aantal panden verder zien we het huis van Herman Boerhaave. De gevelsteen geeft aan dat Boerhaave hier gestorven is. Boerhaave is van bijzonder belang geweest voor de geneeskunde. Hij was een warm pleitbezorger van colleges in de landstaal en was hij de eerste die geneeskundeonderwijs gaf aan het bed van de patiënt. Nu nog is dat de gewoonlijke gang van zaken. Boerhaave bracht het grootste gedeelte van zijn leven door op kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest. Hij is geboren in het nabijgelegen Voorhout.Boerhaave genoot een zodanige internationale bekendheid dat een brief uit China met als enige adres 'Boerhaave Europa' voldoende was om de brief prompt op het juiste adres besteld te krijgen. Van de Russische tsaar Peter de Grote is bekend dat hij in zijn boot voor de deur van Boerhaave de nacht heeft doorgebracht om in alle vroegte de volgende dag een consult van de superarts te kunnen krijgen. Op de gevel staat de Latijnse spreuk Simplex Veri Sigellum en betekent Eenvoud is het kenmerk van het ware, de lijfspreuk van Boerhaave. Het zou zomaar kunnen zijn dat hij deze spreuk zelf bedacht heeft. Boerhaave heeft een standbeeld in Leiden aan de gelijknamige straat waarbij hij uitkijkt op de voormalige hoofdingang van het academisch ziekenhuis. Ook het Boerhaavemuseum is naar hem vernoemd omdat het hier was dat hij zijn eerste college aan bed heeft gegeven.

Weer een aantal panden verder zien we dat brompot Willem Bilderdijk hier rond het jaar 1820 op huisnummer 37 heeft gewoond. Bilderdijk heeft op verschillende plaatsen gewoond. De dichter-jurist gaf aan huis als privaatdocent Staatsrecht. Hij ging daarbij meestal gekleed in een kamerjas met om zijn hoofd een witte doek gewikkeld tegen de hoofdpijn die veroorzaakt door het gebruik van opium.
Ik schrijf brompot en dat kan gestaafd worden aan de hand van het navolgende briefje aan zijn huisbaas, die Bilderdijk maant achterstallige huur te betalen.

Hoogwelgeboren heer,

Daar ik my nooit met geldzaken bemoeid heb, noch meen te bemoeien, weet ik niets van huurpenningen of lasten of wat dergelijke is. Ik verschoon voor het overige, volgens uw verzoek, uwe vrijpostigheid, als van een onbekende jegens een onbekende, schoon het -inderdaad - dezelve wat verre gedreven is iemand in zijne studiën met zoodanige kleinigheden te storen. Ik teeken my dus,

Met alle betamelijke hoogachting,
Uw dienstwillige Dienaar
W. Bilderdijk 

De huisbaas zal vervolgens zwaarder geschut hebben moeten inzetten om aan zijn huurpenningen te komen.

Aan de overkant van het Rapenburg zien we het pand van de op een na grootste Leidse studentenvereniging Augustinus. Leiden heeft vijf studentenverenigingen: Minerva, Augustinus, SSR, Catena en de jongste Quintus. Nu bloeit het studentenleven weer, maar dat is niet altijd zo geweest. Hannes Menkema geeft in haar boek En dan is er koffie (1976) een aardig beeld van het alternatieve studentenleven van de jaren zeventig, toen het not-done leek om lid te zijn van welke studentenvereniging dan ook. De authentieke corpsbal was bijna compleet uit het Leidse straatbeeld verdwenen. Het is in die tijd een wereld van seks, bier, stickies, jenever en relatietroubles.

De Japanse keizer Akihito heeft met zijn echtgenote een wandeling gemaakt van het Sieboldhuis naar het Academiegebouw en onderweg de hand geschud van een aantal studentes, een eer die hen wel te beurt viel, een spontaniteit die in Japan zelf hoogst ongebruikelijk is. De keizer leunde bij deze gelegenheid met zijn hand op het paaltje voor de deur. Nu doen vele Japanners die hier op bezoek komen dat na en fotograferen dat. Dichterbij hun keizer kunnen ze in eigen land nauwelijks komen.

Nummer 49 was het woonhuis van dr. C.H.A. Kruijskamp, ,de hoofdredacteur van het WNT en de dikke Van Dale. Zijn bibliotheek telde op haar hoogtepunt maar liefst 67.000 werken. Zijn boekenbezit werd in Leiden door veilinghuis Burgersdijk & Niermans geveild, niet alleen zijn boeken, maar ook zijn grote verzameling erotica, een liefhebberij die aanvankelijk niemand achter deze ietwat wereldvreemde kamergeleerde had gezocht. 

Op Rapenburg 45 was tijdens haar studententijd de woning van prinses Beatrix en later van haar zus prinses Margriet. De Leidse schrijver F.B.Hotz was zeer slechtziend, maar speelde wel in een bandje, zo ook een keer in aanwezigheid van de nog jonge Beatrix. In de pauzes vermaakte Hotz zich prima met deze dame, want ze kwam steeds naar hem toe. Een van de bandleden zei later op de avond tegen hem: Joh, Frits, weet je wel wie dat meisje is, met wie je al de hele avond aan het praten bent, dat is onze toekomstige koningin.' Waarop Hotz antwoordde: 'O, ik dacht al dat het niets zou worden.'

Op de hoek van het Rapenburg en de Doelensteeg vinden we een muurgedicht van Maria Vasalis dat daar is aangebracht door de Stichting Tegenbeeld op verzoek van de Vereniging van Vrouwelijke Studenten Leiden bij gelegenheid van hun 115e diës. Maria Vasalis woonde in haar studententijd van 1927 tot 1934 op de hoek van de Lijsterstraat en de Leeuwerikstraat. Haar eigen naam was Droogleever Fortuin-Leenmans. Vasalis is de genitief van leenman.

Hèhè, eindelijk weer eens een schrijvende vrouw. Op Rapenburg 41 woonde de dichteres Lucretia Wilhelmina van der Merken (1721 - 1789). Zij schreef het treurspel Het Beleg der Stad Leyden. Waarschijnlijk werd zij onder andere om die reden samen met haar echtgenoot Nicolaas van Winter tot ereburger van de Sleutelstad benoemd.

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), de grote Arabist en Mekka-ganger die onder de schuilnaam Abd al-Gaffâr in 1885 bijna in Het Heiligste Der Heiligen van de Mohammedanen wist te komen. Ik nog niet De vermomde wetenschapper wilde koste wat het kost de archieven van de Verboden Stad Mekka bestuderen. Hij werd 16 keer gecontroleerd, totdat een Franse krant over Snouck Hurgronjes drieste daad publiceerde en als een haas moest maken dat hij wegkwam. Studenten konden die avontuurlijke inslag overigens hogelijk waarderen.

Wat valt u op aan het pand Rapenburg 65. Inderdaad, de deur zit niet in het midden. In het pand woonde Aernout van Overbeke, voor vrienden, waaronder Constantijn Huygens Nout. Ondanks dat zijn huis een waar stadspaleis lijkt, ging het hem financieel bepaald niet voor de wind. Zijn erfdeel van zijn jong overleden vader joeg hij er snel doorheen en zijn hele verdere leven heeft hij op zwart zaad gezeten. Van Overbeke (1632 - 1674) schreef in zijn leven ongeveer 2500 moppen op die zijn gebundeld in Anecdota sive historiae jonsta. In de Gouden Eeuw waren schuine moppen een een groot gedeelte enorm populair, terwijl anderen ze juist verfoeide, exact zoals tegenwoordig. Dan zult u er vast een paar willen horen? Vooruit dan maar!

Een bedelaer quam voor de deur van een rijcke juffrou seer jammerlijk klaegen over sijn grooten honger en eyschte maar één stukje broot. De meyt quam het haer juffer vraegen. 'Wat', seyde die, 'Geeft den armen bloet een heel broot.' Haer vrijer, die haer lang opgepast hadde, sat just bij haer en seyde met een diepe sugt: 'Geluckige bedelaer, die de eerste reyse dat hij hier komt terstont een heel broot krijgt, daer ik soo lange jaeren maar een kleyn sneetje gebeden hebbe en noch niet verhoort ben geworden.'

In modern Nederlands:

Er kwam eens een arme bedelaar aankloppen bij een rijjke vrouw en klaagde zijn nood over zijn onvoorstelbare honger en vervolgens vroeg  om een klein stukje brood. De dienstbode ging het aan haar mevrouw vragen. 'Wat', antwoordde ze, geef die armoedzaaier een heel brood.' De vrijer van de rijke vrouw, die al een paar jaar verkering met haar had, was toevallig getuige van dit gesprek en slaakte een diepe zucht: 'Gelukkige bedelaar, die gelijk bij de eerste keer dat hij aan de deur komt direct een heel brood krijgt, terwijl ik al zoveel jaar om een klein sneetje gevraagd heb, maar het nooit gekregen heb.' 

Voor de fusie met Minerva zetelde de VVSL, de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden, in hetzelfde pand Rapenburg 65. De in Leiden gestudeerd hebbende neerlandica Marijke Harberts (1936) geeft in haar roman Doezamand (1994) een aardig inkijkje hoe het er hier in de vijftiger jaren aan toe ging. Niet alle èles, zoals de dames in twinset werden genoemd, wisten bijvoorbeeld op seksgebied waar Abraham de mosterd haalde. 'Wat vind jij eigenlijk van een gelijktijdig orgasme? Eh, dat is nog eens wat anders dan de svarabaktivocaal.' Seks van vrouwen onderling lijkt hierin absoluut onbespreekbaar.

Het Academiegebouw 

De eerste twee jaar na de oprichting van de universiteit op 8 februari 1575 zetelde de alma mater in het Barbaraklooster, dat we moeten situeren op de hoek van het Rapenburg en de Houtstraat. Gevolgd door het Faliede Begijnhof hier schuin tegenover. Daarna in 1581 streek de universiteit neer in het klooster van de Witte Nonnen, de orde der Dominicanessen, waar het hart van de wetenschap nog steeds klopt.
Het torentje is een ontwerp van stadsarchitect Willem van der Helm die ook onze stadspoorten ontwierp, waarvan alleen de Morsport en de Zijlpoort resteren.
Het devies van de Leidse universiteit luidt: Praesidium Libertatis en is Latijn voor Bolwerk der Vrijheid. De wetenschap moest zonder wat voor beperking dan ook uitgeoefend kunnen worden. En inderdaad, meerdere keren in de geschiedenis moest die vrijheid met hand en tand worden verdedigd, bijvoorbeeld via de protestrede van professor Cleveringa in 1942.
De universiteit wist in de beginjaren al internationale geleerden van naam naar Leiden te trekken. Naast Scaliger en Lipsius is Daniël Heinsius van buitengewone betekenis voor Leiden geweest. Hij stak zijn trots voor de stad niet onder stoelen of banken getuige het volgende lofdicht:

Aen Leyden 

O Nederlandts Athenen,
O voester van verstant en kloecken geest.
O Son van wijsheit ende konst, o, Duytschen Helicon.
Fonteyn van prijs en eer, o herberch van de wijsen,
O woonplaats van de Faem, wie souden konnen prijsen,
De glans van uwen lof so groot en breet?
Wie sou afschilderen u werck en costelick gebou?

Het was ook voornamelijk hier in dit gebouw dat gedurende Het Twaaljarig Bestand (1609 - 1621) de theologen Arminius en Gomarus elkaar meer dan eens in de haren vlogen over leerstellige verhandelingen aangaande predestinatie. De ideeën liepen zo zeer uiteen dat het bijna tot een burgeroorlog leidde. Arminius woonde in de Nonnensteeg en Gomarus op de naastgelegen Vijfde Binnenvestgracht. De mythe wil dat beide heren elkaar over de schutting schier de hersens insloegen. De godsdiensttwisten kostte landsbestuurder Johan van Oldenbarneveldt evenwel letterlijk de kop.


De muurtekeningen in het gebouw zijn van de hand van Victor de Stuers. Gradus ad Parnassum is uit te leggen als de trap naar de wijsheid. Vele duizenden wijze mensen hebben deze wenteltrap in de loop der eeuwen inderdaad beklommen. Victor de Stuers bracht de tekeningen, houtskool op stuc langs de wenteltrap aan in de periode 1861 - 1867. HaverSchmidt had de universiteit toen al lang de rug toegekeerd, maar hij wijdt er in 1886 nog wel een artikel aan. Het wereldvreemde studentje staat er met zijn koffertje een beetje lullig bij, nog onwetend wat de toekomst aan de universiteit hem zal brengen. Angstig ziet hij zijn ontgroeningstijd tegemoet. Macte animo betekent Houd goede moed. Ps. 99 Heere, breng hem niet in lijden. Maar goed, we gaan de trap op en volgen het academische leven aan de hand van het artikel van HaverSchmidt: 'De inauguratie is achter den rug en wij ontmoeten den jongen student op de tweesprong, dien Hercules en na hem iedereen betreden moest, wien de levenslust gloeiend door de aderen tintelde. Wat zal hij doen? Pallas Athene legt de hand op zijn schouder en wenkt hem haar te volgen, opwaarts, waar schoone gestalten zich aan zijn oog vertoonen, Labor en Industria, Arbeid en Vlijt, en in haar midden de schoonste van allen Veritas, de eeuwige Waarheid. Maar ook op 's knapen anderen schouder rusten zachte vingers en, terwijl de geurige druif uit vollen beker hem tegenlacht, zijn blanke armen gereed hem te omhelzen, lokt driest onthulde schoot hem tot verboden lust. Wat zal hij doen? Ziet hij het monster niet, den grimmigen beer, die achter de bekoorlijke verleidster wegschuilt, gereed hem te verslinden, waar hij zich aan haar overgeeft? O! Laat ons hopen, dat geen naberouw te laat des jongelings keuze volgen zal!'

Op de eerste verdieping aangekomen vinden we het vermaledijde Zweetkamertje. Boven de deur vinden we de Italiaanse tekst: Lasciate ogni speranza voi che entrate. 
Ook deze tekeningen zijn van de hand van Victor de Stuers, de grondlegger van de monumentenzorg. Deze tekst is afkomstig uit De Hel van Dante en betekent Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt. De Stuers liet zich voor het maken van deze tekening in 1865 een nacht opsluiten in het Academiegebouw, naar verluidt omdat hij een goede band had met de pedel.
Hic sudavit sed non frustra. Hier heb ik veel gezweet, maar niet tevergeefs. Deze tekst schreven vele alumni op de muren van het Zweetkamertje. Deze tekening is van student Louis Raemakers en stamt uit 1919. De tekst rondom het kraantje luidt: Dit is Hansworst, lest hier uw dorst. Hansworst is de voorloper van de bekende poppenkastfiguur Jan Klaasen. Dit is een verwijzing naar een kinderversje dat als volgt gaat: 

Heb je dorst, 
Ga naar Hansworst.
Die heeft een hondje,
Dat piest zo in je mondje.

Vele groten hebben zich hier ooit heel klein gevoeld. Nadat een of andere onverlaat het Zweetkamertje met roze verf had besmeurd, is dit unicum alleen onder toezicht te bezichtigen.

Gerard Unger ontwierp de zogenaamde Leidse letter, die nodig bleek om enkele Latijnse teksten in het plaveisel in te graveren. In het Academiegebouw staat de tekst Musa Coela Beat en dat betekent de muze verblijdt de hemel.

Hebt u even tijd, dan kunt u gerust een bezoek brengen aan de Hortus Botanicus. Dan kunt u Het Geheim van de Hortus van Peter van Zonneveld wellicht beter tot u laten doordringen. Zo niet, dan kunt u toch even onder de poort doorlopen en meteen rechts daarvan de nog door Dirck Outgaerdszoon Cluyt, beter bekend als Carolus Clusius, - de eerste hortulanus - geplante en nu behoorlijk gestutte goudenregen bewonderen. Hij staat hier nu al ruim vier eeuwen. Vlak voor u ziet u zijn borstbeeld. Direct links van de poort staat een zeldzame tulpenboom, een geschenk van hoogleraar Herman Boerhaave. Ook deze tulpenboom boom is aardig op leeftijd. De tulpenboom komt maar vrij zeldzaam voor. Kijk maar, het blad heeft de vorm van een tulp.

Aan de overkant van het Academiegebouw zien we een statig zandstenen gebouw  in zogenaamde Palladiostijl waar niemand minder dan de latere Koning Willem I enige tijd gewoond heeft. Twee ambtenaren moesten toezien op de studievorderingen van de balsturige oranjetelg. Dat dat niet zo veel zin heeft gehad moge blijken uit het feit dat Willem de studie al na twee maanden voor gezien hield.
Het gebouw heeft in de loop der jaren verschillende functies gehad, maar verdient nu toch snel een representatievere bestemming.

Het Academiegebouw uitkomende gaan we meteen naar rechts en weer naar rechts de Nonnensteeg in.
Aan het eind van de Nonnensteeg heeft Multatuli (ik heb veel geleden), pseudoniem van Eduard Douwes Dekker professor Veth vereeuwigd in het volgende puntdicht: Wie niet verbaasd staat over de kennis van professor Veth, heeft geen verstand van kennis. Het bord verdient wel een opknapbeurtje, vindt u niet?
Op de Vijfde Binnenvestgracht hebben we een goed zicht op de Leidse Sterrenwacht, die een belangrijke rol speelt in De Ontdekking van de Hemel van Harry Mulisch.
We gaan de tweede steeg, de Zionsteeg, linksaf. Aan het eind hiervan gaan we weer linksaf de Kaiserstraat in.

Dirck Raphaelsz. Camphuysen (1586-1627) woonde aan de Kaiserstraat. Camphuysen wordt nu niet veel meer gelezen, maar in zijn tijd was hij enorm populair, getuige de vele herdrukken; hij was de op Cats na de meest gelezen dichter van de Nederlandse Renaissance, waarschijnlijk omdat zijn gedichten zeer gemakkelijk toegankelijk waren. Eveneens in de Kaiserstraat woonden hier als student Gerardus Vossius (1577-1649), en Jacobus Westerbaen (1590-1670) en kwam de calvinistische regent Jacobus Revius (1586-1658) hier aan zijn eindje.

Tekenaar en schrijver Marten Toonder woonde in de oorlogsjaren aan de Witte Rozenstraat 27e en zag op 10 mei 1940 de eerste Duitse vliegtuigen overkomen.

Nu steken we de Nonnenbrug over en vervolgen onze weg rechtsaf aan de evenzijde van het Rapenburg.
Blijf even op de brug staan en kijk recht vooruit naar het beroemdste balkonnetje van Leiden boven café Barrera met de naam Welgelegen. Dit was in de oorlogsjaren de studentenwoning van Erik Hazelhoff Roelfzema, Soldaat van Oranje.
'Dan komt er een moment dat je zegt, iemand moet het doen.' Roelfzema hoorde na de protestrede van professor Cleveringa de aanwezige studenten het Wilhelmus aanheffen. We schrijven 26 november 1940. Hij ging vervolgens op zijn kamer in de houding staan en zong heftig geëmotioneerd uit volle borst ons volkslied mee. Na het ontslag van de joodse hoogleraar Meijers vond Cleveringa dat de Duitse bezetter te ver was gegaan en riep op tot een studentenstaking. Die kwam er, waarop de Duitsers de universiteit sloten. In veel gevallen gingen de colleges ondergronds verder. Examen konden de studenten niet doen, maar dat zou later wel weer ingehaald worden. Iedereen was ervan overtuigd dat de bezetter het hier geen jaren zou uithouden.
Omdat er op last van de bezetter  geen colleges meer gegeven mochten worden gingen verhoudingsgewijs veel studenten in het verzet. De broers Huib en Jan Drion bijvoorbeeld brachten gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog samen met Hazelhoff Roelfzema onder studenten het verzetsheld De Geus uit. Soms bedroeg de oplage zelfs 5000 exemplaren.

In de voor u liggende Kloksteeg op nummer 4 heeft in zijn studententijd van 1884 tot 1889 de dichter J.H. Leopold gewoond. (Bekendste dichtregel: Om mijn oud woonhuis peppels staan.)

We zien even verderop de dichtregel staan: For whom the bell tolls van Ernest Hemmingway. Het is een regel uit de volgende tekst van de Engelse schrijver.

'No man is an island of it selfe; every man is a peece of the Continent, a part of the maine; if a God bee washed away by the Sea, Europe is the lesse, as well as if a Promontoire were, as well if a Mannor of thy friends or of thine owne were; any mans death dimishes me, because I am involved in Mankide; And therefore never send to know for whom the bell tolls; it is for thee.'

We lopen terug naar het Rapenburg en gaan nu linksaf.

We lopen langs het woonhuis van Matthias de Vries. We zijn hem eerder tegengekomen als motor achter het WNT. Samen met collega Te Winkel ontwikkelde hij De Spelling De Vries en Te Winkel. Wij, Neerlandici, hebben veel aan hem te danken. De Vries ligt begraven op de historische begraafplaats Groenesteeg onder nummer 265.

Dan passeren we het bestuursgebouw van de universiteit, Rapenburg 70-74. Tot 1983 was in dit gebouw de universiteitsbibliotheek gevestigd. Daarvoor was hier het Faliede Begijnhof te vinden. Een falie is een habijt zonder mouwen, maar wel met een kap. In de gigantische binnenstadstuin, de zogenaamde Vredevoogdtuin, als het hek open is vrij toegankelijk, vinden we het muurgedicht Stoa van Albert Verweij. Omdat de tuin niet altijd geopend is, druk ik het ook hier af.

Stoa

Wie de slag van 't zwemmen en de kunst 
Zich door de golven te doen dragen leerde
Kreunt zich langer om ongunst noch gunst
Van 't getijde. 't Onvermijdbre zinken 
Beangst hem niet. Het bitterste te drinken 
Is aan 't eind misschien het dan begeerde.



In het plaveisel voor het bestuursgebouw zien we een granieten gedenksteen uit 2009 van de hand van Jan Kleingeld met daarop een gedicht dat door de gemeente is aangeboden bij het vertrek van rector magnificus Douwe Breimer, tevens ereburger van de stad.

Laat je zoon studeren
Laat hem voor minister leren
Laat je zoon studeren
Aan een universiteit 
Laat je zoon studeren
Om de buurt te imponeren
Laat het circuleren 
En je aanzien is een feit.

Laat je zoon studeren 
En hem later promoveren 
Laat je zoon studeren 
Hij krijgt overwicht en tact
Laat je zoon studeren 
En hij wordt zonder mankeren 
Een van die meneren 
Waar de maatschappij naar snakt.

De eerste strofe van het vers ligt half op grond van de universiteit en half op gemeentegrond om uit te drukken wat Breimer allemaal voor de stad Leiden betekend heeft. Hij was een belangrijk aanjager van de ontwikkeling van het Bio Science Park.
Het vers van Floor Kist stamt uit 1957 en werd toen vertolkt door het Leidsch Studentencabaret met daarin niemand minder dan cabaretier Paul van Vliet. Van Vliet: "Met dit lied hebben we in die tijd veel gedonder gehad vanuit feministische hoek. Maar ja, zoon en dochter klonk gewoon niet goed, dus hebben we het maar zo gelaten."

In het midden van de tuin is in 2013 een boom geplant naar aanleiding van de inhuldiging van koning Willem Alexander die in Leiden geschiedenis heeft gestudeerd 
en op Rapenburg 116 heeft gewoond.

De grote literator en hoogleraar klassieke letteren, geschiedenis en staatkunde Daniël Heinsius (1580  - 1655) woonde in het Begijnhof, in het inhammetje, wat nu nummer 1a en 2a is. De Nederduytsche Poemata. Heinsius werd begraven in de Pieterskerk.

Herinneringsplaquette Jacob Geel Rapenburg.Geel was bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek en schreef Gesprek op den Drachenfels. Vanaf 1836 woonde Jacob Geel ook enige jaren aan de Hooglandse Kerkgracht 22. 

Aan de overkant, in het pand van In Den Gapenden Eter heeft waarschijnlijk de rechtsgeleerde Hugo de Groot  in zijn studententijd gebivakkeerd. Hij woonde in ieder geval in 1597 bij een zekere Junius tegenover het Begijnhof.

Precies in de bocht van het Rapenburg raakte hoogleraar Slavische Talen Karel van het Reve, inderdaad de broer van, met zijn autootje te water. De toevallig op weg naar Reves college zijnde Maarten Biesheuvel heeft hem toen zijn pak geleend, maar de hele historie wil dat Reve zijn natte sokken en schoenen het hele college heeft aangehouden.

On n'y soit qui mal y pense betekent 'wee diegene die hier slecht van denkt.'

Op Rapenburg 88 bevindt zich huize Jeruwel. In dit pand richtten Paul van Vliet en Floor Kist op 7 oktober 1957 het Leidsch Studentencabaret op, dat in binnen- en buitenland veel successen wist te boeken.

De brug aan de overkant heet de Sint Jeroensbrug. De Vliet komt hier uit in het Rapenburg. Op deze plek kwamen de Geuzen in de vroege morgen van 3 oktober 1574 met platbodems de stad binnen en deelde haring, wittebrood, kaas en sigaren uit, een historisch feit dat we nog jaarlijks op 3 oktober gedenken. Op de gedenksteen op de Sint Jeroensbrug staat de volgende tekst:

Men was in groot verdriet
Want eten wasser niet
Ent volc van honger schreiden 

Ten laetst God nedersiet 
En zont deur desen Vliet 
Broot spijz en dranc in Leiden.

Pieter Cornelisz Hooft beschrijft in zijn Nederlandsche Histoorien, alsof hij er zelf bij stond,  hoe de Geuzen door de uitgehongerde,  maar toch ook uitgelaten bevolking in de stad worden verwelkomd: 'Men scheen er verrezen van de dood; en met reppen en roeren zijn achterstal van levendigheid te willen inhalen; zo woelde 't en krioelde 't door straten en stegen; inzonderheid aan de Vlietbrug, waar de lijftochtschepen door de veste schoten. Het holgehongerd volk, wijf, man, oud, jong boordde bol en dik de oever, en overwelfde, zo veel hun doenlijk viel, de vaart, met uitstrekken van schouderen, armen en handen, om te bereiken, te vangen, te grabbelen 't broot, haring, kaas, en andere spijzen hun toegestoken of -geworpen door de bootsluiden. Sommigen liepen of sprongen ten halze toe in 't water, of zwommen aan de schepen. Dezelfde luiden, zo nat en druipende als zij waren, ook anderen die iets gekregen hadden, schooiden er mee steewaarts in, verkondigende d'algemene behoudenis. Alle buurten en wijken gewaagden van de roep: Leiden, Leiden is ontzet. Gode lof in der eeuwigheid.'

Op Vliet 15 woonde Elias Annes Borger (1784 - 1820). Borger studeerde hier vanaf zijn zeventiende en werd hier later hoogleraar theologie en letteren. Zijn eerste vrouw overleed in het kraambed, hij hertrouwde en zijn tweede vrouw stierf eveneens in het kraambed, met het pasgeboren kind erbij. Niet verwonderlijk dan ook dat hij als gevolg van deze traumatische ervaringen in een diepe depressie schoot, waarbij hij alleen maar bij zijn dierbaren wilde zijn. Borger schreef nog wel het gedicht Aan den Rhijn, dat ook in de Camera Obscura van Hildebrand is vereeuwigd, waarin het hopeloos voorgedragen werd door mevrouw Dorbeen. Hij stierf op 37-jarige leeftijd in Katwijk waar ook een straat naar hem vernoemd is.

Aut viam inveniant aut faciam. Deze uit het Latijn afkomstige tekst vindt u op het bankje voor het huis Rapenburg 108. De vertaling hiervan luidt:
Ik zal een weg vinden en anders zal ik er een maken. Deze zinsnede wordt toegeschreven aan Hannibal, nadat hem te verstaan was gegeven dat het onmogelijk zou zijn om over de Alpen te trekken. Uiteindelijk heeft hij het met zijn olifanten 🐘 toch gered.

Op Rapenburg 120 vinden we een uit dankbaarheid door Amerikanen aangeboden plaquette ter meerdere eer en glorie van Johan of Jean Luzac (1746 - 1807.) Jean Luzac was uitgever en journalist van de Gazette de Leyde. De krant werd in 1677 door een aantal Hugenoten opgezet en werd later ook nog door Jeans vader gerund, maar door zijn zoon Johan tot nog grotere hoogte gestuwd. De krant was wereldvermaard vanwege zijn internationale nauwgezetheid. In zijn tijd was het de meest gezaghebbende krant ter wereld met internationale kopstukken als Lodewijk XVI en Voltaire als abonnee. Helaas was Johan Luzac een van de vele slachtoffers van de buskruitramp van 1807. Hij belandde daarbij jammerlijk in het kolkende water van het Rapenburg. Op deze plek werd Luzac door de kracht van de klap het water in geslingerd.

De naam van Rapenburg 120 is Domula Gallarum. Het is een meidenhuis van studentenvereniging Minerva en herbergt 45 meiden. De Latijnse tekst Domula Gallarum betekent zoiets als Huis voor de Hanen. Minervanen zelf spreken liever over Het Kippenhok. Grappig om te weten is dat koning Willem Alexander in zijn studententijd vlak naast Het Kippenhok op Rapenburg 116 heeft gewoond. Hier ontmoette hij Emily Bremer, van wie we ee tijd gedacht hebben dat zij onze nieuwe koningin zou worden.

Aangekomen bij de brug ziet u dat aan beide zijden van het Rapenburg de bebouwing abrupt ophoudt om na zo 'n 250 meter weer opnieuw te beginnen. De bebouwing liep tot 1807 dan ook gewoon door. Echter, op 12 januari 1807 om kwart over vier ontplofte op deze plek een hier gelegen Kruitschip. Als we door het van der Werffpark lopen zien we aan de overkant nog een herinneringsplaquette die de plaats van de ramp aanduidt. De klap was volgens onbetrouwbare bronnen tot in Friesland te horen. 

Bekend in dit kader is de anekdote van de huisvrouw van professor Jona Willem Te Water die woonde op wat nu de hoek van het Rapenburg en de Douzastraat vormt, nog geen vijftig meter van het epicentrum van de klap. De vrouw was stokdoof, maar meende nu toch echt wat gehoord te hebben. Vlak na de klap keek ze even op van haar breiwerk en vroeg aan haar man: 'Zei u wat, Te Water?'

Tot de 151 dodelijke slachtoffers van de ramp behoorde onder andere de zus van Hieronymus van Alphen, de achttiende eeuwse dichter van de Kleine Gedigten voor Kinderen. Het bekendste gedicht hieruit is op zeker:

Jantje zag eens pruimen hangen
O, als eieren zo groot 
Het scheen dat Jantje wou gaan plukken 
Schoon zijn vader 't hem verbood.

Er raakten ongeveer 2200 personen gewond. Natuuronderzoeker, arts, schilder en dichter Le Franq van Berkhey, geboren en getogen Leidenaar ( 1729 - 1812) verloor zijn huis en bijna zijn leven. Koning Lodewijk zorgde ervoor dat alle daklozen konden worden ondergebracht in het speciaal voor dit doel opengestelde Huis Ten Bosch in Den Haag, het latere koninklijke paleis.
Le Franq van Berkhey studeerde eerst klassieke talen, maar promoveerde in de medicijnen. Zijn bekendste werk is de dichtbundel Het onbedwingbare hart. Hij ligt begraven in de Hooglandse Kerk, waar hij een schitterend grafmonument heeft.

Wonder boven wonder bleef de toren van de Saaihal overeind. De katholieke kerk die er later zijn intrek nam heeft de kerk Lodewijkskerk genoemd, naar de Heilige Lodewijk. De jas van de Heilige Jacobus boven de voordeur is gemaakt in de vorm van een jacobsschelp.

De ramp zorgde ook voor een primeur. Koning Lodewijk Napoleon kwam vijf uur na de ontploffing een kijren op de rampplek en nam slagvaardig de reddingswerkzaamheden ter hand. Hij zegde meteen allerlei hulp toe en bracht ook inderdaad ook een zak geld mee, 30.000 gulden. Een door hem geïnstireerde nationale collecte leverde twee miljoen gulden op. 
Na hem zouden veel staatshoofden deze bemoedigingspoging bij nationale rampen overnemen.Toch zou het nog enige tientallen jaren duren voordat De Ruïne, zoals de rampplek in de volksmond was gaan heten, weer opnieuw werd opgebouwd. Aan de overkant zien we nu het Kamerling Onnesgebouw, vroeger een natuurkundig laboratorium, tegenwoordig rechtenfaculteit. Het gelukte deze geleerde om  het edelgas helium vloeibaar te maken. Zijn lijfspreuk was niet voor niets: Door meten tot weten. Voor zijn tomeloze inspanning ontving Kamerling Onnes de Nobelprijs voor de Natuurkunde, een eer die ook de Leidse natuurkundigen Lorentz, Van 't Hoff, Van der Waals en Zeeman tebeurt viel. Willem van Einthoven ontwikkelde op deze plaats het eerste elekrocardiogram. Ook hij ontving een Nobelprijs voor de Geneeskunde.

We gaan nu linksaf de Nieuwsteeg in. 
Rechts van u treft u een gebouw aan waar de natuurkundige Kamerling Onnes op zoek geweest is naar het absolute nulpunt. zijn lijfspreuk was: 'Door meten tot weten', de tekst die ook op zijn borstbeeld staat voor de ingang van het naar deze Nobelprijswinnaar genoemde gebouw. Professor Dirk van Delft, directeur van museum Boerhaave, schreef een lijvige biografie over leven en werk van Kamerling Onnes, een werk dat zelfs voor alfa's heel goed te pruimen valt.
Aparte aandacht vraag ik u even voor het muurgedicht De Schoolverlater van Gerrit Komrij dat is aangebracht op de muur van het Kamerling Onnesgebouw rechts van u. Het behoort niet tot de 101 muurgedichten van de Stichting Tegenbeeld. Dit gedicht werd in 2008 door de studentenverenigingen van Leiden aangeboden ter gelegenheid van het vertrek van rector magnificus Douwe Breimer. Het veertienregelige sonnet gaat als volgt:

De Schoolverlater

Een rijstebrijberg ben ik doorgegaan 
Van schoolse weetjes en verplichte stof
Waar drang naar vrijheid niet was toegestaan 
Waar alles op mij viel en niets mij trof.

Tot ik belandde in een open veld 
Ver van de regels en de kouwe drukte
Waar mij een pauw van wijsheid heeft verteld 
En ik de kennis van de bomen plukte.

Ik had voor nutteloosheid alle tijd 
En trof daar goud aan als ik kiezels zocht
Die wereld heette universiteit.

Een wereld die nu, hoor je wel beweren 
Aan wolf en snelheidsduivel wordt verkocht
Alsof je bankpapier op brood kunt smeren.


Aan het eind van de steeg zien we op Nieuwsteeg 1 links een uithangbord met daarop de tekst Templum Salamonis. Het betekent Tempel van koning Salomon. Salomon werd in het Oude Testament gezien als een wijs man, vandaar ook  het begrip salamonsoordeel. Vrij vertaald betekent Templum Salamonis dus zoiets als Tempel van de Wijsheid.Templum Salamonis kan gezien worden als een van de eerste particuliere bibliotheken. Deze bibliotheek was eigendom van Philips van Leyden, van beroep kanunnik en grafelijk ambtenaar en Nederlands eerste rechtsgeleerde waarvan geschriften zijn overgeleverd. Na zijn overlijden werd de bibliotheek opengesteld voor een aantal mensen die bij testament waren aangewezen. Er stonden slechts 42 kostbare banden. Voor het lenen moest dan ook een pittige borgsom betaald worden en een karaf wijn voor de bibliothecaris.
Het pand heeft in al die eeuwen van zijn bestaan altijd een relatie met boeken gehad. Nu nog is er van een boek bekend dat het ooit tot de verzameling van Philips van Leyden heeft behoord.
Christophel Guyon drukte hier in het begin van de zeventiende eeuw pamfletten, de bekende boekenveiling van Burgersdijk  & Niermans was hier gevestigd en er was een antiquariaat met het accent op kostbare boeken. 
Zowel Jan Wolkers in Kort Amerikaans als Harry Mulisch in De Ontdekking van de Hemel hebben zich door Templum Salamonis laten inspireren. Mulisch noemt het hier echter Tempel der Zotheid.

Aan de overkant van Templum Salamonis op Pieterskerkkerkhof 40b vinden we de Bibliothèque Wallone die zich speciaal richtte op de Franstalige bevolking. Het gebouw, dat ook als hospitaal  en weeshuis in gebruik is geweest, heeft een kapconstructie uit 1380 en is daarmee waarschijnlijk het oudste gebouw van de stad. Leiden beschikte niet alleen over een Waalse Bibliotheek, maar ook over een eigen hospitaal, het Hopital Wallon aan de Papengracht (nu het grootste Minerva-studentenhuis) en een kerk aan de Breestraat de Eglise Wallon aan de Breestraat. Iedere zondagochtend worden er nog steeds in de Franse taal diensten opgedragen. Culte le dimanche à dix heures et demi staat er op de deur van de Waalse Kerk naast de Stadsgehoorzaal.
Er was zelfs een compleet nieuwe volkswijk nodig om alle Franstaligen op te vangen, de Franse buurt, die gebouwd werd ten noorden van de Oude Singel. Het duurde zeker drie generaties voordat de nieuwkomelingen een beetje Nederlands gingen spreken en zich gingen mengen onder de autochtone bevolking. Wat dat betreft is er nog steeds niets nieuws onder de zon, dure inburgeringstrajecten ten spijt. Het zal u overigens verbazen hoeveel Leidenaars er nog met een Franse achternaam of verbasterde achternaam rondlopen. Ook ik ben er een van. De Franstaligen kwamen naar Leiden, onder andere omdat ze in Frankrijk na de intrekking van het Edict van Nantes hun protestantse geloof niet meer mochten belijden. Ze worden Hugenoten genoemd. Echter, een groot gedeelte kwam hier om economische redenen. Hier in Leiden was volop werk te vinden en was en is men zeer verdraagzaam. De Fransen genoten hier godsdienstvrijheid. En de Fransen hadden geld, kennis en waren werkwilend. De Leidse gemeenschap wilde niet opdraaien voor alle kosten bij ziekte of werkloosheid, dus moest de achterblijvende familie borg staan. Leidse gemeente-ambtenaren togen naar het noorden van het huidige Frankrijk, in de buurt van Henegouwen en Valenciennes, om er arbeiders te charteren. De overeenkomst werd op papier gezet. Ze kwamen hier ongetwijfeld lopend naar toe om een nieuwe toekomst op te bouwen. Als ze geluk hadden konden ze misschien met een boot een stuk de rivier de Schelde afzakken. Leiden was wel goed maar niet gek. Hier werken was okay, zo niet dan moesten die Fransen terug of verzorgd worden door leden van de eigen gemeenschap. Dat terugsturen gebeurde echter maar zelden. Een ding is zeker, zonder al die immigranten was er geen Gouden Eeuw geweest en had Leiden nu niet op de kaart gestaan.
Rond 1700 telde de Franse gemeenschap naar schatting zo'n 5000 leden. Dat moet zijn weerslag hebben gehad in het typisch Leidse dialect. De uitdrukking 'niet dan' aan het eind van een zin is een rechtstreekse vertaling van het Franse n'est-ce pas. En de rollende r heeft ook zijn roots in het Frans dat de nieuwkomers spraken.
Nu ligt het grootste deel van de Bibliothèque Wallone opgeslagen in de universiteitsbibliotheek in Leiden te wachten op ontsluiting. Wie heeft er interesse?
Ook oud-burgemeester Cees Goekoop had op dit adres achttien jaar lang zijn pied-a-terre en schreef er zijn  boek 'Op zoek naar Ithaca', een duiding van Odysseus' zeereis.

We gaan linksaf de Kloksteeg en zien al gauw een gedenksteen die herinnert aan de werkplek van de dichter van de Tachtiger Beweging Albert Verweij. Albert Verweij was de eerste hoogleraar Nederlandse Letterkunde. Het pand werd vroeger gebruikt voor het geven van colleges. Albert Verweij richtte samen met Willem Kloos De Nieuwe Gids op. Verweij woonde in Noordwijk.

John Robinson was de leider van The Pilgrim Fathers en woonde in het Jean Pesijnshofje. Voorganger Robinson wilde met een groep gelovigen naar New England met het zeilschip The Mayflower. Hij heeft dat zelf helaas niet mogen meemaken en werd onder het nodige ceremonieel begraven in de Pieterskerk.

We lopen om de Pieterskerk heen. De laat-gotische Pieterskerk is vernoemd naar Sint Petrus. Petruskerk is de beschermheilige van de stad. Hij had als bewaker van de hemelpoort de beschikking over de sleutels hiervan. Vandaar de twee gekruiste sleutels in het Leidse gemeentewapen. In de stad zult u het verschillende keren zijn tegengekomen. Ooit beschikte de Pieterskerk over een majestueuze kerktoren, de hoogste van Nederland, die zelfs de schippers op zee tot baken diende. Op 4 maart 1512 stortte de toren echter met donderend geraas in om nooit weer opgebouwd te worden. Leiden is verder nooit rijk aan torens geweest.

Jeroen Windmeijer schreef met De bekentenissen van Petrus een ware Leidse thriller. Zijn tweede roman heet Het Pauluslabyrint. 

In de Pieterskerk ligt onder andere de dichter, staatsman en hoogleraar in de Welsprekendheid Johannes van der Palm begraven. Hij woonde aan de Nieuwe Rijn op nummer 43. In zijn hoedanigheid van Minister van Onderwijs gaf hij de Leidse taalkundige Matthijs Siegenbeek in het begin van de negentiende eeuw opdracht tot het ontwerpen van een uniforme spelling van het Nederlands.

Recht voor ons op het Pieterskerkhof zien we het Gravensteen, de voormalige grafelijke gevangenis, nu in gebruik van de faculteit Rechten. Boven de gevel waakt
Vrouwe Justitia over ons. Waar Vrouwe Justitia overal wordt afgebeeld met twee attributen, krijgt ze er Leiden maar liefst drie; kijk maar. Een zwaard, een weegschaal en een bliksemafleider, want ze mag natuurlijk niet de kolder in de kop krijgen. Let u ook eens de leeuwen in het fronton onder Vrouwe Justitia. Lijken de genitaliën niet heel erg veel op die van een man?


In een van de huisjes die tegen de Pieterskerk lijken geplakt woont filosoof Ad Verbrugge.

In de Lokhorststraat lopen we recht tegen de Latijnse school op, de plek waar Rembrandt van Rhijn en Jan Steen schoolgingen. Het poortje van de naastgelegen rectorswoning van de Latijnse School staat nu naast het Gravensteen en draagt de tekst Tuta est aegide Pallas en betekent Pallas (de godin van de wetenschap) is veilig achter haar schild.


Pieterskerkgracht 
Ars Aumula Naturae (de kunst wedijvert met de natuur). Deze teken- en schilderacademie werd bezocht door Jan Wolkers. Niet verwonderlijk dan ook dat deze locatie voorkomt in een van zijn romans te weten: Kort Amerikaans. Eric van Poelgeest loopt daar: 'Halverwege de Pieterskerkgracht bleef hij staan en keek naar de gevel van de schilderacademie aan de overkant. Vlak onder de dakgoot zaten twee gevelstenen waarop, tegen een fluweelzwarte achtergrond, in gouden kapitalen stond RUST BAART LUST en LUST MET GOD IS RUST. Langzaam slenterde hij de straat over. Links van de groene deur zat een bord: Teken- en Schilderacademie ARS AEMULA NATURAE. Hij zocht naar een bel maar kon die nergens ontdekken. Toen sloeg hij een paar keer met zijn vuist op de deur die onder de slagen meegaf. Hij duwde hem open en liep een ruime marmeren hal in waar vijf deuren op uitkwamen, vier geelgeokerde, rechts twee en links twee, en een groene deur vóór hem tussen twee boogramen waardoor een kil licht naar binnen viel. Hij keek naar de plaquette die boven de deur zat en waarop in verzonken gouden letters stond Gesticht door Jan Kneppelhout.'  Al deze teksten zijn nog ter plekke aanwezig. 
Boven de deur hangt de tekst Pax Huic Domui en dat betekent zoveel als Vrede zij dit huis. De Leidenaars maakten hiervan als naam voor het huis Pakhúisdominee.
De hoofdpersoon heeft hier seks met een gipsen tors. Voor de verfilming van Kort Amerikaans is een replica van deze tors gemaakt en deze staat er nog steeds.

De dichter Philips Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598) stierf in het huis Pieterskerkgracht 7. We kennen hem vooral door de satire Byencorf der H. Roomsche Kercke, dat in 1569 het licht zag. Hij werd door velen eveneens beschouwd als de schrijver van het Wilhelmus, volgens het Guiness Book of Records het oudste volkslied ter wereld. Echter uit een zogenaamd stylometrisch onderzoek uit 2016, waarbij verschillende teksten van schrijvers uit de tijd van ontstaan in 1568 naast elkaar worden gelegen en via speciaal ontwikkelde computerprogramma's op allerlei tekstverwerken worden vergeleken, blijkt Petrus Datheen, de oude psalmberijmer, eerder als schrijver van het Wilhelmus in aanmerking te komen dan Marnix van Sint-Aldegonde. Marnix werkte hier ook aan een nieuwe bijbelvertaling.Tussen 1625 en 1635 werkte in opdracht van de Synode van Dordrecht (1618-1619) op kosten van de Staten-Generaal een team vooraanstaande schriftgeleerden uit het hele land aan deze voor de Nederlandse taal zo belangrijke megaklus. Ook de druk van deze Statenbijbel vond te Leiden plaats.

Het kortste steegje van Leiden is ongetwijfeld het Berkendaalstraatje, door Maarten 't Hart abusievelijk Berkendaalsteegje genoemd, maar dat zij hem vergeven.

We gaan rechtsaf de Langebrug op.

Links van ons zien we nog ne t het uithangbord  van discotheek Nexus, waar de wereldberoemde dj en Leidenaar Armin van Buuren zijn eerste plaatjes draaide.
Even opletten. We gaan nu rechts een heel smal steegje in, de Arend Roelandsteeg. Arend van Rollandt was in de 15e eeuw schepen, zeg maar een soort wethouder van Leiden. We gaan nu links af de William Brewstersteeg in. Hier had de naamgever van deze steeg zijn Pilgrim Press. Brewster was een van de belangrijkste figuren van the Pilgrim Fathersgroep die zich in Leiden had gevestigd en drukte hier verschillende godsdienstige traktaten. Niet onwaarschijnlijk is dat hier de voorloper van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van de pers rolde.

We gaan linksaf de Pieterskerkchoorsteeg. Hier links op nummer 12 is Jan van Leyden geboren, bekend van de uitdrukking zich er met een Jantje van Leyden van afmaken. Op de Pieterskerkchoorsteeg nummer 5 woonde tussen 1844 en 1849 Conrad Busken Huet. Hij studeerde rechten in Leiden. Busken Huet schreef verschillende verhalen in de Leidse studentenalmanak, maar hij geniet toch vooral bekendheid vanwege zijn roman Het Land van Rembrandt.

Op de Lange Pieterskerkchoorsteeg nummer 20 was op de bovenverdieping van een drukker de vergaderzaal van de Rederijkerskamer Kunst wordt door arbeid verkregen gevestigd. Naar verluidt konden er aan de groen gedekte tafel wel negentig leden plaatsnemen. Bedoeling van de Rederijkerskamer was om elkaars werk te becommentariëren, zodat het op een hoger plan gebracht kon worden. Ook werden er prijsvragen uitgeschreven, waar Willem Bilderdijk zeker twee keer de eerste prijs heeft gewonnen. De knorrepot vond het een hele eer, totdat hij erachter kwam dat er slechts twee inzendingen waren. Desalnietemin werd Bilderdijk een regelmatige gast bij Kunst wordt door arbeid verkregen.

In de vroeg zeventiendeeeuwse tuitgevel van Langebrug 83 vinden we een gevelsteen met daarop de tekst: Tandem bona causa triumphat hetgeen betekent: Op den langen duur zal de goede zaak zegevieren. Op dit adres woonde van 1830 tot 1832 de jonggestorven romanticus Aarnout Drost (1810-1834). Hermingard van de Eikenterpen (1832) is zijn bekendste werk.

Iets verder aan de rechterkant zien we een klein poortje.
De zeventiendeeeuwse Hollandse kunstchilder Jan Havickszoon Steen (1625 of 1626 - 1679) woonde en schilderde de laatste tien jaar van zijn leven in De Gecroonde Liefdepoort. Hij is in Leiden geboren en gestorven in Leiden en werd begraven in de Pieterskerk. Ondertussen woonde en werkte hij ook in Haarlem, Delft en Warmond. In Leiden bezocht hij net als Rembrandt van Rhijn de Latijnse School. Studeren aan de universiteit werd geen succes, maar door zijn inschrijving kon hij zich wel aan allerlei burgerlijke plichten onttrekken. Hij voorzag in zijn onderhoud als handelaar in graan en brouwer en herbergier. De huiselijke taferelen die hij veelvuldig schilderde getuigen van humor. De scènes zien er heel alledaags en rommelig uit, vandaar de uitdrukking Een huishouden van Jan Steen. Hij zette gewone mensen op het doek. Een lekkere bende. Helemaal niks verhevens. Zijn werk kenmerkt zich door een uitbundig kleurgebruik. Jan Steen had een bijzonder oog voor detail en zijn schilderijen zitten vol symboliek, die vier eeuwen later soms moeilijk te duiden valt. De stijl waarin  Steen schilderde wordt Barok of Caravaggisme genoemd, naar het grote Italiaanse voorbeeld.
Ook de uitdrukking 'leven in de brouwerij' lijkt afkomstig van Jan Steen. Zijn vrouw zou haar beklag hebben gedaan over de teruglopende omzet in de herberg. Het bier was uitverkocht. Niet uitgesloten wordt dat Jan Steen zelf daar een heel groot aandeel in gehad had. Er moest meer leven in de brouwerij komen. Steen nam dat wel heel letterlijk, greep een paar eenden en deed ze al tegenspartelend en kwakend in de brouwketel en zie, er was weer leven in de brouwerij. Zijn vrouw kon haar lachen uiteindelijk toch niet inhouden.

Op nummer 107 zien we een gedenksteen ter herinnering aan de dichter en essayist over poëzie J.C. Bloem. Jacobus Cornelis (Jacques) Bloem leefde van 1887 tot 1966. Bloem woonde en werkte hier van 1900 tot 1905, hij was dus nog heel jong, toen hij hier verbleef. Hij ging in Leiden naar de HBS op de Pieterskerkgracht en woonde in bij geschiedenisleraar J. Kunst. Hij moest van zijn vader rechten gaan studeren, maar daar had Bloem helemaal geen zin in. In de poëzie was volgens zijn vader geen droog brood te verdienen. Liever hield hij zich bezig met poëzie, hij zou beïnvloed zijn door het werk van Jacques Perk. 'Alles is veel, voor wie niet veel verwacht' is een veel geciteerde dichtregel van Bloem.

Domweg gelukkig in de Dapperstraat uit de bundel Quiet though sad is een van zijn bekendste gedichten. Hier volgt het sonnet:

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen 
En dan: wat is natuur nog in dit land.
Een stukje bos ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe stedelijke wegen
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omarmd
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat 

Nog zo'n bekende regel van J.C.Bloem komt uit het gedicht Insomnia dat slapeloosheid betekent. Een perfect voorbeeld van het stijlfiguur chiasme of kruisstelling:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen
En niet slapend denk ik aan de dood.


We gaan linksaf de Ketelboetersteeg in en steken over naar de Korenbeurs en de Burgsteeg.

Het ronde bankje op het pleintje voor de Burchtheuvel wordt ook wel het Beetsbankje genoemd. Jaarlijks vindt hier aan de voet van de Burchtheuvel de Leidse Olympus plaats, een laagdrempelig literair evenement waarbij schrijvers en dichters van naam uit eigen werk komen voordragen.

De ruimte rechts van u is nu in gebruik als openbare bibliotheek. Vele Leidenaars maken er gebruik van om boeken te lenen, maar ook biedt de bibliotheek veel sfeervolle rustpunten voor zelfstudie. Loop gerust eens naar binnen en verbaas u over het fantastische uitzicht op de Hooglandse Kerk. Vroeger was Het Heerenlogement hierin gevestigd en nog eerder kwam de Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid, ook wel De Romantische Club genaamd, hier bijeen en schotelden de leden elkaar hun gekunstelde schrijfproducten voor. Onder hen steevast J. Kneppelhout  Klikspaan) en N. Beets (Hildebrand). Samen met J.P. Hasebroek (publiceerde ook onder het pseudoniem Jonathan) en L. Ten Kate worden ze wel de dominee-dichters genoemd waar de Tachtigers zo tegen ageerden.

De zaal met schouw en met uitzicht op de Burchtheuvel is nog steeds vrij toegankelijk via de ingang van de bibliotheek in de Nieuwstraat 4. 

We vervolgen onze wandeling in de richting van de Hooglandse Kerk.

Dit gedeelte van de Nieuwstraat, voor café De Twee Spieghels vormde het decor voor de verfilming in 1975 van Keetje Tippel naar de drie boeken Jours de famine et de détresse (Dagen van honger en Ellende), Keetje en Keetje Trottin van Neel Doff onder regie van Paul Verhoeven, met muziek van Rogier van Otterloo en een meeslepend lied van de Leidse Zangeres zonder Naam. Het is de succesvolste Nederlandstalige film ooit. Met ruim 1.8 miljoen bioscoopbezoekers was het de grootste kaskraker van de zeventiger jaren. Als u even alle fietsen wegdenkt waant u zich zo weer een eeuw terug in de tijd.

We laten de Beschuitsteeg rechts liggen. In deze steeg woonde in zijn studententijd Gerrit van de Linde, alias De Schoolmeester, al is niet meer te achterhalen waar precies. Omdat hij het had aangelegd met de echtgenote van zijn hoogleraar moest hij spoorslags benen maken richting Engeland. Bovendien werd het hem hier te heet onder de voeten vanwege het hoge aantal schuldeisers dat aan zijn deur zat te morrelen.

We lopen verder richting café De Uyl van Hoogland. Hier verzuchtte Maarten 't Hart in Avondwandeling: 'Hier was het net of ik weer in Maassluis was, en op de Middelweg leek dat ook nog zo omdat ook daar dezelfde lantaarns waren. We vlogen door de Hartesteeg over het Gangetje naar de Steenschuur.' Maarten 't Hart vond Leiden ten opzichte van Maassluis net een maatje te groot. Had Leiden dan geen enkel voordeel. 't Hart: 'O, jawel hoor, waar je je in Leiden ook bevindt, binnen tien minuten ben je er weer uit.'

Aan de rechterkant van de Nieuwstraat passeren we nu een gevel uit 1650 met de naam 't Wijfshoofd, waarmee klaarblijkelijk werd bedoeld dat de vrouw des huizes hier de broek aan had en het voor het zeggen had; maar kijk eens goed helemaal naar boven; daar zien we de hand van een man; het huis heet daarom niet voor niets: Mans Hand Boven.

Aan de overkant zien we veilinghuis Onder de Boompjes waar regelmatig veilingen van eerste drukken plaatsvinden.

Aan het eind gekomen van de Nieuwstraat gaan we linksaf de Hooigracht op. Een rasechte Leidenaar is te herkennen aan de uitspraak van deze straat. Hij spreekt het uit als Hooiegracht en maakt er drie lettergrepen van.

In het pand Olivier was vroeger het door architect Van der Laan het katholieke Elisabeth Ziekenhuis gevestigd. In de Tweede Wereldoorlog stortte een vliegtuig neer precies op de binnenplaats van ziekenhuis. Wonder boven wonder vielen er geen slachtoffers te betreuren.

Op Hooigracht woonde de natuurkundige Lorentz, een van de 14 Leidse Nobelprijswinnaars.

Op Hooigracht 94 woonde Carel Jan Schneider die we beter kennen onder zijn pseudoniem F. Springer. Hij publIciceerde in 1981 de roman Bougainville. In de roman Zaken over zee (1977  beschrijft F. Springer de stad als volgt: 'Ik scharrelde wat met meisjesstudenten Jennen, Corrie, Annet enzovoorts, 's zomers in Noordwijk,  'winters bij de gloed van potkachels in de straatjes rond het Rapenburg, en zette mee met lichte walging aan het voltooien van de studie.'

We gaan nu rechtsaf en lopen de Groenesteeg in en lopen deze helemaal uit. Ongeveer in het midden gaan we over de boogbrug van de Herengracht. Nick Nicholls schrijft er over in Kartonnen Doos. 'onderweg kwam ik heel toevallig deze oom tegen op de fiets die hij voor de Duitse bezetters had verstopt en waar hij prompt vanaf viel toen we elkaar ontmoetten. Hij is mij gaan aankondigen en korte tijd later stapte ik op de Herengracht ons huis binnen.'
In House with a view van W. van Toorn lezen we: ' 's Avonds wandelden we soms door de buurt aan de overkant. Het was een armoedige wijk met grachtjes waar je haast overheen kon stappen en nauwelijks steegjes die geloof ik bijna allemaal Groenesteeg heten.'
Aan het eind van de Groenesteeg vinden we een verstild plekje, de voormalige begraafplaats Groenesteeg. Vele wetenschappers vonden hier hun laatse rustplaats, waaronder de taalkundige Matthias de Vries. Het bekendste graf is misschien toch wel dat van de moeder van de tijdens zijn leven zo miskende schilder Vincent van Gogh.

Via het Lakenplein gaan we twee keer rechtsaf en vervolgen onze weg over de Zijlsingel in de richting van de Hoge Rijndijk.

Protestrede Professor Van Holst.

Op de Hoge Rijndijk gekomen nemen we de derde straat rechts, de Cobetstraat. Op de hoek van de Cobetstraat en de Kernstraat zie we een gezellig groen houten huisje met de naam Sunny Home; het is het onderkomen van Maarten en Eva Biesheuvel. Een beetje wrange naam als we de  overwegende gemoedstoestand van Maarten even in ogenschouw nemen. Biesheuvel is ereburger van Leiden. Zijn bekendste roman is wellicht De verpletterende werkelijkheid.

We lopen de Cobetstraat in en belande op de Fruinlaan. Aan deze straat is het Stedelijk Gymnasium gelegen waar Christiaan Weijts, Jochem Meyer en Armin van Buuren hun schooljaren doorbrachten. We gaan rechtsaf de Fruinlaan in en aan het eind linksaf de Zoeterwoudse Singel op. We passeren nummer 74. W.F. Hermans over de keuze van juist dit pand in De Donkere Kamer van Damocles: 'Dit huis had het kunnen zijn.' 'De Zoeterwoudse Singel had geen zijde met even nummers en een andere met oneven nummers, maar de huizen waren doorlopend genummerd: 70, 71, 72. Aan de overkant van de zigzagverlopende vroegere vestinggracht was parkachtige aanleg met enorme treurwilgen. Nummer vierenzeventig lag precies aan de binnenkant van een scherpe punt van de zigzaglijn. Het huis was heel anders dan de huizen links en rechts ernaast. Het sprong enigzins naar voren. Ramen en daklijst waren overladen met houtsnijwerk. Er was geen tuintje voor, maar wel, naast de deur, een hardstenen plaatsje, nauwelijks groot genoeg om er een kinderwagen op te zetten en omheind met een ijzeren hekje. ' De situatie is nog altijd precies gelijk als in de roman beschreven.

We komen er niet langs maar de dichter Rudy Kousbroek woonde op de Lange Mare.

We zijn nu weer bijna aan het beginpunt van onze wandeling gekomen. Ik hoop dat u er net zo veel plezier aan beleefd hebt, als ik met het schrijven ervan.

Auteur Franca Treur groeide op in het Zeeuwse dorpje Meliskerke. Ze studeerde in Leiden psychologie, Nederlands en literatuurwetenschap. Ze legt een bijzondere interesse voor zeer korte verhalen aan de dag. Haar eerste roman was Dorsvloer vol Confetti, die ook werd verfilmd. Slapend Rijk is een verhalenbundel. 

Tot slot volgt hier nog een lijstje van schrijvers en dichters die in Leiden het levenslicht zagen:

Jan Brokken (1949)
Johannes Petrus Hasebroek (1812 - 1896)
Johannes Kneppelhout 
Alfred Kossmann 


Meer weten:

Onno Blom: Bloem der Steden. Schrijvers over Leiden. Eerder verschenen in het Leidsch Dagblad.(z.p.), 2009

Het Land der letteren. Leiden. Door schrijvers en dichters in kaart gebracht: Samenstelling Tilly Hermans en Peter van Zonneveld. Amsterdam, 1985.

Langs Leidse letters:

Leiden door Leiden: Uitgave Juniorkamer Leiden. (z.p.), 1979.

Peter van Zonneveld: Door de straten der Sleutelstad. Een literaire wandeling door het Leiden van Piet Paaltjens. (z.p.), 2006.

Peter van Zonneveld: Een literaire wandeling door Leiden. Leiden, 1992.

Querido's letterkundige reisgids van Nederland. Onder redactie van Willem van Toorn. Amsterdam, 1982, pp. 403 - 420.

Wikipedia 



-------------------------------------------------------------


Een wandeling langs onze Nobelprijswinnaars 

De Nobelprijzen zijn vernoemd naar Alfred Nobel en worden elk jaar uitgereikt door de Zweedse koning. Hij was een Zweeds chemicus die voornamelijk bekendheid geniet als de uitvinder van het dynamiet. Toen Alfred Nobel in Parijs was, las hij in de krant dat hij was overleden, huh? Een pijnlijk misverstand want het betrof hier niet Alfred, maar zijn broer Ludvig. In de necrologie werd Alfred afgeschilderd als handelaar in de dood. Dat heeft hem zeer aangegrepen en dat heeft tot het bekende gevolg van de vijf Nobelprijzen geleid. Alfred bepaalde in 1897 bij testamentaire beschikking dat van de rente uit zijn vermogen jaarlijks een prijs naar een vooruitstrevende wetenschapper moest gaan. Welke persoon of organisatie heeft het afgelopen jaar het meest voor de mensheid betekend. Nobel liet een bedrag na van 32 miljoen Zweedse kronen na. Deze prestigieuze prijs wordt nu vanaf 1901 telkenjare op 10 december, de sterfdag van Nobel, in Zweden of Noorwegen uitgereikt. Hoewel het geldbedrag dat aan de Nobelprijzen verbonden is beslist niet onaanzienlijk is gaat het de meeste laureaten meer om de internationale erkenning die de toekenning met zich mee brengt. Jaarlijks is er een Nobelprijs voor de Natuurkunde, Scheikunde, Fysiologie of Geneeskunde, Vrede, Literatuumi r en de laatsttoegevoegde categorie, eigenlijk Prijs van  de Zweedse Rijksbank, Economie.

Leiden heeft maar liefst zestien Nobelprijswinnaars voortgebracht, bijzondere personen die op wat voor manier dan ook onlosmakelijk met de stad Leiden verbonden zijn, hetzij door geboorte, studie, woonplaats hoogleraarschap of coproductie. Leiden is daarmee direct en by far de grootste leverancier van Nobelprijswinnaars van heel Nederland. Helaas zit er geen vrouw bij, slechts een schamele 5,61% van de Nobelprijswinnaars is vrouw.


We beginnen onze wandeling, hoe kan het ook anders bij het Academiegebouw aan het Rapenburg 73, de voedster van al onze Nobelprijswinnaars. In het gebrandschilderde raam komen we Nobelprijswinnaar Lorentz al tegen.

Nicolaas Bloembergen (Dordrecht-1920) promoveerde op deze plek. Bloembergen ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde. Hij is een grondlegger van de kernspinresonantie, laser en de niet-lineaire optica.

We steken nu de Nonnenbrug over en gaan direct rechtsaf langs de evenzijde van het Rapenburg en lopen door tot het Kamerling Onnesgebouw. Er is geen plek op aarde te vinden waar het aantal Nobelprijswinnaars per vierkante meter zo hoog ligt als hier.


Heike Kamerling Onnes werd op 21 september 1853 in Groningen geboren en overleed op 21 februari 1926 te Leiden. Hij ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn onderzoek naar de reacties van materie op lage temperaturen en het daaruit voortvloeiende vloeibaar maken van helium. Onnes bereikte hier het absolute nulpunt van -273 graden Celsius. 8 april 1911 is een datum die de geschiedenis in kan. Bij toeval ontdekte KO dat bij een experiment met vloeibaar helium de stroom door en draad geen weerstand meer bood bij deze absolute minimumtemperaturen. Dat was even absurd als een muntstuk omhoog gooien en dat dan door de zwaartekracht niet meer naar beneden komt. Die ontdekking leidde tot de revolutie van de supergeleiding. Supergeleiding maakte het mogelijk enorm sterke magneten te ontwikkelen. De MRI-scan is hier een direct gevolg van. Met recht iets om trots op te zijn, want soms levensreddend.
Het devies van Kamerling Onnes luidde: Door meten tot weten. Hij introduceerde deze lijfspreuk tijdens zijn inauguratierede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de natuukunde in Leiden, daarmee het belang van experimenteel onderzoek benadrukkend.
Kamerling Onnes is tevens de grondlegger van de wereldberoemde Leidse Instrumentmakersschool die nog steeds in de Sleutelstad gevestigd is, nu in het Bio Science Park en populairder is dan ooit. Een praktische opleiding met absolute baangarantie. Kamerling Onnes had voor zijn minutieus onderzoek fijnafgestelde apparatuur nodig waarvoor hij zelf technisch personeel in dit instituut opleidde. Omdat deze fijntechnici blauwe overalls droegen werden ze al vrij snel 'de blauwe jongens' genoemd, een eretitel.
Kamerling Onnes woonde even buiten het centrum in Het Kastanjehuis aan de Haagweg nummer 49. Omdat hij last had van zijn luchtwegen liet hij een extra groot balkon op het westen aanbrengen.
Prof. Dr. Dirk van Delft, directeur van het Leidse museum Boerhaave schreef een lijvige biografie over Kamerling Onnes. Nu is de juridische faculteit gevestigd in dit gebouw dat nu het Kamerling Onnesgebouw, kortweg KOG heet. Voor de hoofdingang staat een borstbeeld van Kamerling Onnes met, hoe kan het ook anders de tekst Door meten tot weten. Binnen hangen meerdere foto's van hem. Ook is er in Leiden een straat naar hem vernoemd, het Kamerling Onnesplein vlak voor het NS-station Leiden Lammenschans. Het Oort-gebouw aan de Niels Bohrweg houdt met verschillende memorabilia de herinnering aan Kamerling Onnes levend. Hier staat ook een opstelling van de heliumliquefactor, het apparaat waarmee heliumgas vloeibaar werd gemaakt.

Nu we hier toch staan, wetenschapper Willem Einthoven heeft hier een levensreddende uitvinding gedaan. Als u tegenwoordig naar een specialist wordt doorgestuurd is het maken van een elekrocardiogram (ECG) de gewoonste zaak van de wereld, maar het is goed om te weten dat het eerste hartfilmpje hier op deze plek werd ontwikkeld. Willem Einthoven kreeg de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde. Einthoven werd hoogleraar in de onderdelen fysiologie en histologie. Heike Kamerling Onnes' apparatuur kon soms dusdanig tekeer gaan dat het een aard had en het gebouw op zijn grondvesten deed schudden. Speciaal hiervoor werd een trillingsvrije vloer ontwikkeld die het Einthoven mogelijk moest maken met zijn uiterst fijngevoelige snaargalvanometers te werken. Ondanks de aanpassingen bleef Einthoven hinder ondervinden van Onnes' machines. Meerdere keren zijn de heren geleerden elkaar in de haren gevlogen. Het is zelfs zo ver gekomen dat er strakke wafspraken gemaakt worden wie wanneer mocht werken. 
Einthoven woonde op de Groenhovenstraat nummer 5. Nog net niet helemaal overwoekerd door de klimop is er een steen in de muur links ban de deur te zien die daar aan herinnert.
Einthoven overleed in Leiden.
Het voormalige gebouw van Fysiologie nabij de Wassenaarseweg heet nu Willem Einthoven.

Jan Tinbergen won in 1969 de eerste Prijs van de Zweedse Rijksbank, nu gemakkelijkerwijs Nobelprijs voor de Economie genoemd. Jan Tinbergen wordt wel gezien als de grondlegger van de econometrie, waarbij op basis van wiskundige modellen naar economische vraagstukken wordt gekeken. Het was voor het eerst dat er op basis van natuurwetten naar maatschappelijke vraagstukken werd gekeken. Tinbergen studeerde hier wis- en natuurkunde. Er heerste in die tijd onder hoogleraar Paul Ehrenfest een open sfeer; Tinbergen volgde de maandagmorgencolleges van Lorentz, sprak met Heike Kamerling Onnes en volgde gastlessen van Albert Einstein, die vaak uit Berlijn overkwam vanwege een bijzonder hoogleraarschap. Tinbergen legde de relatie tussen de bètawetenschappen en de economie en was een warm pleitbezorger van ontwikkelingshulp.

In het huis aan de Witte Rozenstraat 57 staat het jammer genoeg in ernstig verval verkerende pand waar de natuurkundige professor Paul Ehrenfest met zijn echtgenote Tatania Anafassjewa woonde. In 1912 werd Ehrenfest in Leiden benoemd tot hoogleraar in de Theoretisch Natuurkunde. Tatiana ontwierp het huis volledig naar haar inzichten in een Russich neo-classicistische stijl. Het Ehrenfesthuis werd in 1913 en -14 gebouwd en heeft nu gelukkig de status van rijksmonument. Tatiana's woning stond altijd open voor de grote geesten van de wereld. in die tijd publiceerden Europese natuurkundigen veel over de in opmars zijnde kwantumtheorie. Ehrenfest nodigde graag geleerden uit om in elkaars gezelschap op een groot schoolbord hun theorieën uiteen te komen zetten en elkaar zo te inspireren en verder te helpen. Zo verbleef Nobelprijswinnaar voor de Natuurkunde Albert Einstein hier verschillende keren. In de logeerkamer op de tweede verdieping staat zijn naam nog op de muur. Het verhaal wil dat Einstein voor een Leids professoraat te licht bevonden werd. En inderdaad, zijn wetenschappelijke hoogtepunt, zijn relativiteitstheorie, moest nog komen. Naar dit ongeëvenaarde genie is de Einsteinweg vernoemd. Paul Ehrenfest was een Russiche jood die de bui van het nationaal-socialisme al zag hangen en dit niet wilde meemaken. Ehrenfest bracht eerst zijn geestelijke gehandicapte zoon om het leven en sloeg daarna de hand aan zichzelf, Tatiana alleen achterlatend. Er werd in huize Ehrenfest ook veel muziek gemaakt, onder andere met het jonge echtpaar dat schuintegenover op de Witte Rozenstraat 54 a woonde.

Ook de Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi heeft in 1924 bij Paul Ehrenfest gestudeerd. Hij werd bijzonder door Ehrenfest geïnspireerd. Fermi ontwikkelde de eerste kernreactor. Zijn Nobelprijs voor de Natuurkunde straalt dus ook op Leiden af.

Hendrik Antoon Lorentz ontving in 1902 samen met Pieter Zeeman de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor hun onderzoek naar de invloed van straling op de spectraallijnen en de verklaring van het Zeemaneffect. Lorentz (1853-1928) woonde aan de Hooigracht 48 waar zijn naam in de gevel vereeuwigd is.
Naar beide wetenschappers is in de Professorenwijk een straat vernoemd: De Lorentzkade en het Lorentzhof, de Lorentzbrug en -school, -instituut en -center en de Zeemanlaan. Bovendien kregen de torens tegenover het station de naam Lorentz. Bij de spoorwegovergang aan de Haagweg zien we een aardige representatie van de Lorentzcontractie. Heike Kamerling Onnes is bijzonder schatplichtig aan Hendrik Lorentz. KO staat als het ware op de schouders van Lorentz. Zo veel dat we wel kunnen stellen dat zonder Lorentz KO geen Nobelprijs ontvangen zou hebben. Lorentz wordt internationaal wel gezien als de grootste fysicus ooit. Lorentz is de ontdekker van het elektron. Hij is hier hoogleraar van 1878 tot 1912. Evenwel maakt Lorentz In 1912 een rare shuffle door op stel en sprong naar Haarlem te verhuizen en curator te worden van het Teylers Fysisch Kabinet en secretaris van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, voorwaar geen stap vooruit voor een internationaal vermaard natuuronderzoeker. Naar verluidt zou hij ook niet langer met de drammerige Kamerling Onnes door een deur gekund hebben. Kamerling Onnes zou zelfs de werkkamer van Lorentz geannexeerd hebben. Gelukkig bleef hij hier wel zijn maandagochtendcolleges geven, nu als buitengewoon hoogleraar. Nog zo'n rare move is zijn voorzitterschap vanaf 1918 van de Zuiderzeecommissie, die moest onderzoeken hoe de krachten en zeestromingen van invloed zouden zijn op de te bouwen Afsluitdijk. Geen eenvoudige klus als je bedenkt dat berekeningen via de computer nog ver weg zijn. Om die reden zit er een knik in de dijk. Lorentz maakt de voltooiing van dit wereldkunstje in 1932 niet meer mee, want hij overlijdt in 1928. Wel zijn terecht de Lorentzsluizen in de Afsluitdijk naar hem vernoemd. In het KOG vindt u op de eerste verdieping het Lorentzpoortje, de grote natuurkundige staande op een uil.

In de entreehal van het Oort-gebouw aan de Niels Bohrweg vinden we drie glas-in-loodramen van Harm Kamerling Onnes naar aanleiding van de ontdekking van het Zeemaneffect. Pieter Zeeman  (1865-1943) ontdekt bij toeval dat magneten van invloed zijn op een gasvlam. Zeeman studeert wis- en natuurkunde in Leiden onder Lorentz en Kamerling Onnes en wordt later assistent onder de eerste. Hij promoveert hier bij Kamerling Onnes een maakt indruk met zijn dissertatie over magneto-optica Zeeman wordt hierna privaatdocent in Leiden. Zeeman woonde aan de Stadhouderskade in Amsterdam, waar in 1989 na het overlijden van zijn zoon Jan Zeeman gelukkig alle verloren gewaande aantekeningen van Zeeman weer boven water kwamen.

Henry van 't Hoff (1852-1911) was een Leids scheikundige die als eerste in 1901 de Nobelprijs voor de Scheikunde ontving. Van 't Hoff wordt wereldwijd gezien als de grondlegger van de stereochemie en fysische chemie. Henry kreeg de prijs voor zijn ontdekking van de wetten van chemische evenwichtige en osmotische waarde in oplossingen. Hij vergeleek de reacties in de moleculen van gassen met vloeistoffen en gaf de thermodynamica daarmee een nieuwe impuls. In Leiden is de Van 't Hoffstraat naar hem vernoemd.

De Deen Niels Bohr (1885-1962) wordt gezien als de grondlegger van de kwantumtheorie en de latere kwantummechanica. Bohr heeft hier nooit gewerkt, maar was wel een fervent bezoeker van de colloquia Ehrenfestii in de Witte Rozenstraat en het Kamerling Onneslaboratorium, zodat zijn roem ook op Leiden afstraalt. Aanvankelijk krijgt deze grootste theoretisch natuurkundige maar weinig bijval voor zijn ontdekking, bijvoorbeeld van collega Max Planck, maar i als Einstein kijkt tegen hem op. In 1922 ontvangt Bohr de Nobelprijs voor de Natuurkunde. In 1943 vlucht hij naar Zweden en gaat even later naar Amerika om er met zijn zoon Aage mee te werken aan de ontwikkeling van een atoombom. Bohr schrik zich vervolgens rot als die atoombom ook daadwerkelijk wordt ingezet en ziet wat de gevolgen zijn als zijn techniek in verkeerde handen valt. Niels Bohr staat ook aan de wieg van het CERN, het centrum voor kernfysisch onderzoek, in Genève. In het Bio Science Park is de Niels Bohrweg naar deze grote fysicus genoemd.

In 1911, het jaar van haar tweede Nobelprijs, nu voor de Scheikunde, bracht de Poolse Madame Curie een bezoek aan het koudelaboratorium van Heike Kamerling Onnes, om het effect van lage temperaturen op radioactiviteit te bestuderen. Curie ontdekte de elementen radium en polonium. Het radiumpreparaat dat ze meebracht is nog steeds in het bezit van Museum Boerhaave.

Gerrit Jan van Heuven Goedhart (1901-1956) was een Nederlands journalist, politicus en verzetsstrijder die vlak na de Tweede Wereldoorlog in 1954 de Nobelprijs voor de Vrede toegekend heeft gekregen. Hij genoot zijn rechtenopleiding aan de Leidse universiteit. Hij was al op 29-jarige leeftijd hoofdredacteur van de Telegraaf. Hij onderscheidde zich in de dertiger jaren in het Utrechts Nieuwsblad in zijn opstelling jegens het nazi-regime. Hij schreef onder schuilnaam als De Graaf en Van der Velden.Later ook voor de verzetskrant Het Parool. Nadat zo'n beetje de hele leiding van Het Parool was gearresteerd of ondergedoken werd Van Heuven Goedhart in 1942 gevraagd de eindredactie van Het Parool op zich te nemen. Later werd hij opgevolgd door Simon Carmiggelt. Tevens was hij vice-voorzitter van het Comitee voor Waakzaamheid, een organisatie van Nederlandse intellectuelen die zich keerde tegen het nationaal-socialisme. In het kabinet Gerbrandy II werd hij vervolgens Minister van Justitie. Hij was de eerste Hoge Commissaris van de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. Doel hiervan was om vluchtelingen te beschermen en ondersteunen. Om een gezagsvacuüm na de oorlog te voorkomen, zat hij in een commissie van wijze mannen. Hij kreeg de Nobelprijs voor de Vrede nog in zijn ambtsperiode. In Voorschoten is een Van Heuven Goedhartstraat. Hij woonde in Wassenaar, waar een viaduct zijn naam draagt.

Tobias Asser (1838-1913) valt de eer te beurt twee keer een Nobelprijs voor de Vrede toegekend te hebben gekregen. Wie Asser zegt heeft het over internationaal recht. Wat is zijn relatie met Leiden: Hij promoveerde in 1860 in Leiden bij professor Vissering met een dissertatie over buitenlandse betrekkingen. In 1873 richt Asser samen met zijn Italiaanse collega Mancini het Institut de Droit International op dat de werelrechtsorde moet bevorderen. In 1904 krijgt het instituut als geheel de Nobelprijs voor de Vrede.
Tobias Asser won in 1911 samen met Alfred Fried de Nobelprijs voor de Vrede vanwege de totstandkoming van het Permanente Hof van Arbitrage tijdens de Haagse Vredesconferentie in 1899. Asser streeft ernaar de wetgeving van verschillende landen door middel van unificatie te laten samengaan. Asser denkt als een wereldburger en is daarmee zijn tijd ver vooruit. Vanwege zijn lidmaatschap en voorzitterschap van verschillende staatscommissies werd hij in 1904 eervol benoemd tot Minister van Staat. De Asserstraat in de Professorenwijk is naar hem vernoemd.

Niko Tinbergen (1902-1988), de broer van Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, kreeg in 1973 samen met Karl von Frish en Konrad Lorentz de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde. Tinbergen had in Leiden biologie gestudeerd. Hij was een pionier in de ethologie, destijds een compleet nieuwe richting binnen de biologie. Ethologen bestuderen het gedrag van dieren. Nu heel gewoon, maar voor de tijd van Tinbergen hielden biologen zich alleen maar bezig met het ontdekken en beschrijven van soorten. Tinbergen promoveerde op het gedrag van graafwespen. Hij ontving de Nobelprijs voor zijn onderzoek naar de bijendans en ontdekte daarin dat bijen in een soort taal met elkaar communiceren. Ook deed Tinbergen onderzoek naar jonge vogels en hoe zij op hun moeder gefixeerd raken. De vakgroep biologie, toen Leids Zoölogisch Laboratorium genoemd, was eertijds gevestigd aan het eind van de Kaiserstraat, naast de Sterrenwacht.

De Hongaarse arts Albert Szent György werkte tussen 1920 en 1922 op het Pharmacologisch Laboratorium, onderdeel van het academisch ziekenhuis LUMC in Leiden onder leiding van Willem Storm van Leeuwen. Hij ontving de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde vanwege zijn baanbrekende onderzoek naar vitamine C.

Van der Waals, bekend van de Vergelijking van Van der Waals, ontving in 1910, een jaar na zijn emeritaat, de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn verrichtingen op het gebied van toestandsvergelijking van gassen en vloeistoffen. Johannes Diderik van der Waals is in de Jan Vossensteeg nummer 30 in Leiden geboren en ging hier naar de HBS, studeerde hier en promoveerde hier. Van der Waals raakte geïmponeerd door de moleculaire thermodynamica. Alle materialen bestaan uit moleculen. Hij ontdekte waarom moleculen elkaar aantrekken en aan elkaar lijmen, de Van der Waalskrachten. Zo niet, dan zou alles ongecontroleerd rond zweven. Hij was de eerste hoogleraar Natuurkunde van de Universiteit van Amsterdam. Het overlijden van zijn vrouw ontregelde hem dusdanig dat hij tien jaar lang niets publiceerde. Naar hem is de Van der Waalsstraat in de Professorenwijk vernoemd.

Igor Tamm is een Sovjet-Russiche wis- en natuurkundige die in 1958 samen met Pavel Tsjerenkov en Ilja Frank de Nobelprijs voor de Natuurkunde ontving voor de ontdekking en interpretatie van het Tsjerenkov-effect. Het Tsjerenkov-effect verwijst naar de elektromagnetische straling die een elektronisch geladen deeltje afgeeft wanneer dit zich door een medium voortplant met een snelheid groter dan de fasesnelheid van het licht in dat medium. Het verschijnsel is te zien als een blauwe gloed als kernreactoren ontbloot worden. Igor Tamm liep in 1928 een aantal maanden mee met landgenoot Paul Ehrenfest.

Tjalling Koopmans won een Nobelprijs voor de Economie voor zijn bijdrage aan de optimale allocatie van grondstoffen.

Hoewel Leiden heel wat schrijvers binnen haar veste heeft geherbergd en nog herbergt is het nog nooit voorgekomen dat een Leidse schrijver de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend heeft gekregen. Dat geldt zelfs voor het hele Nederlandse taalgebied. Een keer slechts leek de Vlaming Louis Paul Boon heel dichtbij de gewilde onderscheiding toen in 1972 zijn roman De Kapellekensbaan in een Engelse vertaling verscheen en zo een veel groter lezersbereik kreeg. In 1979 leek het inderdaad zo ver want toen ontving Louis Paul Boon een uitnodiging van de Zweedse ambassade om naar de Zweedse hoofdstad Stockholm af te reizen, waarschijnlijk om daar te horen dat hem dat jaar de Nobelprijs voor de Literatuur zou worden toegekend. Echter, het droeve noodlot wilde dat Boon de avond tevoren overleed en de eerbiedwaardige prijs, ook postuum, aan zijn neus voorbij zag gaan. Want het is nu eenmaal regel dat de Nobelprijs voor de Literatuur alleen mag worden uitgereikt aan nog in leven zijnde auteurs. Een uiterst trieste samenloop van omstandigheden.

----------------------------------------------------------------------------------

Fietstocht Leiden in de Tweede Wereldoorlog 

Oorlogsmonument Haagsche Schouw 
Haverzakgang Stationsweg
Woningen Rijn- en Schiekade 
Doelenkazerne en Morspoortkazerne
Verzetshaard Hugo de Grootstraat 12
Spoorbrug Kanaalweg 
Woonhuis Lammenschansweg 
Joods Weeshuis Roodenburgerstraat 
Boekhandel De Kler Breestraat 
Voormalig politiebureau Zonneveldstraat 
Aanslag Gerard Diederix en Silbertanne-actie
Professor Ben Telders
Academiegebouw Rapenburg 
Welgelegen Rapenburg 
Kort Amerikaans, Ars Aemula Naturae Pieterskerkgracht 
Sint Elisabeth Ziekenhuis Hooigracht 
Bombardement Alexanderstraat 
Razzia de Kooi, Oorlogsmonument Atjehstraat 
Oorlogsmonument Molen De Valk 

Leiden was vroeger een garnizoenstad en had twee kazernes, de grootste was de Doelenkazerne en de kleinere was de Morspoortkazerne. En dan was er ook nog de Witte Poortkazerne aan het Noordeinde. In het mobiliteitsjaar 1939 werden hier honderden Nederlandse soldaten gehuisvest, terwijl duizenden jonge Leidenaren naar hun garnizoendstad moesten afreizen. Dat zorgde al snel voor de nodige logistieke problemen. De twee kazernes raakten al snel overvol, waarna verschillende scholen werden geconfisqueerd, waaronder de Jongensschool aan de Ceaciliasstraat. Een tijd van oefeningen, parades, maar ook van verveling en vertier brak aan. De mobilisatie is aan Leiden niet voorbijgegaan en bepaalde het straatbeeld behoorlijk.

Hauptmann Ferdinand Bosch wordt in mei 1940 Ortskommandant en resideert de eerste tijd in Hotel Centraal aan de Breestraat, waar studenten hem 's nachts regelmatig een serenade komen brengen.
In 1941 wordt Hauptmann Mainzhofer als Ortskommandant genoemd. Ze overnachten in Hotel Den Burcht in de Nieuwstraat. In 1943 Hauptmann Veil. Hauptmann Gotthelb moet op 5 mei 1945 met lede ogen toezien dat de Binnenlandse Strijdkrachten, burgemeester Van de Sande Bakhuizen en politiecommissaris Meijers de touwtjes weer in handen nemen.

Vanaf het begin van de oorlog zijn er geregeld scheldkanonnades en vechtpartijen tussen Leidenaars en Duitse soldaten, NSB-ers en WA-mannen. In het straatbeeld verschijnt steeds vaker het V-teken van victorie op muren van panden en schuttingen. De BBC begint haar uitzendingen met de eerste tonen van het intro van de vijfde symfonie van Beethoven. In morsetekens is de letter V ...- Op een gegeven moment verbiedt de bezetter de letter V. Geen probleem; dan maken we er toch een W van koningin Wilhelmina van: ook goed. Vaak worden er nog de letters OZO onder gekalkt: Een goeie Nederlander weet dan genoeg; Oranje Zal Overwinnen. Op een gegeven moment moeten alle Leidenaars hun radiotoestel komen inleveren op het stadhuis. In Leiden wordt die verplichting overigens massaal ontdoken. Als twee Duitse vrachtwagens de ingeleverde radio's komen ophalen ontstaat er een oploopje voor het stadhuis.Gehoon valt de Duitsers ten deel waarbij ze te verstaan wordt gegeven dat we van dit soort acties totaal niet gediend zijn. Ook de verplichting om metaal in te leveren werd massaal ontdoken. Geadviseerd werd om de ijzerwaren maar te begraven in de achtertuin of in het water te gooien om het later weer voor de dag te halen. Alles beter dan om het te laten omsmelten tot oorlogstuig.

De verplichting om ramen te bedekken met verduisteringspapier biedt ook voor voetgangers moeilijkheden voor de oriëntatie. Menigeen loopt 's avonds pardoes het water in.

Veel geweld is er door het gewapende verzet in Leiden niet gepleegd. Een grote uitzondering hierop evenwel is de aanslag op Gerard Diederix, de directeur van het Leidse Arbeidsbureau. Deze aanslag vond plaats in de vroege avond van 3 januari 1944 op de hoek van het Rapenburg en de Langebrug, voor het wijkgebouw Rehoboth. Het verzet hoopte met de liquidatie van Diederix de verplichte Arbeitseinsatz in Duitsland voor Leidse mannen tot 45 jaar te frustreren. En hij had meer op zijn geweten. Hij zaaide verwarring en was als een schoothondje op de hand van de Duitsers, van wie hij ook zijn directeursbaantje toegeschoven kreeg. Dat kon zo niet langer, hij moest en zou eraan. Hij werd hierbij wel geraakt, maar niet dodelijk getroffen. De bezetter reageerde furieus. Nog diezelfde avond werden meer dan veertig vooraanstaande Leidenaars, van wie min of meer bekend was dat ze felle tegenstanders van het nationaal-socialisme waren, opgepakt. Dat heeft zeer ontwrichten gewerkt. Als de daders zich niet zouden melden zouden de gegijzelden geëxecuteerd worden. Het gaat hard tegen hard; een anoniem verzetscomité laat 's nachts aanplakken dat voor elke vermoorde gegijzelde twee NSB-ers zullen moeten boeten. De volgende ochtend, 4 januari 1944, werden de Leidse huisarts Hans Flu, hoofd van de Eerste Leidsche Schoolvereeniging Harmen Douma en conrector van het Stedelijk Gymnasium Chris de Jong als vergelding door SS'ers doodgeschoten. Deze gruweldaad staat bekend als de Leidse Silbertanne-actie. De slachtoffers moeten in stilte begraven worden en er mag niet gesproken worden.Terecht is naar deze heren een straat vernoemd in de buurt van de Vrijheidslaan.

Veel directe oorlogsschade als gevolg van bombardementen is Leiden gelukkig bespaard gebleven, zeker in vergelijking met steden als Rotterdam en Nijmegen.

Alle Leidenaars moesten op een gegeven moment hun ijzerwaren inleveren om het metaal om te laten smelten tot wapens. Dat gebod werd massaal ontdoken door het metaal in tuinen te begraven. Wel moesten de klokken van het Academiegebouw, de Hooglandse Kerk, de Hartebrugkerk en het stadhuis eraan geloven. Het laatstgenoemde carillon hing er net vanaf 1940 in. Maar de klok van het Academiegebouw halen we er zelf uit en hangen er een braadpan voor in de plaats.

Op 10 en 11 december 1944 bombarderen de Engelsen, overigens met toestemming van de Nederlandse regering in ballingschap, het goederenstation in de buurt van de Stationsweg. De bedoeling was om onderdelen voor het Vergeltungswaffe II, beter bekend als de V2,  die hier werden overgeladen, onschadelijk te maken. De V2's met bestemming Londen stonden opgesteld in de duinen bij Wassenaar. De bommen kwamen terecht in de naastgelegen Haverzakbuurt, waarbij zeker 55 slachtoffers te betreuren vielen. Circa 1200 bewoners raken dakloos.

In de Leidse Schouwburg aan de Oude Vest vonden tijdens de bezetting toneelvoorstellingen plaats voor de hier gelegerde Duitse soldaten. De schouwburg herbergde echter tevens enkele onderduikers. Misschien wel de best denkbare plek, de muis zo dicht in de buurt van de kat. Er is nooit enig vermoeden van deze onderduikers bij de bezetter geweest. Ook in de ruimte tussen de eerste en tweede verdieping van het Elisabethziekenhuis aan de Hooigracht vonden velen die onderdoken om zo te ontkomen aan de Arbeitseinsatz een veilige plek.

Bij tandarts mevrouw H.J.H. Scheltema-Schönfeld, een gescheiden vrouw met drie kinderen, wonende aan de Rijnsburgerweg 16, zaten gemiddeld 12 tot 15 Joodse onderduikers verborgen en zelfs een keer een piloot. Soms had de dappere vrouw meer dan twintig mensen in huis. 
Op de Pieterskerkgracht 28 was in de oorlog groentewinkel Kromhout-De Mooie gevestigd. Op de tussenverdieping zaten Joden ondergedoken. De familie Christiaanse aan de Oude Singel 154 bood gedurende de oorlog aan meerdere Joodse onderduikers tijdelijk onderdak.


Uit angst voor inkwartiering van Duitsers stelt het bestuur van LSC Minerva het sociëteitsgebouw aan de Breestraat ter beschikking van de Geneeskundige Depot Compagnie.

Op Breestraat 25 is de centrale van de openbare bibliotheek Reuvens gevestigd. De Duitse bezetter verwijdert 1150 van de 28.000 boeken. 200 Nederlandse auteurs staan op een zwarte lijst.

Professor Ben Telders kwam op 8 april 1945, met de bevrijding in zicht, als gevolg van vlektyfus om in het beruchte concentratiekamp Bergen-Belsen.
De Telderskade, Teldersschool  en Teldersstichting zijn naar Ben Telders vernoemd.

De Wehrmachtkommandantur was gevestigd in het grote pand Rapenburg 69, dat door de Duitse bezetter werd opgeëist.

Verschillende hoogleraren spraken zich uit tegen de ariërklaring waaronder de anatomie Barge en de theoloog Van Holk, maar de meest indrukwekkende actie was natuurlijk die van decaan R. P. Cleveringa. Rudolph Cleveringa woonde aan de Rijnsburgerweg 29, Ton Barge aan de Boerhaavelaan 4 en Lambertus van Holk aan de Plantage 26. Bij alle drie hun woningen herinnert een plaquette aan hun protestrede, aangeboden door het LUF en familieleden van de drie hoogleraren.
De lessenaar voor de ingang van het Academiegebouw herinnert aan de protestrede van professor Cleveringa op 26 november 1940 en dit was de meest indrukwekkende.
Hij protesteerde tegen het ontslag van zijn joodse collega en promotor Meijers. De aanwezige studenten raakten hiervan zo onder de indruk dat zij een massale staking op touw zetten, mede op initiatief van Ben Telders. Dezelfde avond kopiëren studenten de rede en verspreiden die onder andere universiteiten. Daags erna sloot de bezetter de universiteit. Dat was nou ook de bedoeling weer niet. Veel studenten sloten zich vervolgens aan bij het verzet. Onder hen Erik Hazelhoff Roelfzema en de gebroeders Jan en Huib Drion. Als eens het credo van de Leidse universiteit, Praesidium Libertatis, bolwerk der vrijheid, heeft gegolden, dan nu. Ru Cleveringa werd in 1944 geïnterneerd in Kamp Vught. Alle drie de protestredenaars weten de oorlog te overleven. 
Ru Cleveringa was vanaf 1927 hoogleraar handelsrecht en burgerlijk procesrecht.
Rechtenstudent Pierre Louis d'Aulnis de Bourouill (18) was bevriend met Erik Hazelhoff Roelfzema. Hij vond de spionage-activiteiten hier te knullig en ging naar Engeland om daar een opleiding tot spion te volgen.
Andere studenten die vermoord werden vanwege hun verzetsactiviteiten zijn: Erik Verstijnen (1910-1945), Gustaaf Henri Gelder (1919-1944), Arthur Schoon (1920-1945) en de praeses van Augustinus Jan Mulders (1919-1944), van wie geen graf bekend is. Dolf Noordijk en Soeripno behoorden ook tot het studentenverzet. Dat zoveel studenten protesteerden en actief waren in het verzet heeft te maken met het feit dat ze jong en veelal nog ongebonden waren en dat de universiteit gesloten was. In de loop van de oorlog werd het studentenverzet gecoördineerd vanuit de Raad van Negen, een verzetsorganisatie van negen universiteiten en hogescholen. Na de oorlog blijkt dat in de vijf oorlogsjaren 663 mensen die op enigerlei wijze aan de universiteit zijn verbonden om het leven zijn gekomen. Een beeldje in de Hortus Botanicus en een gebrandschilderd raam in het Groot Auditorium uit 1950 houdt de herinnering aan deze oorlogsslachtoffers in ere.

Ernst de Jonge had als kind vuurwerk afgestoken tijdens een zeilkamp op De Kaag. De politie krijgt hem in de smiezen en zet de achtervolging in. Ernst steekt de nog brandende gillende keukenmeiden in zijn achterzak en nu moeten diezelfde agenten hem met brandwonden naar het ziekenhuis brengen. In 1936 neemt deze roeier nog deel aan de Olympische Spelen in Berlijn. Hij wordt ook praeses van Njord. 

Een andere bekende Leidse verzetsstrijder was de communist Gerrit Kastein (1910-1943). Hij studeerde onder andere in Leiden en wilde neuroloog worden. Kastein heeft verschillende hoge NSB-ers om het leven gebracht, onder andere aan de Leidseweg. Kastein werd gearresteerd en naar het Binnenhof gebracht. Daar is hij in een onbewaakt moment geboeid met stoel en al van de tweede verdieping uit het raam gesprongen. Liever dood in vrijheid dan levend onder het juk van de nazi's. Na de oorlog werd de Gerrit Kasteinstraat in Leiden naar hem vernoemd. Ook de SGP-fractiekamer waar het allemaal gebeurde heet nu Gerrit Kasteinkamer.

Freek Diemel werd geboren in 1914 en was in Leiden verzekeringsagent. Eerst was hij bij het uitbreken van de oorlog radiotelegrafist in IJmuiden en had de opdracht zo lang mogelijk radiocontact te houden en als dat niet meer mogelijk was de apparatuur te vernietigen. Hij wilde actief in het verzet blijven. Zo stal hij bijvoorbeeld de papiervoorraad van de Nederlandse Rotogravure Mij, zodat de krant De Stem van Strijdend Nederland, de verzetskrant voor 's Gravenhage kon uitkomen. Diemel werd bij een andere verzetsactie in Rijpwetering gesnapt, uitgeleverd en vervolgens op 6 juni 1944 in de duinen bij Overveen gefusilleerd. In Leiden is de Diemelstraat naar hem vernoemd.

Paul Segaar, geboren in 1915 in Leiden was hier taxichauffeur. Hij kwam op 30-jarige leeftijd jammerlijk om in het concentratiekamp Bergen-Belsen op 31 mei 1945, op het moment dat de oorlog net voorbij was.

Ten zuiden van de Vijf Meilaan zijn een aantal straten vernoemd naar nationale verzetshelden als Titus Brandsma, Wiardi Beckman, Walraven van Hall, Johannes Post, Van Randwijk, Kuipers-Rietberg en Gerrit van der Veen. Ook de geallieerden Churchill, Roosevelt en Montgomery kregen een straat of laan naar zich vernoemd.

Hugo de Grootstraat 12 was een belangrijke verzetshaard. Hier kwamen Indische studenten samen. Hun verzetsorganisatie heette Indonesia. Raden Mas Hadiono Oetoyo speelde een sleutelrol in deze verzetsorganisatie. Hugo de Grootstraat 12 was hun clubhuis. Direct na de protestrede van Cleveringa besloten de leden van Indonesia zich aan te sluiten bij de studentenstaking. Het was voor deze studenten onmogelijk om terug te keren naar Indië, om die reden sloten de Indische studenten zich massaal aan bij het verzet. Aanvankelijk bij het communistische verzet. Naast een haard van verzet bleek Hugo de Grootstraat 12 ook een infectiehaard. Tien Indische studenten liepen tuberculose op en haalden het eind van de oorlog niet. 


Even door de poort van de Hortus Botanicus ziet u links een herinneringsmonument van leden van de Leidse civitas die in de oorlog de hoogste prijs hebben betaald.

Op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, raakte er een Duitse parachutist met bestemming vliegveld Valkenburg uit de koers en landde in de Hortus. Hij vluchtte in een roeibootje over de Witte Singel, maar werd op tijd onderschept. Hij liep een schotwond op en moest worden opgenomen in het tegenovergelegen Diaconessenhuis. Hij heeft weinig schade in Leiden veroorzaakt.

Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 is ook in Leiden goed te horen aan de Heinkels die overvliegen en te zien aan de enorme rookwolken die zich ontwikkelen. De Leidse brandweer rukt uit om te assisteren. Op dezelfde dag verschijnen de eerste tanks in het Leidse straatbeeld. Velen vergapen zich aan de Hoge Rijndijk aan de enorme machines en denken er het hunne van.

Co Van der Blom - Vijlbrief (1901-1981) was tijdens de oorlog lid van de Raad van Verzet, een gewapende verzetsgroep binnen de illegaliteit. Ze werd verraden en belandde uiteindelijk in het concentratiekamp Dachau. Tijdens een zogenaamde dodenmars in Dachau heeft zij het leven gered van haar volledig uitgeputte medegevange, de balletdanseres Suze van Hal, door haar op de rug te nemen. Had ze dat niet gedaan dan zou Suze zeker zijn doodgeschoten.

Cornelis Kiljan

Carel Fabius was ten tijde van de Tweede Wereldoorlog praeses van Minerva.

Jan Mulders was praeses van studentenvereniging Augustinus aan het Rapenburg. Ook hij ging in het verzet. Van hem is geen graf bekend.

In de Tweede Wereldoorlog werd burgemeester Van de Sande Bakhuizen vervangen door de NSB-burgemeester De Ruyter van Steveninck. Veel schade heeft hij hier gelukkig niet aangericht, aangezien hij zich voornamelijk met zijn wettelijke taken bezighield. Hij weigerde de wethouders te ontslaan en die probeerden er dan ook maar het beste van te maken. Hier verdient de naam van wethouder Verweij bijzondere vermelding.

Op 24 oktober 1943 stortte een Duitse Messerschmidt BF109 van de Luftwaffe neer, precies op de binnenplaats van het Elisabeth Ziekenhuis aan de Hooigracht. Even tevoren was het opgestegen van het vliegveld Valkenburg maar werd in de vleugel geraakt in de buurt van het Groene Kerkje in Oegstgeest. Het vliegtuig boorde zich zes meter de bodem in. Wonder boven wonder waren er behalve de Duitse piloot geen slachtoffers. Het brandende vliegtuig werd automatisch geblust door het water van de centrale verwarming die geraakt was. Van de piloot werd alleen een hand met een ring teruggevonden. Deze werd netjes begraven op het oorlogskerkhof in IJsselsteyn. De wrakstukken van de Messerschmidt bevinden zich trouwens nog steeds in de grond.

10 december 1944
Door strijd verloren 
7 september 1946
Door vlijt herboren 

Deze tekst is te vinden op een gevelsteen aan de Alexanderstraat 13-15. Op 10 december 1944 werd een gedeelte van de Alexanderstraat, Prinsenstraat en Sophiastraat in Leiden-Noord door vier Britse Spitfires abusievelijk gebombardeerd. Zeven bewoners verloren hierbij het leven. De bommen waren bedoeld voor het spooremplacement van het Herensingelstation, langs de Kooilaan. Hier kwamen onderdelen voor de V2 van de nazi's uit Utrecht aan, om vervoerd te worden naar de duinen van Wassenaar. Mogelijk heeft een geallieerde piloot de tweede kleine spits van de St. Josephkerk aan de Herensingel aangezien voor het torentje van het Herensingelstation. Inderdaad is dat onder mistige omstandigheden goed voorstelbaar.

Om diezelfde bevoorrading van munitie voor de Duitsers te frustreren zijn er diverse geallieerde bommen afgegooid boven de spoorbrug bij De Vink en over de Kanaalweg. Deze laatste brug is drie keer doelwit geweest en pas bij de derde keer was het bingo. Achter de Rijn- en Schiekade bevond zich een goederenstation dat ook gebombardeerd is geweest. Hier trof een afzwaaier enige panden aan de Rijn- en Schiekade. Rond nummer 10 valt dat in de bebouwing nog goed op te merken.

De Duitsers blazen op 19 oktober 1944 het huis aan de Lammenschansweg 68 op de hoek van de Dahliastraat op omdat ze er een geheime zender hebben ontdekt. Enige dagen tevoren was er al een peilwagen van de SD in de buurt gesignaleerd. Het huis is van J.D. van Leeuwen en geheim agent De Brauw zendt vanaf hier twee keer per week naar Engeland. Zowel hij als enkele bewoners worden gearresteerd.
Om te voorkomen dat waardevolle materialen in handen van de geallieerden vallen blazen de Duitsers op 31 maart 1945 de Hollandsche Constructie Werkplaats aan de Zoeterwoudseweg op. Ze dreigen hetzelfde te doen met de elektriciteitscentrale en de waterleiding.

Ook de hongerwinter van 1944/1945 is niet aan Leiden voorbijgegaan, al was de voedselsituatie hier iets beter dan in steden als Den Haag en Rotterdam. Een periode die veel indruk heeft achtergelaten. Ook hier het bekende beeld dat uitgemergelde landgenoten op alles wat maar rijdbaar is op zoek gaat naar wat voedsel voor het thuisfront. Soms moet door het verzet boeren die alleen tegen woekerprijzen leveren een lesje worden geleerd. in februari 1945 ligt het sterftecijfer drie keer zo hoog als voorheen. Alleen al over het eerste half jaar 1945 wordt gemeld dat er 138 Leidenaars zijn van wie eenvoudigweg op de overlijdensakte als doodsoorzaak vermeld staat 'honger'. De Rijksinrigting voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd verzorgde de uitgifte van maaltijden. Op verschillende plaatsen in de stad waren gaarkeukens, bijvoorbeeld in het Militair Invaliden Tehuis aan de Hoge Rijndijk,  aan de Fruinlaan en in het Lidwinahuis aan de Zoeterwoudse Singel. In januari 1941 komt de maaltijdverstrekking op gang onder andere in het voormalige Pniëlgebouw aan de Middelstegracht, het vroegere Christelijk Militair Tehuis aan de Morsweg 34 en het gebouw Staalwijk aan de Herenstraat. De school aan de Munnikenstraat voorzag de bewoners van de Zeeheldenbuurt van voedsel. Soms werd er aan de allerarmsten een eenvoudige maaltijd aangeboden in de Stadsgehoorzaal. 

Omdat er geen gas en elektriciteit geleverd kan worden proberen mensen zich te warmen door het verbranden van hout dat overal vandaan gesleept wordt. Deuren en kasten en alles wat maar brandbaar is verdwijnen in de kachel. De Paterbrug verdwijnt in de kachel. Ook het houten clubhuis van de Leidse IJsvereniging is in een mum van tijd verdwenen. Van het Leidse bomenbestand overleven slechts 390 van de 5330 bomen de oorlog. Door strenge controle van buurtbewoners kan voorkomen worden dat de oude woudreuzen van het Van der Werffpark en het Plantsoen eraan hebben moeten geloven. Die massale bomenkap in januari moet Leiden een desolate en sinistere aanblik hebben gegeven. Het Leidse Hout mag die naam nauwelijks meer dragen.

De joodse gemeenschap in Leiden bestond uit ongeveer 375 mensen. Ook in Leiden verschenen steeds meer bordjes met de tekst 'Voor joden verboden'. Wel wist men te bewerkstelligen dat de gehate bordjes in de ziekenhuizen werden verwijderd.
Een zwarte bladzijde in de Leidse geschiedenis is de deportatie van joodse weeskinderen uit het joodse weeshuis aan de Roodenburgerstraat 1. Waar iedereen al die tijd bang voor was geweest, gebeurde op 17 maart 1943. 51 onschuldige kinderen en negen begeleiders werden afgevoerd naar verschillende concentratiekampen, waarvan er na de oorlog slechts drie terugkeerden. De vergeten koffers aan de straatkant en een herinneringsplaquette in het plaveisel van de toegangsweg herinneren aan deze trieste gebeurtenis.
Van de 375 joden die in 1941 in Leiden woonden keren er 113 terug. Aan de andere kant hebben er in Leiden ongeveer 600 joden ondergedoken gezeten. Tussen de 300 en 400 joden hebben hun leven aan het Leidse verzet te danken. Alleen al de groep Lex wist 77 joden  uit de klauwen van de Duitsers te houden. In het begin van de oorlog is er een Leidenaar geweest die geprobeerd heeft de joodse synagoge aan het Kort Levendaal te bekogelen. De dader werd door de Leidse politie gearresteerd. De bereidheid van de Leidenaars om joden een onderduikadres te bieden was er zeer zeker, maar over en weer was er eenvoudigweg geen contact. De joodse gemeenschap was vrij gesloten en had dientengevolge geen contact met het georganiseerde verzet. Wat tewerkstelling in het oosten betekende was hier maar al te goed bekend. Een mentaliteit van 'wir haben es nicht gewusst' bestond in Leiden niet.

Uit een inventarisatie van de gemeente van 11 mei 1945 blijkt dat in de oorlog 2400 woningen en gebouwen licht of zwaar beschadigd  163 daarvan kunnen totaal afgeschreven worden en zullen van de grond af opnieuw moeten worden opgebouwd. Onder andere de Haverzakbuurt, de Alexanderstraat, de Kanaalweg en de Rijn- en Schiekade lijden oorlogsschade. Vier bruggen zijn afgebroken.

Bagage 

Meer weten:

Buck Goudriaan: Leiden in WO II. Van dag tot dag. Een kroniek van 10 mei 1940 tot 15 augustus 1945. Leiden, 1995. (staat ook in  de Openbare Bibliotheek)

---------------------------------------------------------------------------------

Een Jugendstil-wandeling 

Jugendstil of Art Nouveau was een korte maar hevige kunststroming tussen 1890 en 1914 in verschillende Europese steden als reactie op het vorm vervagende van het impressionisme. De Jugendstil manifesteert zich in asymmetrische tweedimensionale vormen op sieraden, tableaux, in de schilderkunst, glaskunst, boeken, meubels, plateel en architectuur, binnen en buiten. De Jugendstil kende een kort maar hevig bestaan, maar de naam wordt niet door verklaard dat de stijl maar zo'n twintig jaar heeft bestaan. In West-Europa was het in 1910 echt over. De naam Jugendstil verwijst naar de naam van het weekblad Die Jugend dat vanaf januari 1896 in München verscheen. In Nederland werd de Jugendstil ook wel smalend slaolie-stijl, spaghetti-stijl of vermicelli-stijl genoemd. In de Jugendstil vallen veel landelijke en regionale verschillen te onderscheiden. Toch zijn er enkele opvallende overeenkomsten. Er bestaat een grote voorliefde voor het gebruik van nieuwe materialen en moderne technieken. Opvallend zijn de grote glasoppervlakken. Er is een algemene afkeer van symmetrie en een voorkeur voor ornamentiek, met name vogelmotieven en bloemmotieven, zoals bloemstelen en bloemkelken. Vaak is er sprake van een zogenaamd Gesamtkunstwerk, waarbij gebouw, meubels en siervoorwerpen zijn geïntegreerd.

In het Fin de Siècle, rond 1900, was de koopkracht onder de kapitaalkrachtige bevolking bijzonder hoog. De gegoede burger kon zich bijna alles permitteren. Er bestond een niet te stuiten geloof in de vondsten van wetenschap en techniek. Er heerste een optimistisch wereldbeeld en er bestond een groot geloof in de toekomst.De periode voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd later dan ook wel La Belle Epoque genoemd. Er kwamen veel nieuwe producten op de markt en de plaatselijke winkeliers wilden daar natuurlijk maar al te graag een graantje van meepikken. Dat deden ze door hun winkelpui te vernieuwen en hun etalageruimte te vergroten. Kom bij mij!, lijken ze te willen uitstralen.

We beginnen onze wandeling aan de zeezijde van Leiden Centraal, gaan rechtsaf de Bargelaan in en linksaf de Rijnsburgerweg op. Hier vinden we de eerste panden in Jugendstil. Op huisnummer 35 zien we het woon- en werkhuis van architect Hendrik Jesse (1860-1943). Het gigantische pand dat gebouwd werd in 1905 ben 1906 wordt wel gezien als het hoogtepunt in het werk van Jesse. De villa draagt de naam De Keet en die naam is aan de zijkant in uitspringende baksteen aangebracht. De raam- en deurpartijen zijn bekroond met verspringende lateien en rondbogen. De Keet bezit een achtkantige traptoren. Er is zogenaamd schoon metselwerk zonder decoratieve elementen. Onder de ramen is gebruik gemaakt van groen verglaasde profielsteen. U ziet met roeden verdeelde bovenlichten met groen glas en inpandig balkons. In De Keet zijn oude bouwmaterialen hergebruikt. Zo hergebruikte Jesse antieke deuren, majolica- en Delftsblauwe tegels, kruiskozijnen en eikenhouten balken als plafond. Naar Jesses eigen ontwerp is de schouw van groen geglazuurd aardewerk in de voorkamer. Een bijzondere praktische toepassing is de zitvensterbank. Ook de achterliggende tuin was in oorsprong zijn ontwerp, een vijver, een tuinhuisje en een perenboomgaard, meer niet, er mocht geen bloem staan.
Overigens is dit pand ook historisch van belang; de zoon van Jesse legde in 1923 als eerste radiocontact met de Verenigde Staten.
Teruglopend richting centrum zien we aan de oneven zijde van de Rijnsburgerweg nog een aantal chique panden met art nouveaustijlelementen.

We keren terug op onze schreden en gaan aan de andere kant van het station de Stationsweg op.

Aan de Stationsweg 25 vinden we villa De Kroon, genoemd naar de eerste bewoner dr. Arnold Willem Kroon, docent aan de HBS, rond de eeuwwisseling wethouder Onderwijszaken in Leiden en later directeur van de Teken- en schilderacademie academie Ars Aemula Naturae aan de Pieterskerkgracht.De rijkdom van het exterieur wordt voortgezet in het interieur, bijvoorbeeld in de Jugendstil-haardschouw. Deze stadsvilla stond vroeger in een deftige buitenwijk met meer van dit soort statige panden. Het mislukte bombardement maakte enkele villa's echter onbewoonbaar en moesten worden afgebroken.

We zien op de Steenstraat verschillende Art Nouveaupanden.

In de Haarlemmerstraat en aan de Apothekersdijk 33 vinden we het in 1899 voltooide Volkshuis, ontworpen door Willem Cornelis Mulder (1850-1920). Het gebouw is van architectonische waarde vanwege de Overgangsarchitectuur van Berlagiaanse en Art Nouveau-elementen. Het is een apart gebouw in het oeuvre van architect Mulder. In het Volkshuis vonden in de eerste jaren van hun bestaan de bijeenkomsten van de hoofdfiguren van kunststroming De Stijl plaats. Het Volkshuis werd opgericht door drie hoogleraren van de Leidse juridische faculteit, Drucker, Greven en
Doelstelling van Het Volkshuis was de verheffing van de werkende klasse.

Breestraat Panderpassage 

Breestraat 106 is een zeventiendeeeuws pand dat in de negentiende eeuw een nieuwe voorgevel in art nouveaustijl kreeg.

Maarsmansteeg 8 van Hendrik Jesse 
Breestraat 56 en 146 van Hendrik Jesse 

Lange Mare

Op Breestraat 65 vinden we een bijzondere voorgevel van de worstjeswinkel en charcuterie van de Duitse E. Noack die zich hier in 1896 vestigde. Sgrafitti 

Voor de echte liefhebber: Voetlicht aan de Haarlemmerstraat 15 biedt een groot assortiment tiffany-lampen, art-deco, art nouveau en Jugendstil.

Haarlemmerstraat 125

Jan Vossensteeg 43

Op de Hooigracht 15 bevinden zich de uit 1916 daterende Stedelijke Fabrieken voor Gas en Electriciteit. Zowel op de voorgevel als in het interieur zijn enkele sfeervolle art deco-elementen opgenomen.

Op de hoek van de Hooigracht en de Hooglandse Kerk-choorsteeg is een Jugendstil-winkelpand.

In de Hooglandse Kerk-choorsteeg 14 bevindt zich sinds 1898 café De Bonte Koe. Deze plek is echter nooit als café bedoeld, maar als slagerij. De prijs van de kleurrijke tegeltableaus liep echter dusdanig op dat de slager al failliet ging voor de eerste leverworst verkocht kon worden.

Op de Hogewoerd 22 staat een fraai hoekhuis uit 1911 van architect P.J. Perquin. Het jaar daarop kreeg dit pand, winkel en woonhuis van een koekfabrikant een architectuurprijs.

Op de Nieuwe Rijn 8-9-10 vinden we een mooi geconserveerd tegeltableau en fraai versierde voordeur.

Het is misschien een heel eind uit de slinger, toch loont het de moeite om een kijkje te nemen op de Jan van Goyenkade 44, beter bekend als 't Kasteeltje. De bewoners zelf noemde het huis, zoals nu nog op het witte toegangshek te zien is, Ons Eiland. Het art nouveaupand dat in 1911 gereed kwam, staat op een eiland en is niet onderheid, maar rust op planken. Het huis werd ontworpen door de eerste bewoonster Margarethe Von Uexküll Guldenbant. Aanvankelijk lag het in Margarethes bedoeling het pand meer torentjes te geven, zodat het echt het aanzien van een kasteeltje zou krijgen, maar het Leidse college van burgemeester en wethouders stak hier een stokje voor en is het bij slechts een hoektorentje gebleven.
Albert Einstein die een regelmatige gast was in het naastgelegen Ehrenfesthuis, bracht haar soms een bezoek. Ze kenden elkaar via de natuurkunde-opleiding in Zürich. Margarethe ging er prat op dat zij altijd een half punt hoger scoorde dan het genie Einstein.

We vervolgen onze wandeling linksaf de Jan van Goyenkade. Het is goed te zien dat de wijken Vreewijk en Staalwijk rond de eeuwwisseling gebouwd zijn. Ga even op de brug staan en werp een blik op De Schelp aan de Schelpenkade. We gaan de Hugo de Grootstraat in en worden als het ware ondergedompeld in art nouveau-architectuur.


---------------------------------------------------------------------------------

Een wandeling in het kader van het Leids Beleg en Ontzet 

Het Leids Beleg en Ontzet is een onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog die liep van 1568 tot 1648. 
Op 31 oktober 1573 omsingelden de Spanjaarden onder leiding van Francesco de Valdés de Sleutelstad met het doel om de stad Leiden door uithongering tot overgave te dwingen. Het is de tijd van het eerste beleg. Na het eerste beleg verzuimt het stadsbestuur de voedselvoorraden aan te vullen en de Spaanse schansen te slechten. Wel wordt de eigengereide militaire gouverneur Noyelles ontslagen.
De stad Leiden gaat zware tijden tegemoet als de gehate Spanjolen in mei van het jaar 1574, na de Slag op de Mokerheide onder de Spaanse veldheer Valdés Leiden voor de tweede keer van de buitenwereld afsluiten. Niets en niemand mag meer de stad in of uit en wie dat toch doet loopt een gerede kans in handen van de wrede Spanjaarden te vallen en moet dat vaak met de dood bekopen. Sommige Leidenaars zijn echter zo murw geslagen van de honger dat ze in ruil voor voedsel belangrijke informatie over de steeds penibeler wordende situatie in de stad aan de Spanjaarden doorgeven. Ze worden schamper Leidse glippers genoemd. In hun euforie over het plotselinge vertrek van de Spanjaarden na het eerste beleg hebben zowel de inwoners als het stadsbestuur verzuimd nieuwe voedselvoorraden aan te leggen. Honger en ondervoeding zijn nu hun deel en tot overmaat van ramp slaat ook nog eens de gevreesde pest toe. Met alle mogelijke middelen probeert de Prins van Oranje de stad Leiden te ontzetten. Bij Capelle aan de IJssel worden de dijken doorgestoken. Een groot gedeelte van Zuid- Holland wordt onder water gezet om de Spanjaarden te verjagen, echter het water komt niet hoog genoeg en ook de wind zit steeds maar niet in de goede hoek. Wij kennen de weg als het land is ondergelopen maar de Spanjool houdt niet van natte voeten. De Spanjaarden beschikken niet over een vloot en kunnen niets uitrichten. De nood wordt met de dag groter. De bevolking begint te morren, er dreigt een opstand. Het volk eist van het stadsbestuur brood of overgave. Van der Werff echter weet van geen wijken. Oranje doet er alles aan om de Spanjaarden te verdrijven. Nog even geduld, mensen. Dan draait de wind en moeten de Spanjaarden het hazenpad kiezen. De geuzenvloot onder leiding van Louis de Boisot kan Leiden ontzetten en haring en wittebrood de stad in brengen.


Boven op het stadhuis ziet u pinakels met daarop een half maantje. Dat zit er niet alleen voor de decoratie op. In de Tachtigjarige Oorlog waren we in een strijd verwikkeld met het katholieke Spanje. Katholiek wilden we niet zijn, dan nog liever islamitisch. Vandaar de uitdrukking: Liever Turks dan paaps. De halve maan is het symbool van de islam.


Jan van Hout woonde vlak naast het stadhuis in een niet meer bestaand pand ter hoogte van In den vergulden Turk. Hij was stadssecretaris van Leiden van 1569 tot zijn dood in 1609. Omdat hij volgens Alva betrokken geweest zou zijn wordt hij vier jaar uit die functie gezet en verblijft hij in het Vlaamse Zoutleeuw. Hij was zeer begaan met de armenzorg. In 1577 schreef hij een Armenrapport. Van Hout organiseerde een loterij om het St. Catharinagasthuis aan de Breestraat te verbouwen tot pest- en dolhuis. Hij schreef speciaal voor deze gelegenheid een toneelstuk, Loterijspel dat drie keer werd opgevoerd. Ook het beheer van water en wegen ging hem zeer aan het hart. Zo stelde hij onder andere een plan op om vervuild water te zuiveren. Hij reorganiseert en beheerde het stadsarchief en de stadsdrukkerij. Van Hout maakte actief werk van immigratie, met name uit Engeland Vlaanderen en Wallonië.

In het  linkergedicht op de gevel van het stadhuis kunnen we lezen hoeveel dagen het Beleg van Leiden heeft geduurd en als we de Romeinse cijfers optellen komen we aan het jaartal 1574, het jaar waarin Leiden door de Watergeuzen ontzet werd. Het aantal dagen dat het Beleg door de Spanjaarden geduurd heeft bedraagt 131. Een waar gewrocht uit de tijd van de Rederijkers. Het vers wordt toegeschreven aan Jan van Hout. 

Thrijc van Spaengien, hem verbliden,
In tbeleggen, als si sagen,
Met gedult, mi dragen 't liden
Zo veel letters, Zo veel dagen

Nae zVVarte HVnger-noot,
GebraCht had tot de doot 
BInaest Zes-dVIizent MensChen:
ALst God Den heer Verdroot 
Gaf hI Vns VVeder brood,
Zo Veel VVI CVnsten VVensChen.

Zuukt en vint tjaer, van liden zwaer 
Dat niet en was te herden:
De Heren, maer, vrid'uns daer naer, 
Der tienden maent, den derden.

Het rechtergedicht is ook van de hand van Jan van Hout en gaat als volgt:

Indien Gods goetheyt U brengt voort
Gheluc en spoet, niet trotst t'gemoet 
Maar neer wil dragen 
En zend hij (siet) weeromme aen 't boort 
Angstich verdriet, weest daerom niet,
Te zeer verslaghen:
U heyl, zulc hil en toebehoort:
Danc God, swijcht stil, zoo was zijn wil
Beheer behaghen.

In de voorgevel vinden we tevens twee cartouches met de tekst Bewaert Heer Hollandt en En Salicht Leyden. Deze laatste tekst is ook te vinden aan de achterzijde van de overblijfselen van de Vrouwenkerk op het gelijknamige plein. Componist Cornelisz Schuyt schreef er een compositie op.



Leiden had in de tijd van de opstand vier burgemeesters, van wie Pieter Adriaansz. van der Werff de meest tot de verbeelding sprekende is. De stad was verdeeld in vier zogenaamde bonnen, waarbij iedere bon een vertegenwoordiger in het stadsbestuur had. Van der Werff (1526-1604),  die ten tijde van het beleg presiderend burgemeester is, heet eigenlijk Vermeer, maar deze geslachtsnaam heeft hij zelf nooit gebruikt. Hij was van beroep zeemtouwer en huidenverkoper en had een grote werf (vandaar de achternaam) aan de Marendorpse Achtergracht, nu Van der Werffstraat. In deze handel had de familie een zekere welstand bereikt.
Toen de hongersnood in september 1574 zijn hoogtepunt bereikte, smeekte de bevolking de burgemeester zich dan toch in Godsnaam maar over te geven. Van der Werff wilde hier, indachtig de overgave van Naarden, waarbij de complete bevolking werd uitgemoord, niets van weten. Toen schijnt hij gezegd te hebben: 'Wetend dat ik toch moet sterven, hier is mijn lichaam, snijd het aan stukken en verdeel het. Het zal mij tot troost zijn.'  De burgerij was hiervan zo onder de indruk dat zij dan nog maar even wilde volhouden. Hij wil volhouden, koste wat het kost.
Om die reden valt het ontslag van Van der Werff door Willem van Oranje op 14 oktober 1574 moeilijk te rijmen. In de negentiende eeuw had Leiden weer behoefte aan echte helden. Mede beïnvloed door de nazaten van Van der Werff is het standbeeld in het gelijknamige park er toen gekomen. De bevolking van Leiden mocht suggesties indienen waar het beeld moest verrijzen. 
De drie andere burgemeesters zijn CornelIs van Noorden, Cornelis van Zwieten en Jan Halfleiden. Deze drie waren van een hogere stand dan van der Werff, maar Van der Werff kreeg daardoor ook juist meer steun voor zijn beleid uit het lagere volksdeel. Secretaris van de stad is Jan van Hout en namens de Staten van Holland wordt Jan van der Does, Heer van Noordwijk, bij de opstand betrokken. Als gouverneur van de Prins van Oranje is de dappere Dirc van Bronckhorst aangesteld. Van Bronckhorst woonde in die tijd op het Rapenburg.
Van Bronckhorst maakt het ontzet niet meer mee. Hij bezwijkt aan de pest en wordt opgevolgd door Jacob van der Does, inderdaad de oudere oom van. Opvallend is dat Willem van Oranje Van der Werff niet herbenoemd als burgemeester, maar hem belast met de voedseldistributie in Leiden. Volgens Willem van Oranje zijn er op dit moment bestuurders nodig die de Staten van Holland bijeen kunnen houden en aldus op een hoger niveau kunnen denken en handelen. Wel zet Willem van Oranje Van der Werff in om fondsen te werven om de strijd tegen de Spanjaarden te kunnen bekostigen. Hij reist daar voor onder andere naar Emden waar veel uitgeweken doopsgezinden zijn neergestreken. Wel benoemt Willem van Oranje Pieter van der Werff een jaar later opnieuw als burgemeester van Leiden.  De Van der Werffstraat, het Van der Werffpark en stadscafé Van der Werff aan de Steenstraat zijn naar hem vernoemd.

Vanaf het dak van de Pieterskerk werd 's nachts door middel van lichtsignalen gecommuniceerd met de Prins van Oranje. Zo liet Leiden zien dat het de moed nog niet had opgegeven.

Op Rapenburg 96 woonde Willem Speelman. Hij was organist van de Pieterskerk.
Willem Speelman krijgt het monopolie om duiven te houden. Ondanks de honger die er in de stad heerst krijgt Speelman van het gemeentebestuur graan om zijn duiven te voederen. Door middel van postduiven kon het gemeentebestuur van Leiden contact onderhouden met de Prins van Oranje in Delft of Rotterdam. Ziet u de duivenverblijven op de tweede verdieping? Vanaf dat moment mocht Speelman de titel Van Duivenbode voeren wat hij dan ook met ere deed. De eretitel wordt hem door de Prins van Oranje zelf verleend.Het was verboden om op duiven te schieten en ze op te vreten, ondanks de moordende hongersnood. Naar deze onmisbare verbindingsman is de Leidse Van Duivenbodestraat genoemd. De duiven werden na hun dood opgezet en stonden te pronk in de burgemeesterskamer.

Leeuwken, een dappere jongen van zestien jaar, valt bij een uitval naar de Spaanse schansen in handen van de Spekken, een bijnaam van de Spaanse vijand. Hij wordt vlak onder de stadsmuren onderste boven aan een been aan de galg tentoongesteld om de Leidenaars zo te laten zien dat er met de Spanjaarden niet te spotten valt. In de nacht wordt hij door een vriend van de galg gehaald en tijdelijk buiten de stadveste begraven. Na het ontzet krijgt Leeuwken een herbegrafenis in de Pieterskerk, waarvan tot Leiden getuige is.

Valdés zet het stadsbestuur onder druk zich over te geven. De bevolking zal geen haar worden gekrenkt, als ze maar het protestantse geloof afzweert. Jan van der Does geeft de bode namens het stadsbestuur een briefje mee met de volgende Latijnse teks, een distichon van de Romeinse dichter Cato: Fistula dulce canit, volucrem dum decipit auceps. (De vogelaar, op bedriegen uit, de vogel lokt, met zoet gefluit) Van overgave kan geen sprake zijn.

In de nacht van 2 op 3 oktober stort met donderend geraas de walmuur ten oosten van de Koepoort in. Zijn de Spanjaarden van schrik gevlucht? Kunnen ze het geluid niet thuisbrengen en vermoedden ze een uitval van de Leidenaars. De Spanjaarden zijn als de dood voor de geuzen die bij hen bepaalde niet als zachtzinnig bekend staan. Een waker op de stadsmuren heeft in de verte wel lichtjes van de schans Lammen zien wegtrekken. Zouden de gehate Spanjolen vertrokken zijn? De weesjongen Cornelis Joppensz. wordt er op uit gestuurd om ter plekke poolshoogte te gaan nemen. Hem wordt zes gulden in het vooruitzicht gesteld. Hij komt met een goede tijding terug. De schans Lammen blijkt helemaal verlaten. Nu gaat Gijsbert Cornelisz. Schaeck met een vendel gewapende stadsgenoten naar de schans. Die blijkt in der haast verlaten. De hutspot, een stamppot van peen en uien en waarschijnlijk pastinaak hangt nog te pruttelen. Ze doen zich er aan tegoed en nemen het restant in de hutspotpot mee naar de benieuwde en uitgehongerde bevolking. Nog steeds eten Leidenaren over de hele wereld op of rond 3 oktober hutspot. Echter nu met aardappelen. In 1574 moest de aardappel als volksvoedsel nog worden ontdekt, die werd immers geïntroduceerd vanuit Zuid-Amerika.

De schans Lammen was een van de grotere forten rondom Leiden. Aanvankelijk was dit verdedegingswerk door de Leidenaars opgericht, maar de Spanjaarden namen het in 1573 in, zonder er ook maar iets voor te hebben hoeven doen. Lammen lag tactisch langs de Vliet en de vaarroute langs de Vrouwenvaart naar Zoeterwoude.
Waar de schans Lammen exact gelegen heeft is niet precies bekend. Door middel van crowdfunding bekijkt een enthousiaste groep Leidenaars of er via de bestudering van oude kaarten en archeologisch onderzoek meer duidelijkheid kan komen.

Onder de tegenovergelegen Sint-Jeroensbrug kwamen op de vroege ochtend van 3 oktober 1574 om 8.00 uur de Watergeuzen onder leiding van Louis de Boisot met haring, wittebrood en kaas de uitgehongerde stad binnen. De Geuzen hebben maar liefst 45.000 haringen aan boord; wel wat veel als je bedenkt dat de bevolking nog maar uit 8000 zielen bestond. Waarschijnlijk wisten de geuzen niet wat ze in Leiden zouden aantreffen. Na zo lang niet gegeten te hebben bezwijken enkele uitgehongerde Leidenaars aan de overdaad. In de rechtermuur van de Sint-Jeroensbrug vinden we een gedenksteen met daarop de volgende tekst:

Men was in groot verdriet 
Want eten wasser niet
Ent volc van honger schreiden 
Ten laetst God nedersiet 
En zunt deur deze Vliet 
Broot, spiz en dranc in Leiden.

De letters van de datum 3 oktober zijn onderstreept.

Leiden Ontzet Holland Gered.

Nog steeds vormt de gratis uitdeling van haring en wittebrood een populair onderdeel van de jaarlijkse viering van Leidens Ontzet.

Centraal in het Van der Werffpark staat het standbeeld van burgemeester Pieter van der Werff. Het is er in 1884 neergezet, nadat het Leids studentencorps in 1874 besloten had tot de oprichting van het standbeeld. De Haagse beeldhouwer Johan Philip Koelman (1818-1893) vervaardigde het standbeeld. De Leidse historicus Robert Fruin, verantwoordelijk voor de debunking van heel wat legenden rond de Tachtigjarige Oorlog, stelt dat bronnen uit die tijd nergens melding maken van de heldhaftigheid en het ter beschikking stellen van het lichaam van Van der Werff. Waarschijnlijk is hier sprake van legendevorming door het nageslacht.

Magdalena Moons was de vriendin van de Spaanse veldheer Valdéz. Zij zou de rol van spionne gespeeld hebben. Volgens een hardnekkige mythe zou zij Valdéz hebben weerhouden om Leiden aan te vallen. Er zouden te veel lieve vrienden en familieleden binnen de poorten van Leiden zijn. Valdéz stelde de aanval uit, zodat het water verder kon stijgen. In 2017 is er een bijzondere leerstoel voor lokale geschiedenis naar haar vernoemd.

Andries Schot was een van de hoofdmannen van de schutters tijdens het Tweede Beleg. De schutterij tijdens het Eerste Beleg stond onder leiding van Noyelles, maar deze groep was wegens wangedrag ontslagen. Andries Schot leidde onder andere de uitval op de Boshuizerschans die plaatsvond op 29 juli 1574. Voor het beleg vanaf 1572 had hij namens de Staten van Holland het beheer over de in beslag genomen goederen naar aanleiding van de Beeldenstorm. Uit de inkomsten hiervan werden de protestantse predikanten betaald. De in 1575 gestichte universiteit kon hier ook uit worden bekostigd. De oprichting van de universiteit werd mede mogelijk gemaakt door de verkoop van geconfisqueerde kunstschatten uit de Abdij van Egmond. Ook beheerde Schot de in beslag genomen goederen van glippers. De Andries Schotkade is naar hem vernoemd. Ten tijde van alarm bewaakte het schuttersvendel van Andries Schot de stadsmuur van de Hogewoerdspoort tot het Vlietgat, kapitein Knotter van de Hogewoerdspoort tot de Zijlpoort, het schuttersvendel van kapitein Van Thorenvliet van de Zijlpoort tot de Rijnsburgerpoort en dat van kapitein Havicksz. dat van de Rijnsburgerpoort tot aan het Vlietgat.


Het monument aan het Plantsoen draagt de koppen van de grote mannen uit de tijd van het Leidse Beleg en Ontzet Willem van Oranje, Jan van der Does, Jan van Hout en Louis de Boisot. Het beeld werd in 1924 onthuld door Koningin Wilhelmina bij gelegenheid van 350 jaar Leidens Ontzet. 

Het ijzeren beeldje van de Leidse weesjongen Cornelis Joppensz voor station Leiden Lammenschans is gemaakt door Ludwig Oswald Wenkebach en is gegoten door ijzergieterij Stöxen. Het beeldje werd hier in 1961 geplaatst ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de 3 October Vereeniging.

In 1573 en 1574 ziet het stadsbestuur zich al snel genoodzaakt om noodmunten uit te geven. Twee zaken vallen daarbij op als je het noodgeld van Leiden vergelijkt met ander noodgeld. Ten eerste is het zeer fraai vormgegeven. Er is een vakkundig stempelsnijder aan te pas gekomen. Ten tweede valt op dat de noodmunten van papier zijn, wat in die tijd zeker nog niet zo gangbaar was. Het Rijksmuseum beschikt over een collectie Leids noodgeld.

De dankbare bevolking toog massaal naar de Pieterskerk voor een dankdienst, die onder leiding stond van dominee Petrus Cornelius. Het toeval wil dat hij de enig overgebleven dominee van Leiden was. Alle andere voorgangers werden het slachtoffer van de pest. Toch bezocht Petrus Cornelius ook pestlijders. Na  het ontzetbesloten de intimi rond Leeuwken hem weer op te graven en nu een echte christelijke begrafenis te geven. Opnieuw was de Pieterskerk afgeladen. De dankdienst staat overigens nog elk jaar op het feestprogramma en heeft een interkerkelijk karakter.

Een grote groep huurlingen uit het leger van de Prins blijft achter in Leiden en sluit zich aan bij de schutterij of gaat aan de slag in een van de werkplaatsen waar als gevolg van de hongersnood en de pest heel wat plaatsen zijn opengevallen.

De Leidse universiteit werd in 1575 opgericht. De legende wil dat Willem van Oranje de stad vanwege haar standvastigheid belastingvrijdom wilde verlenen of een nieuwe protestantse universiteit. Willem van Oranje had snel in de noordelijke Nederlanden een nieuwe universiteit nodig voor het opleiden van gereformeerde dominees. Die universiteit had net zo goed opgericht kunnen worden in Haarlem, Middelburg, Deventer of Gouda. Dat het uiteindelijk Leiden geworden is, lijkt echter eerder toegeschreven te moeten worden aan een handige en snelle Leidse onderhandelaar dan als beloning voor standvastigheid, maar een mooi verhaal is het natuurlijk wel. De Leidse gedeputeerde bij de Staten Paulus Vos dringt er namelijk bij het Leidse stadsbestuur op aan snel een ruimte in de stad ter beschikking te stellen. Op 2 januari 1575 maant Willem van Oranje opnieuw tot snelheid. Hij is bang dat door de lopende vredesonderhandelingen een protestantse universiteit later niet meer doorgedrukt kan worden. Vanuit Middelburg schrijft Oranje dat Leiden hem een geschikte locatie lijkt. Deventer en Gouda hebben door de snelle actie van Vos het nakijken. Op 6 januari 1575 kan Vos Oranje melden dat Leiden zijn Praesidium Libertatis, Bolwerk der Vrijheid, heeft, eerst in het Barbaraklooster aan het Rapenburg en in het Faliede Begijnhof en zes jaar later waar wij de Alma Mater nu weten, in het klooster van de Witte Nonnen. Op 8 februari start de universiteit, op welke datum nog steeds jaarlijks de diës natalis wordt gevierd.

De lantaarn op het Stadhuisplein werd aangeboden door de 3 Octobervereeniging. En dat in tijden van crisis.


Meer lezen: 

J. H. Eichmann: Het Beleg en Ontzet der Stad Leiden in 1574. Leiden, 1874.

F. W. Engelenburg: Leiden tot 1574. Leiden, 1885.

R. Fruin: Het Beleg en Ontzet der Stad Leiden in 1574. 's Gravenhage, 1874.

Bernhardinus de Moor: Leidens Ontzet, 1774.

L. Knappert: Leiden Ontzet, Leiden, 1924.

J.J. Orlers: Beschrijvinge der Stadt Leyden. Leyden, 1641.

Emanuel Stickelberger: Het wonder van Leiden. Aalten, 1965. 
-------------------------------------------------------

Een Leidse architectuurwandeling 

Het Leidse stadsbeeld is in niet onbelangrijke mate bepaald door een groot aantal architecten van naam.

We beginnen onze wandeling aan de zeezijde van het station en gaan direct linksaf de Bargelaan in. We komen nu op de Rijnsburgerweg waarvan, evenals de meeste huizen aan de Boerhaave van de hand zijn van architect Hendrik Jesse (1860-1943). Hij ontwierp ook de Leidse volkswijk De Kooi, inclusief park en badhuis. Voor zijn tijd een heel vooruitstrevende wijk met veel aandacht voor licht en groen. Het loont de moeite om even door te lopen naar het woonhuis van Jesse, De Keet genaamd, nu in gebruik als internationaal kinderdagverblijf. Jesse ontwierp en bouwde dit huis in 1905-06, waar hij uiteindelijk ook in 1943 overleed. Van Jesse zijn eveneens de art nouveau panden Maarsmansteeg 8 en Breestraat 56 en 14 in Leiden. 

We keren terug op onze schreden en gaan onder het viaduct door en zien meteen links het Achmeagebouw van Leidenaar Fons Verheijen. Het gebouw is geïnspireerd op de kunststroming De Stijl
van onder andere Theo van Doesburg. Verheijen ontwierp ook Naturalis, waarvan we de toren op verschillende plekken in de stad goed kunnen zien.

Leiden kende het fenomeen stadsarchitect.
Arent van 's Gravesande was er een van, toen werd de stadsarchitect nog 'fabriek' genoemd. Van 's Gravesande was een leerling van Jacob van Campen die het Amsterdamse stadhuis op de Dam ontwierp.Arent is een vertegenwoordiger van het Hollandse Classicisme. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de bouw van de Marekerk, de Lakenhal, de Bibliotheca Thysiana, de Doelenpoort, het Huis van Leyde aan het Rapenburg, het Eva van Hoogeveenshofje aan Doelensteeg met regentenkamer aan de Doelengracht en het Van Brouckhovenhof aan de Papengracht. Omdat Van 's Gravesande van buiten kwam kreeg hij hier verder moeilijk een poot aan de grond. Hij kreeg in ieder geval van het gemeentebestuur niet volledig de vrije hand.
De Marekerk is gebouwd op 4000 palen en bezit nog meubilair uit de bouwtijd 1639-1649, onder andere de preekstoel, de koperen lezenaar en de herenbanken. Het orgel uit 1629 komt oorspronkelijk uit de Pieterskerk.


Jan Willem Schaap (1813-1887) was stadsarchitect in de periode van 1863 tot 1884. Waarschijnlijk is de Leidse Schouwburg zijn opvallendste ontwerp. Schaap behoort niet tot een specifieke bouwstijl. Andere gebouwen van Schaap in Leiden zijn sociëteit Amicitia aan de Stationsweg, de Kweekschool voor de Zeevaart aan het Noordeinde, de voormalige universiteitsbibliotheek aan het Rapenburg, uitgeverij Sijthoff en het vroegere Stedelijk Gymnasium, beide aan de Douzastraat, het gebouw dat nu in gebruik is bij de Webster University aan de Boommarkt, het gebouw van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen aan de Steenschuur, de Evangelisch-Lutherse kerk en enkele huizen aan de Pieterskerkgracht.
Schaap woonde zelf in de stadsvilla aan het  Noordeinde.

Zeer opvallend voor het stadsbeeld van Leiden is architect Van der Laan geweest. De in Leiden geboren en gestorven Jan van der Laan (1896-1966) ontwierp De Nederlandse Bank en school op de hoek van het Kort Rapenburg en het Galgewater en het voormalige pand van Vroom & Dreesmann (1936) aan de Aalmarkt. Hij kreeg veel opdrachten uit de Rooms-Katholieke hoek, onder andere het Sint Elisabethziekenhuis aan de Hooigracht, de Leonarduskerk aan de Haagweg (1925) de OLV Hemelvaart en St.Josephkerk aan de Herensingel (1925-1926). Van der Laan kan gezien worden als een vertegenwoordiger van de zogenaamde Delftse School, al ging hij later steeds meer zijn eigen gang.

De Stadstimmerwerf, woning en naastgelegen werkplaats, aan het Galgewater werd gebouwd in 1612. Niet bekend is van wie het oorspronkelijke ontwerp is. Genoemd worden Lieven de Key, de eerste stadstimmerman Jan Ottentz. Van Seyst of Hendrick Cornelisz. Bilderbeek. De Stadstimmerwerf was het 29e Delftsblauwe huisje van KLM.

De Gijselaarsbank op het Kort Rapenburg werd opgericht ter ere van burgemeester De Gijselaar. Van hem werd gezegd: 'Er is maar ene goeie Leienaar en dat is De Gijselaar. Dit monument werd in 1919/1920 ontworpen door keramist en beeldhouwer Willem Coenraad Brouwer en aannemer en metselaar A.H. Vollebregt. De beeldjes Rouw en Herleving zijn prachtig.
Een van de oudste gebouwen in de stad is het gemeenlandshuis van het hoogheemraadschap Rijnland aan de Breestraat naar een ontwerp van architect Johan van Banchem.

Het Waaggebouw werd in 1657 gebouwd naar een ontwerp van Pieter Post en in 1662 van een reliëf  en ander beeldhouwwerk voorzien door Rombout Verhulst, kosten fl. 3227,10.

Willem van der Helm ontwierp de stadspoorten, waarvan nu alleen de Morspoort en de Zijlpoort zijn overgebleven. Ook ontwierp hij het torentje op het Academiegebouw aan het Rapenburg 73. Willem van der Helm was stadsbouwmeester van 1662 tot 167 en woonde toen ook in de Stadstimmerwerf.

Architect Dudok ontwierp het voormalige pand van het Leidsch Dagblad aan de Witte Singel 1. De opdrachtgever was uitgever Henri Sijthoff, het pand werd gebouwd in 1915-16 en is een specimen van De Amsterdamse School. De ornamenten zijn van W.C. Brouwer. In de glas-in-loodramen vinden we verbeeldingen van Nieuws, Advertenties en Critiek, de pijlers van de krant. Dudok ontwierp eveneens in 1915 de Gemeentelijke Hoogere Burgersschool op de hoek van de Burggravenlaan en de Hoge Rijndijk 

Bart van Kasteel ontwierp het nieuwe onderkomen van de universiteitsbibliotheek aan de Witte Singel.

De Sterrenwacht op het bolwerk van de Witte Singel is het oudste nog in gebruik zijnde observatorium ter wereld. Leidse sterrenkundestudenten doen hier nog steeds hun eerste praktijkervaring op. De Sterrenwacht werd in 1861 in gebruik genomen naar een ontwerp van Henri Camp. Ooit werd het Zoölogisch Laboratorium het lelijkste gebouw van Leiden gevonden. In 2017 werd dit project van WAM Delft voltooid.

De hofarchitect van Willem III Henri Camp ontwierp ook het Kamerling Onnesgebouw aan de Steenschuur dat oorspronkelijk bedoeld was voor natuurkundig onderzoek. Het gebouw is een voorbeeld van de neo-classicistische bouwstijl en is in de loop der tijd meerdere keren uitgebreid in alle richtingen. Het KOG werd in 1859 in gebruik genomen nadat in 1807 in de Steenschuur een kruitschip ontplofte. De zogenaamde Kleine Ruïne bleef tussen 1807 en 1859 onbebouwd. Hans Ruijssenaars van De Architectengroep tekende voor de renovatie in 2004 en maakte het pand geschikt voor de faculteit der Rechtsgeleerdheid, de nieuwe bewoner. In 2005 werd de Nationale Renovatieprijs aan het KOG toegekend. In 2008 werd het KOG verkozen tot beste voorbeeld van een bestaand pand dat een nieuwe bestemming krijgt in een prijsvraag georganiseerd door het Rijnlands Architectuur Platform (RAP) in samenwerking met het Leidsch Dagblad.

Aan de achterzijde van het Kamerling Onnesgebouw vinden we op de Zonneveldstraat het voormalige bureau van politie uit 1927. Het is gebouwd door gemeente-architect Jan Neysingh in de stijl van de Amsterdamse School. Nu resteert alleen nog de voorgevel en de terracotta-letters Bureau van Politie.

Het St. Anna Aalmoeshuis aan de Middelstegracht werd in 1492 opgericht en het kapelletje is versierd met het oudste gebrandschilderde raam van Nederland.

Tegenover het St.Anna Aalmoeshuis ligt de voormalige christelijke Bewaarschool, de voorloper van de kleuterschool, aan de Middelstegracht 5. Deze school werd in 1925 ontworpen door architect Willem Fontein en is een van de weinige scholen van hem die nog bewaard zijn. Het gebouw vertoont enkele elementen van de Amsterdamse School, maar is in verschillende perioden gebouwd, zodat het gebouw ook elementen van interbellumarchitectuur bevat. Nu is het een minimalistisch ingericht woonhuis, verbouwd door atelier Space. Zie ook www.atelier-space.nl

Architect Molkenboer ontwierp de uit 1835 daterende Hartebrugkerk in de zogenoemde Waterstaatsstijl. De verantwoordelijkheid voor de bouw van kerken lag in die tijd bij het Ministerie van Waterstaat. 

Architect Blaauw ontwierp het nieuwe stadhuis dat eerder in 1929 in vlammen was opgegaan. Hij liet de voorgevel van Lieven de Key intact.

Het voormalige politiebureau aan de Zonneveldstraat is een ontwerp uit 1929 van architect Jan Neysingh. Neysingh ontwierp ook in 1938 het Stedelijk Gymnasium aan de Fruinlaan.


We lopen niet helemaal naar de Petruskerk op de Lammenschansweg, maar kunnen er vanaf de Zoeterwoudse Singel wel een glimp van opvangen. De Petruskerk aan de Lammenschansweg. Deze katholieke kerk werd in 1933 gebouwd naar een ontwerp van de architecten Kropholler en Van Oerle. De kerk is een specimen van de Delftse School en werd gebouwd nadat de oude Petruskerk aan de Langebrug was uitgebrand. Besloten werd de kerk aan de Langebrug niet te herbouwen maar een geheel nieuwe kerk te bouwen in de nieuwe stadsuitbreiding in de richting van de Lammenschansweg. 
De zuilen van de afgebrande kerk zijn nog aan de Langebrug zichtbaar. Ze zijn in de nieuwbouw geïntegreerd.
Ook de huizen in de driehoek om de Petruskerk zijn van de hand van hetzelfde architectenduo. De sinistere steegjes rondom de kerkvormen het decor voor enkele passages uit de roman Kort Amerikaans van Jan Wolkers.  Wolkers heeft geen goed woord over voor deze lelijkste kerk van het land.


-------------------------------------------------------------------

Een roze wandeling door de stad Leiden.

Deze wandeling door Leiden staat in het teken van homoseksualiteit. Waarom roze? De roze driehoek was, net zoals de gele ster dat was voor opgepakte joden, het herkenningsteken voor homoseksuelen in concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. 
Nu wordt de kleur roze gelukkig heel wat positiever geassocieerd.

We beginnen onze roze wandeling bij, hoe kan het ook anders, café De roze Beurs op de Oude Singel. Opgezet door Rogier van der Linden wordt dit café, waar anders heel gewoon is, nu voortgezet door Chiel Hoogkamer. Elk jaar doet De roze Beurs mee met een originele boot mee aan de Peurbakkentocht en wist al menige prijs in de wacht te slepen. Het puilt er uit als het Songfestival wordt uitgezonden. Ook met Leidens Ontzet wordt er hier flink uitgepakt. Of ze hier koningsgezind zijn? Hoezo?

Op de Oude Singel 140 woonde Henk van Putten. Hij was openlijk homo en voor de homobeweging in Leiden opkwam al actief in het wereldje. Op 13 mei 1971 werd hier de LWH, de Leidse Werkgroep Homoseksualiteit, behalve door Henk van Putten opgericht door Paul de Jongh, Fred van der Burgh en Peter van Eeten. Vanaf 1971 stelde Henk maandelijks op de vrijdagavond zijn huis open voor informele bijeenkomsten. Er liepen in die tijd veel mensen rond die zich geen raad wisten met hun gevoelens. Huisartsen wisten met het homo-zijn nog niet goed om te gaan. In de kerk hoefde je er niet mee aan te komen en ook in de academische wereld wist men het maar moeilijk te plaatsen.

Sinds september 1985 huist het COC in het pand Langegracht 65. Na vele omzwervingen door de Leidse binnenstad vond de homobeweging eindelijk haar eigen thuis. Aanvankelijk functioneerden de LWH, Leidse Werkgroep Homoseksualiteit en de LVL, Lesbische Vrouwen Leiden los van elkaar in hetzelfde pand. Na de nodige verbouwingen met hulp van vele vrijwilligers was het gebouw geschikt voor de verschillende functies die de besturen zich ten doel hadden gesteld, gezelligheid, vergaderruimte en filmzaal. Naar de gevelsteen boven de deur wordt het COC-pand ook wel De Kroon of De Fransche Kroon genoemd. De Fransche Kroon was een van de merken van de firma Hartevelt. De firma Hartevelt stookte en verhandelde hier tussen 1734 en 1968 jenever. Het is daarmee het oudste fabriekspand van Leiden.
In 1985 werd na lang beraad besloten de LWH en de LVL te laten opgaan in een afdeling van de NVIH, de Nederlandse Vereniging voor Integratie van Homoseksualiteit. In 2000 werden alle afdelingen van het COC zelfstandige vereniging die tesamen een landelijke federatie vormen. Bij die gelegenheid besloten LWH en LVL te fuseren tot COC Leiden. Er zijn tijden geweest dat de populaire zaterdagavonddisco vierhonderd mensen trok, homo en hetero, jong en oud, gemoedelijk door elkaar.

Op de Oude Singel 212 runnen Lorenzo van Beek en Gaston Fonville het boutique hotel Het Huys van Leyden. Het is een waar verwenhotel, waarvan de inrichting helemaal uit de koker van beide heren is gekomen. Ja, je kunt het gastheerschap best aan deze twee originele mensen overlaten. En alsof Lorenzo het al niet druk genoeg heeft schrikt hij er niet voor terug zich 's avonds in travestie te hullen. Al jaren is hij succesvol met het travestie-trio The Alley Girls. Ook heeft Lorenzo op verschillende plekken in de stad drukbezochte travestiefestivals georganiseerd onder andere tijdens de Leidse Lakenfeesten op het volgestroomde Stadhuisplein.

Rogier van der Linden van De Hooikist op de hoek van de Groenesteeg en de de Hooigracht runt daar eigenlijk een restaurant, maar stelt zijn zaak na sluitingstijd op donderdag, vrijdag en zaterdag ook open voor een homogeoriënteerd publiek met bijvoorbeeld op het menu Nederlandstalige meezingers of de populaire foute bingo. Rogier werd bijna een bn-er nadat hij had meegedaan aan een televisieprogramma waarin hij de mogelijkheid had te trouwen met zanger Gordon.

Het vrouwenhuis 
MIKS 
Elly Kerckhoffs, raadslid voor de Partij van de Arbeid,

Op de Hogewoerd  nummer 18 runt uitbater Bert Jansen al tientallen jaren café Odessa. Vroeger organiseerde hij hier elke donderdagavond een drukbezochte gay-avond die tot in de kleine uurtjes doorging. Er hing altijd een prima sfeertje. Niet zelden werd er na sluitingstijd totdat het licht werd op de bar en op de tafels gedanst. Ach ja, dat waren nog eens tijden.


Het Plantsoen en dan met name in de omgeving van de vogelkooi staat vanouds bekend als cruising area, een plek waar mannen op zoek zijn naar seks met andere mannen. Hoewel het niet meer zo druk is als vroeger, door de concurrentie met de Vlietlanden, is het Plantsoen zeker nog als zodanig in gebruik.

Op de hoek van de Douzastraat 43 en de Boisotkade bevond zich eind zestiger jaren café Pardoeza. Het was een universtair trefcentrum met een dans- en nachtvergunning. Met de sluitingstijden nam men het dan ook niet zo nauw. Omdat de homobeweging nog geen eigen honk had, toog men na de woensdagavondvergaderingen naar Pardoeza. Er werd gedanst op het biljart. Dat jongens daar met jongens dansten werd niet door iedereen in dank aanvaard. Toen er ook nog eens heren in travestie binnenkwamen, hetgeen toen nog strikt verboden was, leek de maat vol. De barkeeper verbood het dansen met dezelfde sekse, er ontstond over en weer veel commotie in de Leidse media, maar toch kon niet worden voorkomen dat homo's de weg naar Pardoeza wisten te vinden. Nu heet Pardoeza nog heel toepasselijk De Vriend.

Op Witte Singel nummer 100 woont Peter van Eeten, een van de mannen van het eerste uur van de homobeweging in Leiden. Van Eeten is trouwens nog steeds actief binnen het COC, met name in de buitenlandgroep, waarin opgekomen wordt voor de rechten van LHBT-ers in landen die wat emancipatie betreft nog niet zover zijn als Nederland. Terecht dat hij dan ook in 2017 de tweede Henk van Puttenprijs toegewezen heeft gekregen.

Helmuth Driessen woont in de Bilderdijkstraat nummer 5. Hij was jurist bij de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast was hij In de jaren zestig en zeventig heel wat jaren fractievoorzitter van de KVP, de Katholieke Volkspartij, een van de voorlopers van het huidige CDA, in de Leidse gemeenteraad. Hij hielp waar het maar kon gelijkgestemden met advies en met het leggen van contacten. Ook stelde hij zijn grote woning regelmatig beschikbaar voor informele bijeenkomsten. Overnachten was geen enkel probleem en dat was in de coming-outfase soms maar wat handig. 

Voor de fusie met Minerva zetelde de VVSL, de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden, in het pand Rapenburg 65. De in Leiden gestudeerd hebbende neerlandica Marijke Harberts (1936) geeft in haar roman Doezamand (1994) een aardig inkijkje hoe het er hier in de vijftiger jaren aan toe ging. Niet alle èles, zoals de dames in twinset werden genoemd, wisten bijvoorbeeld op seksgebied waar Abraham de mosterd haalde. 'Wat vind jij eigenlijk van een gelijktijdig orgasme? Eh, dat is nog eens wat anders dan de svarabaktivocaal.' Seks van vrouwen onderling lijkt hierin absoluut onbespreekbaar.



Het bureau van politie aan de Zonneveldstraat lijkt misschien een vreemde eend in de bijt, maar is dat zeker niet; ik zal u uitleggen waarom. Het heeft alles te maken met artikel 148 bis uit het Wetboek van Strafrecht. Mannen mochten langere tijd geen seks hebben met minderjarige jongens en die grens lag vroeger op 21 jaar.
Er werd zelfs een lijst van verdachte personen bijgehouden, compleet met foto's. Het politiebureau deed hier dienst van 1927 tot  1 april 1981.

Tegenover de bibliotheek aan de Nieuwstraat vinden we café De Twee Spieghels dat gerund wordt door Colin van Gestel-Messiaen. Je  kunt er vaak gelijkgestemden tegenkomen. Meerdere keren per week is er live jazzmuziek. Neem er gerust een wijntje bij,  kwaliteit gegarandeerd, want Colin haalt de wijn zelf uit Frankrijk.

Op de Langebrug 93 opende ondernemer Henk van Putten in het midden van de zeventiger jaren het eerste echte homocafé van Leiden en noemde het De Klikspaan. Het was een kleine, intieme ruimte. Nadat Henk enige tijd later een homodisco opende aan de Doelensteeg 11 kreeg die gelegenheid ook de naam De Klikspaan en ging de Langebrug liefkozend De Kleine Klik heten. Het plafond van de disco bestond geheel uit afgedankte deuren. Onder de clientèle bevonden zich naast studenten, veel militairen uit de naastgelegen Doelenkazerne. De Klikspaan werd een groot succes. Veel hetero's wisten de weg ernaar te vinden en zo werd De Klikspaan zoetjesaan een gewone disco en verdwenen de homo's.

Op de hoek van de Nieuwe Beestenmarkt en de Beestenmarkt bevond zich vroeger de Veronicabar, in de volksmond De Vroon genoemd, een gelegenheid waar het voornamelijk in de late uurtjes nog wel mogelijk was als man een man te scoren. Wel een beetje shabby. Je kwam er vaak, of je kwam er nooit.

Vlak voor molen De Valk in het plaveisel van de Beestenmarkt lag een zebrapad in de kleuren van de regenboogvlag, het enige Leidse gaybrapad. Het gaybrapad kwam negatief in het nieuws nadat leden het dispuut Sjap Eisjedies van studentenvereniging Quintus bij wijze van studentengrap de oversteekplaats met verf hadden  beklad en de Hitlergroet brachten. De Sjappies moesten vervolgens diep door het stof en op de studentenvereniging een congres over homo-emancipatie organiseren. Uiteindelijk is de zaak via mediation in der minne geschikt. Vanaf de Outcomingdag 2017 ligt het gaybrapad in de Steenstraat ter hoogte van de 5e Binnenvestgracht. Het veel drukkere gaybrapad werd 11 oktober 2017 door de Leidse wethouder Roos van Gelderen officieel in gebruik genomen.

Nu we toch voor molen De Valk staan, deze is rond Wereldaidsdag op 1 december meerdere keren ingepakt geweest in de regenboogkleuren. Lorenzo van Beek van The Alley Girls, of liever gezegd zijn handige moeder, naaiden de doeken aan elkaar. Ook andere objecten waaronder de Koornbeurs werden ooit ingepakt.

Het huis staat er niet meer, maar zanger Ramses Shaffy heeft ook in Leiden gewoond, achter het station in het toenmalige Terweepark.

We wandelen er niet heen maar het is goed om te weten dat de homo-activist, acteur en verzetsstrijder Niek Engelschman (1913-1988) een straat naar zich vernoemd weet, een zijstraatje van de Herensingel. Engelschman maakte in 1946 met de Shakespeareclub een doorstart en richtte in Amsterdam een vereniging op die later het COC, het Cultureel Ontspannings Centrum, zou gaan heten.


----------------------------------------------------------------

Een Hugenotenwandeling door Leiden 

Als u het telefoonboek van Leiden opslaat zal het u opvallen dat de Sleutelstad heel wat mensen huisvest met een Franse achternaam. Er zijn tijden geweest dat een derde deel van de bevolking uit Franstaligen bestond. Deze mensen hebben moeten vluchten vanwege hun geloof en Leiden bood deze mensen een veilige plek. Niet voor niets is Leiden stad van vluchtelingen. Ze worden Hugenoten genoemd, waarschijnlijk naar het Duitse woord Eidgenossen.

In de zogenaamde Bartholomeusnacht of de Parijse Bloedbruiloft in de nacht van 23 op 24 augustus 1572 werden in Frankrijk grote aantallen protestanten door de overheersende katholieken gelyncht. De protestantse Hendrik van Navarra trad op die dag in het huwelijk met de katholieke Margareta van Valois. Vele vooraanstaande protestanten bezochten de bruiloft en vonden de tijd rijp de protestanten een lesje te leren. Er volgden roerige jaren waarin zeker 40.000 Franse Hugenoten de dood vonden.

In het zogenaamde Edict van Nantes van 13 april 1598 werden de protestanten door Hendrik IV enige rechten in de uitoefening van hun geloof gegeven. Veelal waren zij hoogopgeleid en vaak van adel, dus eigenden zij zich zoveel mogelijk toe. Zo mochten de protestanten beperkt eigen kerkgebouwen neerzetten en eigen begraafplaatsen aanleggen. Bij de herroeping van het Edict van Nantes in het Edict van Fontainebleau  van 17 oktober 1685 werden die rechten weer ingetrokken. Lodewijk XIV had als devies Een koning, een wet, een geloof. Alleen het katholicisme was vanaf dat moment toegestaan. De Hugenoten hadden twee keuzes: Terugkeren in de katholieke moederschoot of vluchten. Vluchten was echter verboden. Desalniettemin zetten tienduizenden Hugenoten die beslissende stap. Naar schatting honderdduizend Hugenoten namen de wijk. Velen vluchtten naar Zwitserland, Duitsland of de Nederlanden. In Amsterdam, Haarlem en Leiden streken zo'n 35.000 Hugenoten neer.

Op de hoek van de Beestenmarkt en de Nieuwe Beestenmarkt vinden we een gevel met daarop de tekst Int lant van beloften in de nieuwe stad. In het land van beloften refereert aan het bijbelboek Numeri hoofdstuk 13 vers 1-33. Hier worden de verspieders van Kanaän uitgebeeld, ze komen terug uit de woestijn met een bijna niet te tillen druiventros. Tussen het Galgewater en de Oude Herengracht vond tussen 1610 en 1612 een vierde stadsuitbreiding plaats. Deze stadsuitbreiding was nodig door de grote toeloop van de universiteit en de groeiende textielnijverheid. De stad was in bevolking gehalveerd door de honger en de pest. Er was een grote vraag naar nieuwe arbeiders. Hieronder bevonden zich vele Franstaligen. Het gebied heeft lange tijd bekend gestaan als de Nieuwe Stad of de Franse Buurt, hof kortweg Walenwijk. Door deze uitbreiding was het nodig de Marepoort te verplaatsen. De oude Marepoort stond op de plaats van het gelijknamige café In den Ouden Marenpoort.

De oude Leidenaars vinden de Walen aanvankelijk maar vreemde snoeshanen; ze zijn wat protserig en hebben wat meer te makken. Dat geeft scheve ogen.
De integratie tussen allochtonen en autochtonen verloopt echter vrij snel. Dat komt door het schrikbarende vrouwentekort onder de Walen. De meeste inwijkelingen zijn van het mannelijk geslacht, dus wordt er bij trouwen al snel een beroep gedaan op de schone Leidse dames. Het duurt echter wel langer voordat de nieuwkomers een plaatsje weten te bemachtigen in het stadsbestuur.

Op Rapenburg 120 vinden we een uit dankbaarheid door Amerikanen aangeboden plaquette ter meerdere eer en glorie van Johan of Jean Luzac (1746 - 1807.) Jean Luzac was uitgever en journalist van de Gazette de Leyde. De krant werd in 1677 door een aantal Hugenoten opgezet en werd later ook nog door Jeans vader gerund, maar door zijn zoon Johan tot nog grotere hoogte gestuwd. De krant was wereldvermaard vanwege zijn internationale nauwgezetheid. In zijn tijd was het de meest gezaghebbende krant ter wereld met internationale kopstukken als Lodewijk XVI, president Jefferson en Voltaire als abonnee. Helaas was Johan Luzac een van de vele slachtoffers van de buskruitramp van 1807. Hij belandde daarbij jammerlijk in het kolkende water van het Rapenburg. Op deze plek werd Luzac door de kracht van de klap het water in geslingerd.

Natuuronderzoeker, arts, schilder en dichter Le Franq van Berkhey, geboren en getogen Leidenaar ( 1729 - 1812) verloor zijn huis en bijna zijn leve bij diezelfde buskruitramp. Koning Lodewijk zorgde ervoor dat alle daklozen konden worden ondergebracht in het speciaal voor dit doel opengestelde Huis Ten Bosch in Den Haag, het latere koninklijke paleis.
Le Franq van Berkhey studeerde eerst klassieke talen, maar promoveerde in de medicijnen. Zijn bekendste werk is de dichtbundel Het onbedwingbare hart. Hij ligt begraven in de Hooglandse Kerk, waar hij een schitterend grafmonument heeft.

Aan de overkant van Templum Salamonis op Pieterskerkkerkhof 40b vinden we de Bibliothèque Wallone die zich speciaal richtte op de Franstalige bevolking. Het gebouw, dat ook als hospitaal  en weeshuis in gebruik is geweest, heeft een kapconstructie uit 1380 en is daarmee waarschijnlijk het oudste gebouw van de stad.  Boven de deur van Pieterskerkhof 40 is de zinspreuk van de Waalse gemeente Lilium inter spinas te vinden en dat betekent Lelie onder de doornen. Hier is ook enige tijd het nosocomium academicum gevestigd geweest. Nosocomium is Grieks voor ziekenhuis, maar Leidenaren noemden dit in de volksmond nou-zo-kom-je-om.

Leiden beschikte niet alleen over een Waalse Bibliotheek, maar ook over een eigen hospitaal, het Hopital Wallon aan de Papengracht (nu het grootste Minerva-studentenhuis) en een kerk aan de Breestraat de Eglise Wallon aan de Breestraat. Iedere zondagochtend worden er nog steeds in de Franse taal diensten opgedragen. Culte le dimanche à dix heures et demi staat er op de deur van de Waalse Kerk naast de Stadsgehoorzaal.
Het duurde zeker drie generaties voordat de nieuwkomelingen een beetje Nederlands gingen spreken en zich gingen mengen onder de autochtone bevolking. Wat dat betreft is er nog steeds niets nieuws onder de zon, dure inburgeringstrajecten ten spijt. 

Echter, een groot gedeelte kwam hier om economische redenen. Hier in Leiden was volop werk te vinden en was en is men zeer verdraagzaam. De Fransen genoten hier godsdienstvrijheid. En de Fransen hadden geld, kennis en waren werkwilend. De Leidse gemeenschap wilde niet opdraaien voor alle kosten bij ziekte of werkloosheid, dus moest de achterblijvende familie borg staan. Leidse gemeente-ambtenaren togen naar het noorden van het huidige Frankrijk, in de buurt van Henegouwen en Valenciennes, om er arbeiders te charteren. Met name zijn hier veel immigranten uit Hondschoote neergestreken. De overeenkomst werd op papier gezet. Ze kwamen hier ongetwijfeld lopend naar toe om een nieuwe toekomst op te bouwen. Als ze geluk hadden konden ze misschien met een boot een stuk de rivier de Maas afzakken. Langs de Schelde was niet mogelijk vanwege de Val van Antwerpen in 1585. 

Leiden was wel goed maar niet gek. Hier werken was okay, zo niet dan moesten die Fransen terug of verzorgd worden door leden van de eigen gemeenschap. Dat terugsturen gebeurde echter maar zelden. Een ding is zeker, zonder al die immigranten was er geen Gouden Eeuw geweest en had Leiden nu niet op de kaart gestaan.

De Hugenoten stonden onder leiding van Gaspard de Coligny.

Rond 1700 telde de Franse gemeenschap in Leiden naar schatting zo'n 5000 leden. Dat moet zijn weerslag hebben gehad in het typisch Leidse dialect. De uitdrukking 'niet dan' aan het eind van een zin is een rechtstreekse vertaling van het Franse n'est-ce pas. En de rollende r heeft ook zijn roots in het Frans dat de nieuwkomers spraken.

Nu ligt het grootste deel van de Bibliothèque Wallone opgeslagen in de universiteitsbibliotheek in Leiden en in Amsterdam te wachten op ontsluiting. Wie heeft er interesse?

De Franstalige gemeenschap kerkte eerst in de Vrouwenkerk aan de Haarlemmerstraat. Later stapte zij over naar de Waalse Kerk aan de Breestraat, waar nog steeds iedere zondag een dienst in het Frans wordt opgedragen. 
De veertiendeeeuwse Onze-Lieve--Vrouwekerk raakte in de Tachtigjarige Oorlog zwaar beschadigd als gevolg van Spaanse kanonskogels. Een rijke dame kocht de Vrouwekerk, liet deze verbouwen en verkocht deze weer aan de gemeente onder voorwaarde dat de kerk voor de Hugenoten bestemd zou worden. Vanaf 1584 werden de diensten in het Frans verzorgd. Rond 1700 telde de Vrouwekerk 6000 leden. Tijdens de collecte werd geld ingezameld voor de eigen gemeenschap.
In de Waalse Kerk hangt een portret van Jean Michel die we kennen als de oprichter van het Jean Michielshofje aan de Pieterskerkstraat. Het bijbehorende schilderij van zijn echtgenote Catharina Geschier ontbreekt omdat het in 1999 gestolen is. Er is nooit meer iets van vernomen. Het Steevens/Van Assendelftorgel werd na het afstoten van de Vrouwenkerk in 1813 overgeplaatst naar de Breestraat. De vertaling van de tekst rond het doopvont luidt: Laat de kinderen tot mij komen.

Ook voor de Waalse ouderen werd gezorgd. Op de Oude Singel was een Waals oude liedenhuis. Het Loridanshofje aan de Oude Varkenmarkt is daar een mooi voorbeeld van. De van oorsprong Waalse lakenreder Pieter Loridan bepaalde in 1655 in zijn testament dat er in Leiden een hofje moest komen bestemd voor arme echtparen 'uit den vreemde'. Twaalf woninkjes moesten er komen, een bijbelse verwijzing naar de twaalf apostelen. Dat aantal komt in Leiden vaker voor. Ook het Jean Pesijnshofje, het Jean  Michielshofje en het Jan de Laterehofje waren bestemd voor lieden uit andere landen.

JustInus van Nassau ligt samen met zijn echtgenote begraven in een praalgraf in de Hooglandse Kerk. Hij is zover we weten de enige bastaardzoon van Willem van Oranje, al weet je dat bij de Oranjes nooit helemaal zeker. Justus was kolonel in een Waals vendel van het Staatse leger.

De Waalse bakkerij was gevestigd aan de Stille Rijn 4. 

Waals Oudeliedenhuis en Weeshuis aan de Oude Singel.

De dwarse Pieter de la Court woonde aan het Steenschuur. 

Le Pla, In den Vergulden Turk . Eerder De Vergulde Druyff, hier woonde ook stadssecretaris Jan van Hout die een indrukwekkend immigratiebeleid ontwikkelde. 
Lipsius 
Carolus Clusius
Joseph Scaliger

-----------------------------------------------------------------------------

Een Pilgrim Fathersroute 

De Pilgrim Fathers is de naam van een groep Engelse streng calvinistisch georiënteerde geloofspuriteinen die vanuit Engeland naar Nederland gevlucht waren. Zij hadden hun eigen geloofsleer opgesteld. Koning Jacobus I van Engeland maakte het deze gelovigen erg moeilijk en zette ze behoorlijk onder druk door ze te dwingen hun geloof in te leveren. Ze waren voornamelijk afkomstig uit Nottinghamshire, Yorkshire en Lincolnshire, waar ze veelal in grote armoede leefde. Aanvankelijk streken zij onder leiding van ouderling William Bradford neer in Amsterdam, maar later vestigden zij zich in Leiden. De reden dat zij in Leiden neerstr eken was dat Leiden een tolerante stad was (en is), de aanwezigheid van de universiteit en de groeiende textielnijverheid, waarin veel werk te vinden was. In antwoord op een schriftelijk verzoek om zich in Leiden te mogen vestigen kregen zij van het stadsbestuur te horen dat zedige mensen van onbesproken gedrag in Leiden altijd welkom zijn. De Pilgrim Fathers verbleven hier van 1609 tot 1620. Zij woonden onder andere in en om het Jean Pesijnshofje in de Kloksteeg, waar onze wandeling dan ook begint. Door heel Leiden woonden ongeveer 300 Pilgrims.

Dominee John Robinson woonde op de plek waar nu het Jean Pesijnshofje staat. Vroeger werd deze kavel de Groene Poort en later de Engelse Poort genoemd. Hij bouwde op deze plek 21 huisjes voor geloofsgenoten. Zij werden niet erkend door de de Nederlandse gereformeerde kerk en mochten ook de Leidse kerkgebouwen niet gebruiken voor hun erediensten. Er wordt vanuit gegaan dat Robinson bij hem thuis diensten verzorgde. Andere vertegenwoordigers van de Engelse gemeenschap in Leiden zouden de leer te zeer vertroebelen. Daarom werd meestal ook binnen de eigen gemeenschap getrouwd. John Robinson reisde niet mee naar Amerika. Hij overleed hier in 1625 en werd begraven in de doopkapel van de Pieterskerk. In de muur van de Kloksteeg vinden we een gedenksteen die aangeeft dat John Robinson hier woonde, voorging en stierf.

De belangrijkste reden om te vertrekken uit Leiden vormde de godsdiensttwisten tussen Gomarus en Arminius, waar zij niet in betrokken wilden worden.
De Pilgrim Fathers vonden het in Leiden te libertijns en ze waren bang dat hun principes hier door vermenging zouden verwateren. Bovendien was hun financiële situatie niet om over naar huis te schrijven. Ongeveer 120 Pilgrims vertrokken op 16 september 1620 in bootjes l vanaf de Vliet naar Delfshaven om daar in te schepen in de Speedwell, eerst  naar Southampton en later in de Mayflower naar de Nieuwe Wereld. Een beeldje aan de Vliet herinnert aan dit historische vertrek. 
De Speedwell bleek bij vertrek uit Engeland zo lek als een mandje en bleek niet zeewaardig genoeg om de oversteek te maken. 102 Pilgrims gingen toen scheep in de Mayflower en allen overleefden de zware tocht. 
Er is trouwens maar een schilderij van een Pilgrim Father overgeleverd, te weten Edward Winslow.
Waarschijnlijk was het niet volgens hun geloofswetten om met hun rijkdom te pronken of ontbrak het hun aan geld.

Even opletten. We gaan nu rechts een heel smal steegje in, de Arend Roelandsteeg. Arend van Rollandt was in de 15e eeuw schepen, zeg maar een soort wethouder van Leiden. We gaan nu links af de William Brewstersteeg in. Hier had de naamgever van deze steeg zijn Pilgrim Press. Brewster (1568-1644) doceerde Engels aan de Leidse universiteit en was een van de belangrijkste figuren van the Pilgrim Fathersgro. Hij drukte hier verschillende godsdienstige traktaten. Ook werd hij ouderling naast John Robinson.Niet onwaarschijnlijk is dat hier de voorloper van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van de pers rolde. Aangekomen in Amerika nam hij de leiding op zich.

In de Beschuitsteeg 9 is een Pilgrim Fathersmuseum ingericht. De Pilgrimgemeenschap is veel dank verschuldigd aan directeur Jeremy Bangs, die veel publicaties over de Pilgrims op zijn naam heeft staan. In het museum is te zien hoe de Pilgrims in Leiden geleefd hebben. Er zijn gravures , land- en zeekaarten en authentiek keukenmateriaal in een schouw te bewonderen.

In het archief van Erfgoed Leiden en omstreken aan de Boisotkade is veel materiaal te vinden dat nog op ontsluiting wacht. Ook is er een kleine tentoonstelling.
Zeven Amerikaanse presidenten hebben hun roots bij de Pilgrim Fathers liggen: Grant, Taylor, Coolidge, Franklin Delano Roosevelt, George H.W. Bush, George W. Bush en Barack Obama. Bush sr. heeft  een bezoek aan Leiden gebracht en de echtheid ervan kunnen vaststellen. Ook Marilyn Monroe, Richard Gere en Bing Crosby hebben Pilgrimvoorouders 

Zondigen was uit den boze. Ondanks hun strenge geloofspunten mocht er alcohol genuttigd worden, al was dronkenschap strikt verwerpelijk. Seks, maar dan wel binnen het huwelijk, was geen probleem. Zij droegen ook opvallend kleurrijke kleding.

Hendrick Beffert en Joris Wright waren pijpenmakers in de buurt van de Zijlpoort, waarschijnlijk in de Zijlstraat die vroeger Looiersstraat heette. Er zijn verschillende pijpenstelen met daarop hun initialen gevonden. Zij stonden aan het hoofd van het Leidse pijpenmakersgilde. Ze waren in de zeventiende eeuw gevlucht voor het schrikbewind van Jacobus I en maakten de oversteek met de Mayflower niet en werden hier de belangrijkste pijpenmakers.

De Pilgrim Fathers worden gezien als de Founding Fathers van de Verenigde Staten.
Amerika heeft het burgerlijk huwelijk aan de Pilgrim Fathers te danken. Ook de viering van Thanksgivings Day gaat terug op een oude Pilgrimtraditie; hun eerste oogstviering.

--------------------------------------------------------------------


Leidse kunstschilders

We beginnen onze wandeling bij het geboortehuis van de grootste kunstschilder ooit.
Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1616 in de Leidse Weddesteeg geboren. De eerste vijfentwintig jaar van zijn leven heeft hij in Leiden gewoond. Hij is op school gegaan bij de Latijnse school. 

Aan het begin van de Witte Singel  staat een standbeeld van Rembrandt van Rijn. De bronzen buste werd in 1906 gebeeldhouwd door Toon Dupuis naar aanleiding van de 300-ste geboortedag van Rembrandt. Nog ieder jaar wordt er hier jaarlijks om klokken twaalf een toost uitgebracht op Rem.

Even verder aan de Haagweg vinden we het kunstenaarscentrum Haagweg 4, waar onder andere kunstchilder Dick Bakhuizen van den Brink zijn atelier heeft.

We keren terug op onze schreden en lopen het Noordeinde richting centrum uit.

Gerrit Dou (1613-1675) is in Leiden geboren en gestorven. Een gedenksteen is te vinden op het Kort Rapenburg, waar hij woonde. Hij werd in eerste instantie opgeleid door zijn vader die hier glasgraveur was. Gerrit Dou was de eerste leerling van Rembrandt samen met Jan Lievens. Rembrandt heeft zeker in het begin grote invloed op hem. Van Rembrandt leert hij de licht/donker techniek: De claire obscure. Dou is een echte fijnschilder, zo nauwkeurig zelfs dat hij zijn eigen fijne penselen vervaardigde. Dou legde zich voornamelijk toe op genrestukken, die nog aan intimiteit winnen doordat we via een boogvenster naar binnenkijken. De zogenaamde 'kaerslichten' van Dou zijn op een gegeven moment razend populair. Zelfs voor kenners is het moeilijk de twee kunstenaars uit elkaar te houden. Het Rijksmuseum is in het bezit van het belangrijkste schilderij van Gerrit Dou: Portret van een lezende vrouw. Dou produceerde ongeveer tweehonderd schilderijen waarvan er dertien in de Leiden Collection bewaard worden. Hij had zijn atelier aan het Galgewater. Dou is overigens nooit getrouwd geweest.

Een van de oudst bekende schilders van Leiden is de zestiendeeeuwse Engebrecht Cornelisz. Tot zijn leerlingen behoorden behalve zijn drie zoons onder andere Pieter Cornelisz Kunst, Aertgen Claes van Leyden en Lucas van Leyden, die zijn leermeester verre zou overtreffen. Lucas van Leyden werd geboren op de grote weg buiten de Rijnsburgerpoort. Later verhuisde het gezin hoogstwaarschijnlijk naar de Breestraat 83a (?). Hij is vooral bekend geworden van zijn drieluik Het Laatste Oordeel in de Lakenhal, dat bedoeld was als altaarstuk in de Pieterskerk voor de steenrijke Dirc van Swieten. Verschillende doeken van Lucas van Leyden ontkwamen niet aan de Beeldenstorm van 1566. In het klooster van de Witte Nonnen aan het Rapenburg scheurden jonge knullen de doeken los en liepen er al zwaaiend mee naar buiten. Lucas van Leyden overleed op 39-jarige leeftijd aan tuberculose en werd begraven in de Pieterskerk. Jan Wellens de Cock was de laatste zestiendeeeuwse schilder die een band met Leiden had. Hij werd hier geboren, verhuisde naar Antwerpen en wordt wel gezien als de eerste navolgers van Hieronymus Bosch.

De daarop volgende Gouden Eeuw laat heel wat meer schilders zien. Naar schatting zijn er in de Nederlanden in de Gouden Eeuw ongeveer vijf miljoen schilderijen vervaardigd. En dat door ongeveer 1500 kunstschilders op een bevolking van rond de 1,2 miljoen inwoners, waarvan het grootste gedeelte zich het laten maken van of het bezit van een schilderij niet kon veroorloven. Om allerlei redenen is het merendeel van die schilderijen verdwenen en/of niet beschreven. Natuurlijk is de tand des tijds daar debet aan, maar ook branden, verhuizingen en onachtzaamheid hebben de aantallen overgeleverde schilderijen behoorlijk omlaag gebracht. We moeten goed bedenken dat in die tijd daar praktisch niemand de kunstzinnige waarde van in zag. Soms werd de lijst van het schilderij als waardevoller gezien dan de geportretteerde. Naar schatting zijn er in Leiden enkele honderden schilders geweest die hoe dan ook iets met de stad Leiden hebben uitstaan. Een overzicht:

Gabriël Metsu (1629-1667) is zo'n zeventiendeeeuwse schilder die voornamelijk bekendheid verwierf vanwege zijn genrestukken die ook wel gezien kunnen worden als portretten. Geheel ten onrechte staat Metsu een beetje in de schaduw van zijn Delftse collega Johannes Vermeer met wie zijn werk veel overeenkomsten vertoont. Metsu wordt gewaardeerd om zijn zilveren caloriet. De familie van Metsu woonde aan de Lange Mare en in de Bakkersteeg.

Zeventiendeeeuwse schilders:

Philips Angel II werd circa 1618 in Leiden geboren. Hij was schilder, etser en schrijver. We kennen hem voorname als schrijver van de Lof der schilder-konst dat ons in 58 pagina's een zeldzame kijk geeft over de zeventiendeeeuwse kunsttheorie. In 1645 treedt Angel in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie en reist naar Batavia. Daar vindt hij na 1664 de dood.

Abraham Janszoon Begeijn (1637-1697) was een Nederlands kunstschilder uit de Gouden Eeuw. Hij werd in Leiden geboren en maakte een reis door Frankrijk en Italië. Begeijn schilderde vooral stillevens en geïtalianiseerde landschappen. Op een gegeven moment trok hij naar Berlijn om in dienst te treden van de keurvorst Frederik III. Daar viel hij tijdens het werk van een stelling en overleed dientengevolge.

Jan Havicksz. Steen (1627-1679) woonde op de Langebrug ter hoogte van de Wolsteeg. Hij dreef een herberg met de naam De Drie Masten. Volgens meerdere bronnen dronk Steen zelf meer dan zijn gasten. Zijn schildersvrienden De Vois en Van Mieris proostten er graag op mee. Kennelijk leed zijn werk er niet onder, want hij maakte meer dan vierhonderd schilderijen.

Hendrik van der Burgh (1627-1664) woonde afwisselend in Leiden en in Delft. Hij woonde hier op stand, aan het Rapenburg tegenover de universiteit. Hij ondertekende zijn schilderijen met het monogram HVB. Niet bekend is van wie Van der Burgh het schilderen geleerd heeft.

De meeste schilders trekken van het zuiden naar het noorden. Zo niet Justus van Egmond (1602-1674). Hij werd in Leiden geboren en verhuist op een gegeven moment naar Antwerpen waar hij in de leer gaat bij kunstschilder Pieter Paul Rubens. Van Egmond maakt ook een reis naar Italië. Hij heeft verschillende wandtapijtreeksen vervaardigd.

Cornelis Engebrechtsz (1462-1526) heeft waarschijnlijk zijn hele leven in Leiden gewoond. Hij wordt genoemd als een van de eerste Leidse kunstschilders. Hij was onder andere leermeester van Lucas van Leyden, die hem in naamsbekendheid verre zou overtreffen.

Van de kunstschilder Pieter Leermans is weinig meer bekend dan dat hij in de tweede helft van de zeventiende eeuw actief was in Leide, getuige enkele gedateerde schilderijen. Hij schilderde vooral portretten en historie- en genrestukken. Zijn stijl verraadt invloed van Gerrit Dou; mogelijk is Leermans bij Dou in de leer geweest. Hij signeerde zijn schilderijen ook wel met de naam Lieremans.

Cornelis Liefrinck (1581-1662) werd in Leiden geboren. Hij is bekend als de Barokschilder van landschappen en zeegezichten. Liefrinck was naast kunstschilder ook deurwaarder in Rijnsburg. Hij wordt vaak in een adem genoemd met Jan van Goyen. Ook was hij lid van het 
St.Lucasgilde.

Carel de Moor (Leiden 1655 - Warmond 1738), ook al weer een leerling van onder andere Gerrit Dou, behoort tot de belangrijkste portretschilders van de Leidse fijnschilders.

Karel van der Pluym was ook een kunstschilder uit de Gouden Eeuw en werd in 1625 in Leiden geboren en stierf er in 1672. Hij zou een leerling zijn geweest van Rembrandt van Rhijn. Een van zijn schilderijen is lange tijd aangezien voor een Rembrandt.

De lutherse Jan Barentsz. Muyckens (Leiden,1595 - Amsterdam, 1665) was kunstschilder en etser. Hij woonde en werkte in Amsterdam. Hoewel Muyckens een lange loopbaan heeft gehad, zijn er maar weinig werken overgeleverd.

Joris van Schooten (1587-1651) werd geboren in Leiden en reisde naar Italië om de Renaissance te proeven. Als kind al tekende Van Schooten overal dieren op.

Isaac van Swanenburgh (Leiden, 1571 - Leiden of Utrecht, 1638) is de leermeester geweest van Rembrandt van Rhijn. Ook hij maakte een Grand Tour door Italië. Hij ontmoette hier zijn vrouw, keerde terug naar Leiden en liet zijn gezin twee jaar later overkomen. Hij woonde aan de Langebrug 89. Zijn vader was hier burgemeester. Van Swanenburgh schilderde voornamelijk genrestukken. Zijn werken hangen over de hele wereld verspreid in diverse musea.

Matthijs Naiveu werd in Leiden geboren en had les van Jacob Toorenvliet en al weer Gerrit Dou. Naiveu genoot veel bekendheid in Amsterdam. Hij schilderde veel genrestukken met elementen uit de commedial del' arte.

Frans Jansz. Post (1612-1680) was broer van architect Pieter Post die we kennen als ontwerper van het Haagse Mauritshuis. Hij wordt gerekend tot de Hollandse School. Post was de eerste schilder die het landschap en het leven van de Nieuwe Wereld vastlegde.

Adriaen van der Spelt werd in 1630 in Leiden geboren, maar trok al jong naar Gouda, waar hij in 1673 overleed. Op 28-jarige leeftijd trad hij toe tot het St. Lucasgilde.

Jan Adriaensz. van Staveren (Leiden, 1614 - Leiden, 1669) liet zich al op zijn veertiende inschrijven aan de Leidse universiteit en is hier zelfs enige tijd burgemeester geweest. Hij schilderde voornamelijk portretten en genrestukken en werd ook enorm beïnvloed door de kring van schilders rond Gerrit Dou.

Van het leven van kunstschilder Harmen Steenwijck is weinig met zekerheid bekend. Hij werd circa 1612 in Leiden geboren. In 1628 ging hij bij zijn oom David Bailly in de leer. Ook ging hij een jaar naar de Oost. Steenwijck schilderde jacht- en visstillevens. Het laatste document dat met zekerheid aan Harmen Steenwijck valt toe te schrijven dateert van 1656 uit Delft, waar hij na die datum ook hoogstwaarschijnlijk het leven liet.

Abraham Susenier  (Leiden, ca. 1620 -  Dordrecht ca. 1666) ondertekende zijn schilderijen vaak met het monogram AB S waardoor zijn werk wel aan anderen, zoals Steenwijck, werd toegeschreven, maar waarvan nu vaststaat dat ze van Susenier zijn. Hij laat een enorme variëteit aan stilleven en vanitasstukken na, waarbij zijn zogenaamde ontbijtjes erg populair waren. 

Jacob Toorenvliet   (1640-1719) werd in Leiden geboren en stierf in Oegstgeest. Hij maakte in 1659 een Grand Tour naar het zuiden. Opvallend is dat hij in zijn Venetiaanse tijd veel joden geschilderd. Hij was onder andere lid van de Bentvueghels, een club van schilders die eveneens een Grand Tour hadden gemaakt. Hij was een van de mede-oprichters van een tekenacademie in Leiden.

Willem van de Velde I en Willem van de Velde II zijn vader en zoon. Willem van de Velde de Jonge richtte zich voornamelijk op marines waarbij zijn gedetailleerdheid van de tuigage en de kustlijn opvallen. Hij verhuisde naar Londen en vervaardigde menig schilderij in opdracht van het Engelse koningshuis met name ten tijde van de Derde Engelse oorlog.

Jan Daemesz. de Veth (Leiden, 1595-Gouda, 1625) maakte een Grand Tour door Frankrijk en Italië. Daarna vestigde hij zich in Gouda. Hier schilderde hij veel schuttersstukken. De Veth wilde zich net gaan toeleggen op het leren etsen toen de pestepedemie van 1625 hem slachtofferde.

Jan Willemsz van der Wilde (Leiden, 1586-Leeuwarden, 1636) was een zeventiendeeeuws kunstschilder die zich voornamelijk toelegde op portretten en stillevens.

Adam Pick (Delft, 1621- ca. 1666) heeft slechts enkele jaren in Leiden gewoond. Naast schilder was hij wijnhandelaar en herbergier. Hij legde zich toe op vanitasschilderijen, boerderijstillevens en landschappen. Op een gegeven moment verhuist Pick naar Denemarken en verdwijnt hij van de radar. 

Jan Davidsz. de Heem was een centrale figuur in de zeventiendeeeuwse stillevenschilderkunst. Hij werd in 1606 in Utrecht geboren en verhuisde op een gegeven moment naar Leiden. Geld voor een Grand Tour naar Italië was er niet, dus trok hij naar Antwerpen waar een grote vraag naar stillevens was. De Heem schilderde uitsluitend stillevens en wist zich hierin een grote welstand te verwerven. Hij stierf in 1683 of 1684 in Antwerpen.

Willem van Mieris (1662-1747) was de zoon van Frans van Mieris de Oudere door wie hij natuurlijk zeer beïnvloed is. Hij schilderde veel portretten gezien door een boog. Van Mieris was hoofdman van het St. Lucasgilde. Samen met Toorenvliet en De Moor stichtte hij een tekenacademie. Aan het einde van zijn carrière raakte hij gedeeltelijk blind. Frans van Mieris kocht een huis in de Breestraat tegenover het Caeciliagasthuis, waar nu de Stadsgehoorzaal is. Alledrie de leden van de begenadigde familie Van Mieris hebben Leiden nooit verlaten.

Edwaert Collier (Breda,1640-Londen,1704) heeft negen jaar in Leiden gewoond en gewerkt. Hier werd hij lid van het St. Lucasgilde. We kennen hem vooral van zijn vanitasstukken en trompe l'oeils. Stedelijk Museum De Lakenhal heeft enkele werken van deze barokke schilder in bezit.

Gerardus Johannes Bos (1825-1898) was de zoon van een horlogemaker en woonde aan de Breedestraat wijk 04, nummer 324. Hij was kunstschilder, etser, lithograaf en steendrukker, maar we kennen hem vooral als illustrator van kinderboeken. Hij tekende en schilderde vooral landschappen en dieren. Ook was Bos directeur van de Teken- en Schilderacademie Ars Aemula Naturae.

Louis de Moni (Breda, 1698 - Leiden, 1771) liet zich voornamelijk inspireren door Gerrit Dou en Willem van Mieris. Vreemd genoeg zijn er in het buitenland meer schilderijen van De Moni bewaard gebleven dan in eigen land, onder andere het Louvre in Parijs en de Hermitage in St.Petersburg. Vrouw die een plant begiet is een Van zijn bekendste schilderijen


De zeventiendeeeuwse schilder Jan Lievens werd in Leiden geboren en was de zoon van een borduurder. Zijn werk vertoont veel overeenkomsten met het werk van Rembrandt van Rhijn, maar Lievens' schilderijen zijn origineler en vertonen meer durf. Hij woonde in de Pieterskerkchoorsteeg. Aanvankelijk leek hij succesvoller te worden dan Rembrandt, maar enige tientallen jaren later werd Lievens toch door Rembrandt overvleugeld.

De in Leiden geboren Jan van Goyen (1596-1656) kennen we vooral van zijn Gezicht op Leiden uit 1650. Hij heeft hier expres de Pieterskerk en de Hooglandse Kerk een kwartslag gedraaid om deze beter uit te laten komen. Van Goyen werd als zoon van een schoenmaker geboren in het hoekhuis van de Langebrug en de Schoolsteeg. Hij verhuisde naar Hoorn en Haarlem, keerde terug naar Leiden waar hij lid werd van het St. Lucasgilde en overleed in 1656 in Den Haag. Hij schilderde voornamelijk rivieren, kanalen, meren, zandwegen, duinen en het strand maar nooit een portret. Naast schilder was hij kunsttaxateur en speculeerde hij met tulpenbollen tijdens de Tulpenmanie. Van Goyen was enorm productief. Hij vervaardigde maar liefst duizend schilderijen en 800 tekeningen.

Een andere zeventiendeeeuwse fijnschilder uit Leiden is Frans van Mieris de Oudere (1635-1681). Zijn belangrijkste leermeester was Gerrit Dou. Hij wordt algemeen gezien als een voortreffelijk schilder waar veel vraag naar was. Zijn overmatig drankgebruik en financieel wanbeheer vonden voor hem en zijn omgeving echter een groot probleem. Van Mieris schilderde hoofdzakelijk op klein formaat. Hij werd begraven in de Leidse Pieterskerk. Zijn belangrijkste navolgers was Adriaansz van der Werf.

David Bailly (1584-1657) heeft een grand tour gemaakt door Duitsland en Italië, de bakermat van de Renaissance. Hij was de eerste die Leidse studenten en hoogleraren portretteerde. Veel van zijn schilderijen kennen een vanitaselement, een detail dat verwijst naar de vergankelijkheid. Bailly was medeoprichter van het Sint Lucasgilde, waarvan hij ook enige tijd hoofdman was. Hij werd in Leiden begraven.

Quiringh Gerritszoon Brekelenkam was een zeventiendeeeuwse kunstschilder van wiens persoonlijke leven we maar weinig weten. Vermoedelijk werd hij in het nabijgelegen Zwammerdam geboren. Wel is zeker dat hij in Leiden stierf. Waarschijnlijk was hij een leerling van Gerrit Dou. Een van zijn bekendste schilderijen is zijn laatste schilderij, dat van De Goudweger.

Cornelis de Heem werd in 1631 in Leiden geboren, maar verhuisde al vrij snel naar Antwerpen, waar hij in 1695 overleed. Hij geniet vooral bekendheid om zijn fruitfestoenen. De Heem wordt zowel met de Noordnederlandse schilderkunst als de Zuidnederlandse barokkunst geassocieerd.


Johannes van der Aeck (1636-1682) werd in Leiden geboren en stierf er ook. Hij legde zich voornamelijk toe op genrestukken. Hij was tot drie keer toe decaan van het St. Lucasgilde. Volgens een kohier woonde hij aan de Overmare Rijnzijde.

Pieter de Ring werd tussen 1615 en 1620 in het Vlaamse Ieperen geboren en stierf in 1660 in Leiden. Hij is vooral bekend van zijn banketstukken, met oesters, kreeften en vaak een kostbare nautilusschelp. De Ring ondertekende zijn schilderijen vaak met een ⭕, of met een gelatiniseerde vorm van zijn naam Annulo.

Pieter Cornelisz. van Slingelandt (Leiden, 1640 - Leiden, 1691) komt ook alweer uit de stal van Gerrit Dou en werd eveneens heel erg door hem in zijn claire-obscuretechniek beïnvloed. Van Slingelandt schilderde vooral genrestukken en portretten. Hij gold als een perfectionist die soms maandenlang aan een schilderij werkte. Er zijn verhalen bekend waarin verteld wordt dat Van Slingelandt maar liefst zes weken bezig geweest is met het perfectioneren van een bef over de toga van een jurist voordat hij tevreden was over het uiteindelijke resultaat.

In de hele achttiende en negentiende eeuw is het aantal kunstschilders dat aan Leiden verbonden is geweest niet groot te noemen. Voor de achttiende eeuw kunnen we Willem van Mieris en Louis de Moni noemen en voor de negentiende eeuw de namen van Jacobus Ludovicus Cornet en Jacobus van der Stok. Pas rond het Fin de Siècle wordt de lijst kunstschilders zowel kwantitatief als kwalitatief weer wat substantiëler.

Floris Verster (1861-1927) bracht zijn jeugd door aan het Rapenburg 47. Hij heeft bij het genootschap Ars Aemula Naturae aan de Pieterskerkgracht schilderlessen gevolgd van George Breitner toen deze in 1878-'79 kortstondig als docent verbonden was aan deze schilderacademie. Verster was een vertegenwoordiger van het Amsterdamse impressionisme. In Brussel had hij les van Jan Toorop. Hij deelde hier in Leiden een atelier met zijn vriend Harm Kamerling Onnes. Met zijn echtgenote leidde hij een teruggetrokken bestaan op het landgoed Groenoord aan de Haarlemmertrekvaart. Hij onderhield alleen contact met de dichter Albert Verweij. Toen de gemeente Leiden hem verkocht te vertrekken teneinde Groenoord te slopen om de Willem de Zwijgerlaan door te trekken was dat een hele slag voor hem. Waarschijnlijk heeft hij zelfmoord gepleegd. Verster werd verdronken gevonden in zijn eigen vijvertje. Het bruggetje zou te glad zijn geweest, ja, ja?

Menso Kamerling Onnes, de broer van de natuurkundige Heike Kamerling Onnes, schilderde in 1888 een portret ten voeten uit van zijn zus Jenny Kamerling Onnes. Het schilderij is in het bezit van het Rijksmuseum.

Bartholomeus Johannes van Hoge (1790-1880) heeft verschillende schilderijen van Leiden gemaakt onder andere van de Hooglandse Kerk. Ook vervaardigde hij decorstukken bij opera's.

Jan Elias Kikkert werd in 1843 in Amsterdam geboren maar verhuisde al vrij snel naar Leiden. Hij woonde op de hoek van de Zoeterwoudse Singel en het Philosofenpad, de huidige Lammenschansweg. Er is bijna geen straat in Leiden te vinden die hij niet heeft getekend of geschilderd. Deze romantische schilder en lithograaf vermeed het om de moderne dingen des tijds zoals fabriekspijpen te schilderen. Toch bestaat er een schilderij van hem waarin de Bakkersteeg wordt geschilderd waarop wel een fabriekspijp op de achtergrond zichtbaar is. Hij trok vaak naar buiten om de natuur te schilderen. In de laatste jaren van zijn leven raakte hij verlamd aan zijn rechterhand en kon nauwelijks nog schilderen. Kikkert overleed in 1925 op 81-jarige leeftijd. Stichting Erfgoed Leiden en omstreken bewaart 845 aquarellen en tekeningen van Kikkert en ook Stedelijk Museum De Lakenhal heeft enkele werken van hem in bezit.

Het Sint-Lucasgilde zorgde onder andere voor de oprichting van een tekenacademie en later voor de oprichting van Ars Aemula Naturae aan de Pieterskerkgracht. Ook Jan Wolkers kreeg hier in de oorlogsjaren schilderondericht.

De Leidse School is de benaming van een groep schilders met name in de eerste helft van de twintigste eeuw. De werken kenmerken zich door een lichte impressionistische stijl. Ze richtten zich bij voorkeur op stillevens en landschappen. Met name het door de industrialisatie verdwijnende landschap van Zoeterwoude rond de Noord
Aa en de omgeving van Nieuwkoop vormen vaak het decor van hun schilderijen en tekeningen. Nu schilderen voor het te laat is. Tot de Leidse School hoort een grote groep schilders waaronder: W.J. Pasman, Alex Rosemeier, Arend Jan van Driesten, Willem van der Nat, Chris van der Windt, L. van der Windt, Piet Herfst, Eduard Verboog, L. van der Vlist, F. de Nocker, Abraham Segaar, P.L.Teske, L.Ponse, H.J.Duiverman en Lodewijk Lasander. Hoewel strikt genomen niet helemaal juist worden voor het gemak ook Lucas Verkoren, Floris Verster en J.C.. Roelandse tot de Leidse School gerekend.

De Stijl 
Theo van Doesburg 
Hendrik Valk. Stedelijk Museum De Lakenhal bezit een schilderij op eterniet getiteld Het Ontbijt.

De Lakenhal beschikt over een aantal schilderijen van Jan van Dam, onder andere van de Petruskerk aan de Langebrug uit 1903 en een panorama vanaf de Bostelbrug. 

De moeder van Vincent van Gogh, Anna van Gogh-Carbentus (1819-1907) ligt begraven op de begraafplaats Groenesteeg. Minder bekend is dat hier nog tien andere familieleden van Vincent van Gogh begraven liggen. Ze verhuisde uit Nuenen naar Leiden om dichter bij haar kleinkinderen te zijn. Vincent en Theo waren immers in Frankrijk en alleen is maar alleen. Ze woonde op Herengracht 100 en Zoeterwoudse Singel 84. 

Jan Wolkers (1925-2007) zag zich zelf altijd liever als beeldend kunstenaar dan als schrijver. Hij leerde de eerste beginselen van het schilderen op de Teken- en Schilderacademie Ars Aemula Naturae aan de Pieterskerkgracht. Deze plek speelt een belangrijke rol in Wolkers' roman Kort Amerikaans. Wolkers woonde onder andere op een zolderkamertje op de Lange Mare, dat hij huurde voor een rijksdaalder per maand. Stedelijk Museum De Lakenhal is in bezit van Wolkers' laatste schilderij Geel Vlak dat hij in 2006 op het doek zette.

De Leidse kunstschilder Willem van Scheijndel laat zich moeilijk in een hokje stoppen. Hij woonde en werkte onder andere aan de Pieterskerkgracht 11. Van hem is de uitspraak dat schilderijen eigenlijk solitaire wezens zijn; ze hebben mensen nodig om te kunnen functioneren. Hij overleed in 2017 op 65-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.

Het werk van Justus Dick Bakhuizen van den Brink (1950) heeft een sterk biomorfologische inslag. Het is duidelijk dat na zijn hartoperatie het menselijk hart een belangrijke plaats in zijn oeuvre inneemt. Zijn werk wordt vaak als surrealistisch aangemerkt. In 1980 stopte hij met werken en werd zelfstandig beeldend kunstenaar. Zijn atelier bevindt zich in kunstenaarscentrum Haagweg 4. Bakhuizen van den Brink is een van de initiatiefnemers van de Leidse Mondialen.

In de Lakenhal hangt een indrukwekkend schilderij van Mattheus Ignatius van Bree voorstellende de zelfopoffering van burgemeester Pieter Adriaansz van der Werf in 1574. Het doek is vier meter hoog en zes meter breed. De Zelfopoffering is geschilderd in de periode 1816-1817 toen Leiden in een diep dal zat en er behoefte bestond aan nieuwe helden. Het is goed te zien dat Van Bree uit Antwerpen kwam en niet op de hoogte was van de plaatselijke situatie. Het stadhuis staat in de onmiddellijke nabijheid van de Hooglandse Kerk en de sleutels van het stadswapen rechtsonder staan ondersteboven.

In de Waalse Kerk aan de Breestraat hangt een schilderij van Jean Michel die we van het Jan Michielshofje. Het bijbehorende schilderij van zijn echtgenote Catharina Geschier ontbreekt omdat het in 1999 gestolen is. Er is nooit meer iets van vernomen.

-----------------------------------------------------

Superlatievenwandeling

Hoogste: schoorsteen energiebedrijf Langegracht met tachtig meter, hoogste flatgebouw staat aan de Van Randwijkstraat bij de Churchilllaan.
Moorddadigste: Goeie Mie, geboren op de hoek van de Oostdwarsgracht en Langegracht.
Oudste: oudste stukje stadsmuur in de Witte Poortkazerne 
Oudste universiteit van Nederland.
Oudste nog bewaarde: de gebrandschilderde ramen van de kapel van het St. Anna Aalmoeshuis aan de Middelstegracht.
Eerste: oudste universiteit van Nederland Academiegebouw.
Smalste: smalste steeg van Leiden: Arend Roelandsteeg.
Domste: Leiden was de stad met het laagste IQ.
Koudste: Heike Kamerling Onnes bereikt op 10 juli 1908 het absolute nulpunt van -273 graden Celsius in het Fysisch Laboratorium aan de Steenschuur. Hij maakt helium vloeibaar.
Productiefste: schilder Jan van Goyen schilderde sneller dan wie ook.
Rijkste: schilder Gerrit Dou kon van zijn schilderijen leven in tegenstelling tot Rembrandt van Rhijn.
Grootste: Leiden beschikt over de grootste door mensen opgeworpen motteheuvel van Nederland, de Burchtheuvel.
Rommeligste: geen twee huisjes van het Jean Michielshofje aan de Pieterskerkstraat zijn gelijk.
Sympathiekste: Schachtenhof. De stichter van het Schachtenhof bepaalde dat er alleen net als hij gewezen weesjongens in het hofje mochten wonen.
Knapste: de knapste natuurkundigen ter wereld onder wie Albert Einstein en Pieter Lorentz kwamen regelmatig bijeen in het Ehrenfesthuis aan de Witte Rozenstraat om met elkaar te discussiëren. Einstein werd in Leiden te licht bevonden voor een hoogleraarschap, maar dat was nog voor zijn ontdekking van de relativiteitstheorie. Zonder Lorentz had Einstein de relativiteitstheorie nooit op het spoor gekomen.
Eerste: Het Jeruzalemhof aan de Kaiserstraat, vroeger Cellebroedersgracht, was bij de stichting door Wouter IJsbrandtsz in 1467 het eerste hofje in Nederland dat bestemd was voor mannen. Het Jeruzalemhof is tevens het oudste nog bestaande hofje in Leiden.
Laagste IQ van Nederland: een wijdverbreid gerucht wil dat de inwoners van Leiden over het laagste IQ van Nederland zouden beschikken, inclusief onze studenten. Ik heb daar echter nooit de bewijzen van op papier gezien. Misschien gold dat vroeger toen Leiden nog een echte industriestad was, maar nu als Leiden Kennisstad staan we absoluut in de top drie van Nederland.
Eerste: Jacob Isaacz. Swanenburgh (1571-1638) was de eerste leermeester van Rembrandt van Rhijn. Hij woonde aan de Langebrug 89, toen nog Vollersgracht geheten.
Oudste Prefab: de Oberkirchner zandstenen blokken in de voorgevel van het Leidse Stadhuis dragen een letter. Om te checken of de voorgevel compleet was en de stenen met de boot mee konden werden de stenen plat neergelegd om in Leiden weer volgens de gebruiksaanwijzing in elkaar gezet te worden.
Eerste: de Leidse universiteit heeft de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Professor Reuvens. Zijn portret hangt in het Academiegebouw 

-------------------------------------------------
Moord- en brandwandeling 



We beginnen deze wandeling op de Beestenmarkt. Hier vond de zogenaamde Parkeermoord plaats.

14 april 1936. Moord in de hal van bioscoop Luxor aan de Stationsweg. De 26-jarige Jeanne Siera wil niet ingaan op de avances van haar baas van sajetfabriek Parmentier en brengt haar met twee messteken om het leven. Een grote klap voor de familie, want zij is het derde kind in twee jaar tijd dat het licht uitdoet.

Bombardement Haverzakbuurt. Hierbij komen 55 Leidenaren om het leven. 

Paardensteeg. Veel mensen in de verdrukking gekomen door de tram.

Het Galgewater dankt zijn naam aan de galg ter afschrikking die langs het water van de Oude Rijn ter hoogte van de studentenroeivereniging Njord stond. Ook Amsterdam kende zo'n plek tegenover het IJ: de Volewijk.

De aanslag op Gerard Diederix. De Leidse huisarts Hans Flu, Hoofd van de Eerste Leidsche Schoolvereeniging Harmen Douma en conrector van het Stedelijk Gymnasium Chris de Jong worden daags na de mislukte aanslag geëxecuteerd. Deze vergeldingsmaatregel staat bekend onder de naam De Leidse Silbertanne-actie. Er zijn in Leiden drie straten naar hen vernoemd.

Lijk gevonden bij herbestrating Houtstraat.

De bocht van Goudriaan 

Het Gerecht. Laatste voltrekking van de doodstraf in 1865. Blom. 

Bussen te water door verduisteringspapier voor de ramen.

In 1596 wordt in het Faliede Begijnhof een Theatrum Anatonicum gebouwd voor het geven van colleges in de anatomie. Hiervoor werden lijken van moordenaars gebruikt. Vanwege de stank vonden er 's zomers geen ontledingen plaats. Ook burgers met een sterke maag mochten bij die openbare colleges aanwezig zijn. 

Balpenmoord Witte Rozenstraat verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken. Nieuwe verklaringen kunnen hem niet meer voor de rechter brengen, vanwege het rechtsprincipe ne bis in idem, waarbij niet iemand voor een tweede keer in een zaak terecht staat. 

Schaarmoord Jan van Goyenkade 33

Monument Bagage van beeldend kunstenaar Ram Katzir op de hoek van de Herensteeg en het Rapenburg. Op 17 maart 1943 worden 51 kinderen gedeporteerd naar vernietigingskampen. Op die dag worden ook vele andere joden hun huis uit gesleept. Slechts enkele daarvan keren na de oorlog terug. 

Jean Luzac wordt door de klap met het kruitschip op 8 januari 1807 het kolkende water van het Rapenburg ingeslingerd. Typisch een geval van op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Luzac woonde hier niet eens. 
 

Ramp met het kruitschip 8 januari 1807 

De brand op 29 december bij de lak- en vernisfabriek Herfst & Helder aan de Hogewoerd 8-10 moet behoorlijk spectaculair geweest zijn. Het bedrijf zat er nog maar net drie jaar toen het net die ochtend opnieuw bevoorrade magazijn vlam vatte. Het ijs in de Nieuwe Rijn ontdooide en de verschillende soorten weggestroomde lakken zorgden voor verschillende kleuren op het water dat leek te branden. Daags na de brand zorgden bevroren ijspegels van het bluswater voor een sprookjesachtige Hogewoerd. Het bedrijf brandde geheel uit en ook de naastgelegen kegelbaan van sociëteit Concordia kon niet meer worden gered.

Stadhuisbrand 1929
De stenen werden uitgenomen en van roet ontdaan bij een bedrijf op het Pieterskerkhof.

Terechtstelling Musius op de Blauwe Steen. Musius was rector van het Agnietenklooster in Delft voordat Willem van Oranje de Prinsenhof betrok. Musius had op tijd zijn interessante schilderijenverzameling en de kas veiliggesteld. Hij vlucht en Lumey, Heer van der Marck krijgt de opdracht Musius op te zoeken. Inderdaad wordt Musius in de buurt van Den Haag in de kraag gegrepen en naar Leiden overgebracht. Hier pakt Lumey hem iets te hardhandig aan. Dat was nu ook de bedoeling van Willem weer niet.

Brand op de hoek van de Nieuwe Rijn en de Hoogstraat. Bevolking brengt 15.000 gulden bijeen voor herbouw. De trouw der burgerij heeft hier door het geweld der vlammen wierdt gesloopt in betren staat hersteld. 
Brand in de studentensociëteit Minerva op 2 december 1959. 

Pim Scheltema Minerva (1947)

Bibliotheek van mejuffrouw Reuvens. Roman De Kroongetuige van Maarten 't Hart. De hoofdpersoon Thomas Kuyper raakt verliefd op het spiegelbeeld van bibliotheekmedewerkster Jenny. Hij zou haar om het leven hebben gebracht en haar vervolgens te eten hebben gegeven aan de laboratoriumratten.

Goeie Mie

--------------------------------------------

Een Huis van Oranjewandeling 

Voor de stad Leiden begint de relatie met het Huis van Oranje in de Tachtigjarige Oorlog. Leiden heeft in de strijd tegen Filips II altijd achter de Prins van Oranje gesteld. Voor dat dapper stand houden beloont Willem van Oranje Leiden met de eerste universiteit van de Noordelijke Nederlanden. De Prins van Oranje bezoekt Leiden op 14 oktober 1574. Hij ontzet daarbij burgemeester Pieter Adriaansz van der Werf uit zijn ambt.

©1997-2019 Bizzieman.NL