Reageer 
Reageer
X
Error
X
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Edit Layout
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Even wachten
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
X
_
Options
    Leeg Venster
    Edit Layout
Test Window
Bizzieman
Spelletjes van vroeger spelen op Bizzieman.NL's CMS.
Kijk op http://games.oudspel.nl om de spelletjes te spelen.

Veel plezier.
Wandelen
Wandelen door Leiden 

1. Een literaire wandeling door Leiden

Leiden heeft in de loop der eeuwen tientallen schrijvers onderdak geboden. In niet geringe mate kan dat natuurlijk worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de in 1575 door Willem van Oranje gestichte universiteit. Sommige schrijvers woonden hier tijdelijk, studeerden hier, weer andere werden hier geboren of maakten van Leiden hun definitieve vestigingsplaats. In Leiden heeft altijd een tolerante sfeer geheerst en in deze cultuur konden veel schrijvers in een redelijk beschermde omgeving hun zielenroerselen aan het papier toevertrouwen. 

Daarnaast vormt  de stad Leiden regelmatig het decor voor gedichten en romans. Ook al weer omdat veel auteurs hun studententijd hier hebben gesleten. Ook is menig boek verfilmd.

Wie door Leiden loopt zal het opvallen dat op veel gevels van huizen muurgedichten geschilderd zijn. Dit was een mooi initiatief van de Stichting Tegenbeeld, waarin onder andere Piet van Veen zitting had.In totaal zijn er 115 muurgedichten aangebracht. Ook op onze wandeling zullen we er een aantal van kunnen aanschouwen. Jan Willem Bruins schilderde deze muurgedichten. Ben Walenkamp was een belangrijk inspirator. Ook organiseerde deze laatste poëziefestivals op de Nieuwe Rijn.

Schrijvers en dichters die onlosmakelijk aan Leiden verbonden zijn, zijn: François HaverSchmidt (alias Piet Paaltjens), Maarten 't Hart, Maarten Biesheuvel, J.C. Bloem,  Willem Bilderdijk, Jan Wolkers, Jacob Jan Cremer, Jacob Geel, Kneppelhout (alias Klikspaan), Nicolaas Beets (alias Hildebrand), Frank Koenegracht, Harry Mulisch, Boudewijn Büch, Paulien Slot, Christiaan Weijts, Ilja Leonard Pfeiffer,  Abdelkader Benali, Jan van Hout en Albert Verweij. Velen hiervan zullen we tijdens onze wandeling  door Leiden tegenkomen.

U staat op het punt te beginnen aan een literaire wandeling door de Sleutelstad met een hoog anekdotisch en cultuurhistorisch gehalte.
Specifieke voorkennis van de Nederlandse letterkunde is niet nodig, al zal diegene die nog wel gedegen literatuuronderwijs heeft genoten veel meer dan blaren alleen aan de voettocht overhouden. Wees welkom in onze mooie stad en geniet ervan.

We beginnen onze literaire wandeling door Leiden net buiten het centrum bij de Petruskerk aan de Lammenschansweg. Deze katholieke kerk werd in 1933 gebouwd naar een ontwerp van de architecten Kropholler en Van Oerle. De kerk is een specimen van de Delftse School en werd gebouwd nadat de oude Petruskerk aan de Langebrug was uitgebrand. Besloten werd de kerk aan de Langebrug niet te herbouwen maar een geheel nieuwe kerk te bouwen in de nieuwe stadsuitbreiding in de richting van de Lammenschansweg. 
De zuilen van de afgebrande kerk zijn nog aan de Langebrug zichtbaar. Ze zijn in de nieuwbouw geïntegreerd. De bijnaam van de St. Petruskerk was Metuitekerk, dit vanwege het opschrift Metuite Deum hetgeen Vreest God betekent.
Ook de huizen in de driehoek om de Petruskerk zijn van de hand van hetzelfde architectenduo. De sinistere steegjes rondom de kerkvormen het decor voor enkele passages uit de roman Kort Amerikaans van Jan Wolkers.  Wolkers heeft geen goed woord over voor deze lelijkste kerk van het land. De hoofdpersoon uit dit boek Eric van Poelgeest bezoekt hier in de oorlogsjaren het huis van De Spin om er zijn werken te gaan bekijken. Eric kent De Spin van de Tekenacademie Ars Aumula Natura aan de Pieterskerkgracht, waar hij tekenlessen heeft en zijn seksuele lusten botviert op een gipsen vrouwentorso. De Spin is een rare man met NSB- sympathieën. Hij brengt zijn eigen hondje ter dood omdat het niet met De Spin kan praten. Als blijkt dat de Duitsers de oorlog niet gaan winnen, hangt De Spin zich op in zijn atelier, waar Eric hem aantreft als hij een brief van De Grauw moet bezorgen. In werkelijkheid staat het personage K. de Spin voor de heer Herman de Voogd. Leidenaar Peter van Zonneveld heeft uitgevogeld dat deze heer De Voogd gewoond heeft aan de Van der Hoevenstraat 4 in de Professorenwijk tussen de Stieltjesstraat en de Melchior Treublaan. Weliswaar in de schaduw van de Petruskerk, maar vanwege de dramatiek meer in de buurt van deze merkwaardige kolos gepositioneerd. Het is dus niet langer nodig te zoeken naar de plek in de onmiddellijke nabijheid van de Petruskerk.
Leidenaar Onno Blom schreef overigens een diepgaande biografie over Jan Wolkers.

We lopen de Lammenschansweg naar rechts af en gaan in de richting van het centrum. We steken de Lorentzkade over, de straat waar schrijver Maarten 't Hart  in het tweede jaar van zijn studie biologie in Leiden woonde. Om precies te zijn op nummer 14 bij mevrouw Stuyvenberg. De vorige huurder was kennelijk met de nodige rancune bij mevrouw Stuyvenberg vertrokken, want die had met punaises een tarbot onder de tafel vastgeprikt. Natuurlijk ging die tarbot na verloop van tijd stinken, maar mevrouw Stuyvenberg kon de bron ervan echter niet ontdekken. De kat doet de laatste tijd zo raar. Ze springt steeds. Maarten wist het inmiddels wel, maar heeft het wijselijk voor zich gehouden. Deze geschiedenis is terug te vinden in het verhaal 'De ziekte van Ménière' in de  verhalenbundel De Huismeester. 't Hart reisde wekelijks heen en weer tussen Leiden en Maassluis langs de Vliet op een krakkemikkige fiets. Voor Maarten 't Hart is Leiden altijd de grote stad geweest;  hij is altijd dolblij als hij de groene polders rondom Leiden weer in beeld krijgt. 

Over de Jan van Houtbrug gaan we rechtsaf en stuiten daar op het monument van de hand van J.C. Altorf ter ere van de grote mannen uit de tijd van het Beleg van Leiden in de jaren 1573 en 1574. Willem van Oranje, Janus Dousa, Jan van Hout en geuzenleider Louis de Boisot. Burgemeester Pieter van der Werff ontbreekt hier maar hij heeft een eigen standbeeld gekregen in het eveneens naar hem vernoemde stadspark. Jan van Hout wordt in Leiden geëerd met een eigen kade en het muurgedicht Vrundschap dat is aangebracht op een gevel in de 3 Oktoberstraat. Jan van der Does werd de eerste curator  en bibliothecaris van de pas geopende universiteitsbibliotheek. Ook naar hem is een straat in Leiden genoemd.

Het Plantsoen is gebaseerd op een negentiende eeuws ontwerp van stadsarchitect Salomon van de Paauw. Met inzet van werkloze arbeiders werd dit gedeelte van de stad tussen 1835 en 1842 ingericht, nu de verplichting was weggevallen een stadsomwalling te onderhouden. Even later verschenen de statige herenhuizen voor welgestelden. Veel uit Nederlands-Indië terugkerende Nederlanders die daar hun fortuin hadden gemaakt werden op die manier naar Leiden gelokt. Vroeger stond er in het Plantsoen nog een muziektent van Musis Sacrum. In de hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog werd het hele Plantsoen door burgers kort en klein geslagen om te verdwijnen in de provisorische kacheltjes.
We lopen nu het Plantsoen in en passeren de vogelkooi. Een mooie plek om even op een bankje te gaan zitten en het gedicht Zo heb ik Leiden lief van stadsdichter Wouter. Ydema op u te laten inwerken. Deze ontboezeming verscheen rond Leidens Ontzet op acht bierviltjes, op elk viltje een couplet. Moeilijk om het geheel bij elkaar te prokkelen. Hier volgt het complete gedicht:

Zo heb ik Leiden lief 💋 

Het Rapenburg, de Herengracht 
Een schitterend gezicht
Een biertje op een bootterras 
Het laatste avondlicht
Dat nog in alle glazen speelt 
Een kauw die als een dief
Het koekje van mijn schotel steelt
Zo heb ik Leiden lief

De Leidse Hout of het Plantsoen 
Of toch het Ankerpark 
Van boom tot boom, van bloem tot bloem
Met schoffel en met hark
Oranje pakken in het groen
Een bontgekleurd motief 
Van paars en geel tot vermiljoen 
Wat heb ik Leiden lief

Van carillon tot klokkenspel 
Romantisch of Gotiek 
Op ieder uur en op de helft 
Van booggewelf tot booggewelf 
Van spitsboog tot ogief
Ik tel er zelf een stuk of elf
En heb ik Leiden lief

De stad wordt oud en steeds verbouwd 
Haar aangezicht doorkliefd 
Door staal en steen door merg en been
Pak aan en alstublieft 
Al wordt de Burcht door stad verwurgd 
Die zich rond haar verhief 
Al zwemt de Kooi bij grote dooi
Toch heb ik Leiden lief

Ze zeggen wel de tijd gaat snel 
Maar niemand die het ziet
Hier hangt de bui van peen en ui
Die druipt in het vergiet
Van klapstuk met het Leids ontzet 
En hutspot haast massief
De haringvloot met wittebrood 
Dan heb ik Leiden lief

En ieder jaar bevrijdt men haar
Met optocht feest en lied
Met veel vertoon langs Joppenszoon 
De kermis in 't verschiet
Het reuzenrad onthaalt de stad 
In vogelperspectief 
Die mensen daar zijn Leienaar 
En hebben Leiden lief

Een heel district wordt opgeschrikt 
De stad staat op z'n kop
En stratenvol gaan uit hun bol
Men hijst de vlag in top
Waarop, voornaam, de sleutels staan
Met elke hoge pief 
In pandjes en Leidse das
Zij hebben Leiden lief

Koraalzang of een kermistent 
Een wankel evenwicht 
Op elke muur in ieder raam
De stad is een gedicht 
En bovenaan staat steeds haar naam
Als bij een liefdesbrief 
Zij zal voortaan hierin bestaan 
Zo heb ik Leiden lief 

In deze groene omgeving is decennialang gewerkt aan het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. De grondlegger van het WNT was Matthias de Vries (1820-1892) van wie we later tijdens onze wandeling het huis aan het Rapenburg zullen passeren, en Lambert Te Winkel. Meer dan anderhalve eeuw is door vijf generaties lexicologen aan dit megaproject gewerkt. En inmiddels verschijnen er al weer aanvullingen want taal is altijd in ontwikkeling en een woordenboek is dus nooit af. Met 49 kloeke delen en maar liefst 400.000 trefwoorden is het WNT het grootste woordenboek ter wereld. Het WNT beschrijft de Nederlandse woordenschat tussen de vijftiende eeuw en 1976. 
Nog steeds zetelt de redactie van het WNT in Leiden aan, hoe kan het ook anders, het instituut voor Nederlandse Lexicologie aan het Matthias de Vrieshof, onderdeel van het Witte Singeldoelencomplex. Met recht kunnen we Leiden dé woordenboekenstad van Nederland noemen.

Als we even rechts naar de overkant kijken zien we de Zoeterwoudse Singel. De Zoeterwoudse Singel werd al in 1386 gegraven. Nummer 74 valt op omdat het pand iets uitsteekt. Het huis speelt een rol in De Donkere Kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans. Nummer 74 is in deze roman de woning van Labare aan wie de hoofdpersoon Henri Osewoudt een bezoek brengt. Labare maakt onderdeel uit van een verzetsgroep. Bij Labare kan Henri Osewoudt foto's ontwikkelen, maar hij moet vluchten en springt in het water van de Zoeterwoudse Singel. Het is die avond mistig. Osewoudt kruipt uit het water en raakt verdwaald in de straatjes van de Haver- en Gortbuurt. Allemaal heel mysterieus. 

W.F. Hermans zelf moest er weleens om lachen dat speurders probeerden te achterhalen waar dat kromme straatje met die portiekwoning nu precies geweest moest zijn.
In de verfilming van De Donkere Kamer van Damocles van filmmaker Fons Rademakers uit 1962 met als titel  'Als twee druppels water' wordt de rol van Labare vertolkt door Alfred Heineken. Als producer had hij zelf een klein rolletje in de film bedongen. Dit heet cameo of glimprol. Hij deed dit op voorwaarde dat ook zijn toenmalige vriendin Nan Los een rolletje in de film zou krijgen. Vertoning van de film werd later door diezelfde Freddie Heineken verboden, om persoonlijke redenen, waarschijnlijk omdat het uit was met zijn vriendin Nan Los. In 2002 werd de film weer vrijgegeven voor vertoning. Labare is trouwens Latijn voor weifelen. Zou hier een extra verwijzing in schuilen naar het labiele karakter van Henri Osewoudt of gaat mijn fantasie hier te zeer met mij op de loop?
De Nederlandstalige zwartwit film werd gemaakt met een budget van 620.000 gulden. Ongelooflijk! Ik heb de film zelf in mijn middelbare schooltijd gezien in het kader van de lessen Nederlands en deze heeft toentertijd enorme indruk op mij gemaakt.

Jan Wolkers was naast schrijver ook beeldhouwer, al zag hij het zelf liever andersom. Het beeldje Moeder met Kind ter hoogte van Plantsoen 13 werd hier door de gemeente in 1957 neergezet. Ook voor de ingang van Leiden Centraal staat een glazen kunstwerk van Wolkers genaamd Ode aan Rembrandt en is er een straat naar hem vernoemd.


Via de Plantage gaan we weer richting centrum. Dan komen we op de Hogewoerd. Hier gaan we linksaf.

Boven de deur van Hogewoerd 179a lezen we de tekst: Camelot Vandaer si riden soecken avonture. Deze tekst is afkomstig uit de Middelnederlandse ridderroman Lancelot. Naar verluidt zou in zijn studententijd bohemien Ilja Leonard Pfeiffer enige tijd achter deze groezelige deur geresideerd hebben.
Camelot nu was een van kastelen van de legendarische koning Artur. Vanuit dit kasteel ondernamen de ridders van koning Artur tochten te paard om edele jonkvrouwen te ontzetten, draken te doden en op zoek te gaan naar de Heilige Graal, de schaal waarin het bloed van de gekruisigde Jezus opgevangen zou zijn. Camelot, een toepasselijke naam voor een studentenhuis, immers ook studeren hoort een avontuur te zijn.

Leiden was in de vorige eeuwen rijk aan textielfabrieken. De textielindustrie was jarenlang Leidens grootste werkgever. Ook de wollendekenfabriek van de gebroeders Van Wijk was aan de Hogewoerd gevestigd. De werkomstandigheden in de textielindustrie waren in de negentiende eeuw schrijnend. Werkdagen van 15 uur waren geen uitzondering. Ook kinderen werden massaal 
aan de spinmachines gezet. Beruchte Leidse textielfabrieken waren Zaalberg en Clos & Leembruggen. Er gebeurden veel ongelukken, waarvan veel kinderen het slachtoffer waren. De slechte arbeidsomstandigheden vormden voor Jacob Jan Cremer (1827-1880) de aanleiding tot het schrijven van zijn manifest Fabriekskinderen, Een bede maar niet om geld. Vanaf de jaren '30 van de negentiende eeuw werd al bij de landelijke overheid geklaagd over de slechte werkomstandigheden in de textielindustrie, echter de liberale regering onder leiding van Rudolf Thorbecke deed hier niets aan. Ten einde raad verzocht een klager, ingenieur bij het Stoomwezen, de heer A.A.C. De Vries Robbé J.J. Cremer over deze misstanden rond kinderarbeid te publiceren. Cremer genoot in dit tijd (1863) al enige bekendheid, omdat hij veel over sociale misstanden publiceerde. Het bleek een schot in de roos. Cremer, zelf woonachtig in Arnhem, bezocht daartoe een paar Leidse textielfabrieken en geloofde zijn eigen ogen niet. De situaties die hier hier aantrof overtroffen zijn stoutste verwachtingen. Cremer schreef Fabriekskinderen, Een bede, doch niet om geld in slechts zes weken en droeg het in een vlammend  betoog voor in het Haagse Diligentia. De aanklacht leidde nu wel tot veel commotie, media-aandacht en uiteindelijk tot vragen in de Tweede Kamer. Toch sleepte de zaak nog lang voort en trad er nauwelijks verbetering op. Elf jaar later pas maakte het Kinderwetje van Samuel van Houten in 1874 een einde aan het verschijnsel kinderarbeid in Nederland en werd het mogelijk voor kinderen om onderwijs te genieten en zo hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Als u uw oorschelp tegen de muur houdt en goed luistert, hoort u soms nog de ploegbaas bulderen: Voort, raderen, voort. Voort, raderen, voort.
Tot 1984 was de tweede verdieping van dit gebouw in gebruik van de vakgroep Nederlands. Tegenwoordig kunt u de vakgroep Nederlands helemaal aan de andere kant van de stad vinden aan het P.N. van Eijckhof, een gedeelte van het Witte Singeldoelencomplex. Bekende studenten Nederlands aan de universiteit Leiden zijn Christiaan Weijts (Art.258b), Pauline Slot (Zuiderkruis) en Nelleke Noordervliet. Zij bracht haar jeugd door in de Leidse Gerrit Doustraat, waarover zij schrijft in de aardige roman Elke dag roomboter.

Dat de lakenindustrie ook z'n goede kanten had moge blijken uit de gedenksteen op nummer 99 ter herinnering aan lakenhandelaar en neerlandicus Frans van Lelyveld. Hij was naast enkele anderen oprichter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 1766, die na al die eeuwen nog steeds in Leiden gevestigd is. Dit genootschap beheert onder andere een enorme bibliotheek, houdt literaire evenementen, maakt het mogelijk boeken uit te geven en stelt vele literaire prijzen ter beschikking. Van Lelyveld werd in Leiden geboren.

in Leiden heeft in haar studententijd van 1914 tot 1920 ook historica Annie Romein-Verschoor gewoond. Eerst aan de hier achtergelegen Utrechtse Veer op kamers bij Marie de Loos en later op de Hogewoerd bij dezelfde hospita. In 1920 trouwde Annie met de historicus Jan Verschoor. Samen schreven ze onder andere de historische overzichtswerken Erflaters van onze Beschaving en De Lage Landen bij de Zee. Omzien in Verwondering gaat dan weer over de studententijd en de Indische jaren van Annie Verschoor.

Schrijver en tekenaar Alexander Ver Huell studeerde van 1840 tot 1848 rechten aan de Leidse universiteit.  In Schetsen met de Pen vinden we een merkwaardig verhaal getiteld No. 470 Hogewoerd, een huisnummer dat overigens helemaal niet bestaat. In zijn studententijd woonde Ver Huell aan het Kort Rapenburg, precies op de hoek.
Jaarlijks publiceerde hij een tekening voor de almanak van het corps, waar hij lid van was. Kneppelhout vroeg hem al in 1840 om zijn boek Studententypen, dat werd uitgegeven onder het pseudoniem Klikspaan, te illustreren. Daar heeft hij zich met verve van gekweten.Ver Huell is meer bekend als illustrator dan als schrijver. Hij tekende en schreef ook onder het pseudoniem O.Veralby.
Het meest bekend van hem is zoals gezegd het morbide verhaal No. 470 Hogewoerd, waarin de hoofdpersoon contact probeert te leggen met de hersenen van een halfvergane schedel om er zo achter te komen of er leven na de dood is en zo ja, hoe dat er dan uit ziet. Hij onderhoudt contact met de dode hersenen via allerlei draadjes.

Aan de muur van Hogewoerd 76 zien we een uithangbord met de naam Maupertuus en de afbeelding van een vos.
Maupertuus is de naam van de vossenburcht van de vos Reinaert uit het Middelnederlandse dierenepos Van Den Vos Reinaerde. Maupertuus is potjeslatijn voor male pertusum dat zoiets betekent als slechte plaats om te wonen, verwijzend naar het listige karakter van de vos. Laten we maar hopen dat de huidige bewoners wel van hun woonst mogen genieten.

We staan nu even stil bij François HaverSchmidt, inderdaad met een zogenaamde CamelCase, een hoofdletter waar je eigenlijk een spatie zou verwachten en dan ook nog eens aaneengeschreven. De term verwijst naar de twee bulten van een kameel.
Vrij hoog op Hogewoerd 63 zien we een kleine gedenksteen.

In zijn studententijd van 1852 tot 1858 woonde François HaverSchmidt in dit huis op de hoek van de Hogewoerd en de Koenesteeg op de eerste verdieping boven doodbidder Van Ewijk, en man die bij familie, vrienden, buren en bekenden van een overledene aan de deur iemands verscheiden kwam aanzeggen. Het alter ego van HaverSchmidt, Piet Paaltjens, woont ook op de Hogewoerd en ook al boven een doodbidder.  Vele versjes uit Piet Paaltjens Snikken en Grimlachjes uit 1853 zijn hier te situeren, zoals: 

Als ik een bidder zie lopen
Dan slaat mij het hart zo blij
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.

Des zangers min

De morgendamp hangt over 't veld,
En kleurt den herfstdraad wit
Voor 't venster op de Hoogewoerd 
Een minnedichter zit.

Uit het raam op de eerste verdieping kijkt Paaltjens toevallig in de postkoets naar Woerden en ziet daar nog net de glinstering van een oorijzer van een Friezin doordat een toevallige passant net een lucifer afstrijkt om een sigaar aan te steken. De ultrakorte blik is voor hem voldoende om in opperste verliefdheid uit te barsten. Paaltjens is in Leeuwarden geboren, logisch dat hij Verliefd is op deze mooie Friezin. O Mina, Mina mijn. Hoe meer hij iets liefheeft, deste meer pleegt hij ermee te sollen.

Wellicht ziet u nog dat de stoep voor de deur wat aangevreten en wituitgeslagen is. Deze is afkomstig van de vele zoute tranen die de bleke jongeling en snel verliefde 'Paal' hier geplengd heeft.

Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
De stoep is weer nat.
Och hij wist niet dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Dat hij en de meid het niet wisten
was niets voor mij.
Maar dat zij er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.

Het gedicht Liefdewraak moeten we ook op de Hogewoerd situeren:

Een dikke sneeuwlaag dekt den grond;
Een wolkenlaag 't azuur;
't Vriest dertig graad; de wind blaast fel;
't Is 's nachts om twalef uur.

Maar trots de koude en trots de nacht
Staat op de Hoogewoerd 
Een jongling, vrij van oogopslag,
Het hart door min beroerd.

Bedoelde jongeling wilde daar een muzikale aubade brengen aan zijn geliefde, maar krijgt de kous op zijn kop. Zijn wens gaat niet in vervulling. Zijn aanbedene komt niet voor het raam; dan maar een sneeuwbal door de ruiten.

François HaverSchmidt studeerde theologie in Leiden en werd, bijna als vanzelfsprekend in die tijd, lid van het corps. Als we het over Minerva hebben dan bedoelen we daarmee in de tijd van HaverSchmidt Rapenburg 19, het pand waarin tegenwoordig het Von Sieboldhuis is gevestigd. Dat hij op Minerva een getapte peer was, moge blijken uit het feit dat hij het daar tot preses wist te schoppen. Hoe anders is dan HaverSchmidts alter ego Piet Paaltjens, een bleke, verlegen, ongelukkig in de liefde en aan Weltschmerz lijdende jongeling, in alles compleet het tegenovergestelde van de vrolijke Frans.

Aangekomen bij de Watersteeg gaan we even 30 meter naar rechts en komen zodoende op het hoekje van de Hooigracht en de Nieuwe Rijn. Waar kent u dat plekje ook al weer van? Oh ja, daar hangt het aan de muur!

Op het hoekje van de Hooigracht
En de Nieuwe Rijn
zwoer hij voor eeuwig trouw
Mijn boezemvriend te zijn

En halverwege De Vink
En De Haagsche Schouw
Verbrak hij, zes weken later zowat
Den eed van vriendentrouw 

Maar welk hoekje wordt nu precies bedoeld? Er zijn immers vier mogelijkheden.

Wat er precies tussen deze twee personen heeft afgespeeld is nog altijd onduidelijk gebleven. Wellicht toch een homo-erotische inslag? Hoewel, hiervoor hebben we geen enkele aanwijzing. We moeten eerder denken aan een vriendschapscultus, zoals die in de Romantiek gebruikelijk was. We gaan weer terug naar de Hogewoerd.

We passeren nu aan de rechterkant café Odessa, in zijn studententijd de stamkroeg van romanschrijver Christiaan Weijts, die in zijn schrijfsels Odessa het kroegje O. noemde. Weijts woont tegenwoordig in Den Haag. In 2006 verscheen zijn debuutroman Art. 285b over een verslaafde telefoonstalker. Hij won onder andere De Gouden Uil en de Prijs van de Lezer.

We lopen verder naar de Breestraat.

Ooit woonde de bekende Renaissancedichter Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647) aan de Breestraat al weten we niet precies waar, Int wapen van Loeven heette het huis; er bestonden in die tijd nog geen huisnummers, deze werden pas verplicht in de Franse tijd. Hooft studeerde in 1606 en 1607 rechten aan de Leidse universiteit. In het geschiedkundige werk de Nederlandse Histooriën beschrijft Hooft gedetailleerd het beleg en ontzet van Leiden in 1573 en 1574.


Vater Muller op de Breestraat 175 was in de dagen van HaverSchmidt een bekende eetgelegenheid. Piet Paaltjens werd door Vater Muller de tafel ontzegd omdat Paal er volgens hem zo bleek en mager uitzag. De gasten zouden soms kunnen denken dat zijn keuken niet goed genoeg zou zijn. Er konden bij Vater Muller hele drinkgelagen worden aangelegd. Muziek en zang waren hierbij absoluut geen uitzondering.

Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders heelemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zo schraal.

We staan even stil bij Botermarkt 16 waar in de negentiende eeuw Sigarenmagazijn Blaauw was gevestigd. Blaauw maakte zelf sigaren en deze vonden gretig aftrekiet onder het studentenwerk. Paaltjens heeft ook over deze sigarenboer geschreven in een Immortelle in de dichtbundel Snikken en Grimlachjes.

Immortelle 

Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem 
En zijn New-Foundlandse hond.

Ik moet er gedurig aan denken 
Zelfs adem ik soms nog flauw 
Den geur in van zijn sigaren 
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren 
dan word ik eensklaps zo raar
Is 't omdat hij ze rookte
Of was de tabak mij te zwaar


Gerrit Komrij heeft in 1992 op deze Immortelle de volgende persiflage gemaakt. 

Mien Spleetjens haar broer Piet Paaltjens nagevolgd

Zijn dauwworm en pokken, zijn gevel
Ontvleesd en poreus zijn wond.
Zijn compleetverdriet-pik, zijn falsetstem
En zijn nu-aftandse kont.

Ik moet aan die zurigheid denken;
Zijn aderen lager er rauw
En beurs bij, gehakte tartaartjes 
Niet Rood als gewoonlijk, maar Blauw.

Ruik ik opnieuw die tartaartjes 
Dan wordt ik eensklaps zo raar
Door hem die op de brancard lag
Of was het een bak of pissoir.


Gerrit Komrij bezocht overigens graag Leidse cafeetjes zoals De Bonte Koe en Sociëteit De Burcht.

Op Breestraat 146 woonde Isaäc da Costa (1798-1860) van 1816 tot 1818. Hij werd sterk beïnvloed door Willem Bilderdijk. Da Costa liet zich in de Pieterskerk tot christen dopen. Veel tumult ontstond er toen Da Costa zijn brochure Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, dat gericht was tegen het Verlichtingsdenken, publiceerde. Behalve Da Costa schaarde ook anderen zoals Groen van Prinsterer, de broers Willem en Dirk Van Hogendorp, Jacob van Lennep en Abraham Capadose zich rond de centrale figuur Willem Bilderdijk.
Willem Bilderdijk woonde in die tijd Breestraat 130, maar woonde ook op Oude Singel 86, waar eveneens  een herinneringsplaquette hangt, net als op het Rapenburg.

Op Breestraat 132 woonde de volksdichter Jan Pieter Heye (1809-1876), die hier medicijnen studeerde en hier van 1827 tot 1832 heeft gewoond. Verschillende student-auteurs namen in 1830 deel aan het succesvol neerslaan van de Belgische Opstand in de beroemde Tiendaagse Veldtocht. Zij schreven zich in bij het Corps Vrijwillige Jagers. Naast Heye namen hieraan ook Gerrit van de Linde, Bernard Gewin (pseudoniem Vlerk) en J.P. Hasebroek (pseudoniem Jonathan) deel. Zij schreven wapenliederen en strijdzangen. Bij terugkomst werden zij als ware helden ingehaald.


De bleke Piet Paaltjens viel ook danig op bij de plaatselijke winkeliers, zoals onder andere blijkt uit een gedeelte van de volgende Immortelle.

En Jongmans, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zoo op
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.

Adrianus Jongmans (1811 - 1886) was kleermaker en woonde op Breestraat 93 en vervaardigde op verzoek maatpakken voor de heren studenten.

Op Breestraat nummer 118 heeft kapper Knaap vroeger heel wat hoofden van de heren studenten gekapt. Hij genoot binnen het corps behoorlijk aanzien. Piet Paaltjens was er ook vaste klant aan huis getuige de volgende regels:

Toen Knaap mij de laatste keer knipte 
Was jij aangedaan onder het werk.
'Wat wordt u al grijs!', sprak hij somber,
'Ik vrees, u studeert te sterk.'

Boven de boekenwinkel van De Kler kunnen we een gedicht lezen van de in Leiden wonende schrijver, muzikant endichter Nico Dijkshoorn. We kennen hem natuurlijk allemaal uit zjjn wekelijkse optreden in De Wereld Draait Door.

Het boek 

het boek is niet dood 
het ademt
het boek gaat niet weg
het blijft
het boek schaamt zich niet
het babbelt 
het boek was niet ooit 
het is

Leiden heeft in de loop der jaren meer boekhandels gehad dan welke andere stad ook. Maar ook hier is het aantal boekhandels de laatste decennia geslonken. Toch wordt er meer dan ooit geschreven en gelezen. Het internet kent ook hierin zijn voor- en nadelen. De boekenbranche kende ook zo zijn verzuiling. De Kler richtte zich op de  protestants-christelijke lezer terwijl boekhandel Zandvliet onder de rook van de Hartebrugkerk het katholieke volksdeel bediende. Kooyker en Ginsberg richtte zich meer op wetenschap, terwijl Sweris aan de Prinsessekade, lekker rommelig als het er altijd was, gerust het meest anarchistisch genoemd mocht worden. En dan waren er natuurlijk de vele kleine boekhandeltjes, waar je zo lekker urenlang kon rondstruinen.


Nicolaas Beets (pseudoniem Hildebrand). Hier schreef Hildebrand zijn Camera Obscura, een verzameling burgerlijke verhalen. Deze romanticus heeft Leiden onvergetelijk gemaakt in het verhaal De Leidsche Peueraar in zijn Camera Obscura, hetgeen donkere kamer betekent. Karakteristieke figuren als Nurks, een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout, de familie Stastok, het aandoenlijke Keesje, het diakenhuismannetje, de familie Kegge zijn in ons nationale geheugen gegrift. Het wellicht bekendste gedicht van de dichter-dominee is wellicht het volgende. In de eerste strofe zit een mooi voorbeeld van zelfcorrectie:

De moerbeitoppen ruischten 

'De moerbeitoppen ruischten';
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille 
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn' vaderarmen 
Mij koesteren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij


Het huis met de naam Mon Repos (Mijn rustplaats) is het oudste Minerva-studentenhuis van de stad en is als zodanig nog steeds in gebruik.

Als Ilja Leonard Pfeiffer niet in Genua zit en in Leiden bivakkeert mag hij graag een glas of meer La Chouffe drinken in café Burgerzaken in de Breestraat. Bekende romans van Pfeiffer zijn Het Grote Baggerboek, Rupert en La Superba (2013) waarvoor hij de Libris literatuurprijs won. Voor een niet onaanzienlijk gedeelte zijn de invallen en teksten van Ilja's romans in dit etablissement in het kleine zwarte notitieboekje terechtgekomen. Pfeiffer heeft in Leiden een pied-a-terre op de bovenste verdieping van het massale pand van de voormalige vestiging van drukkerij Brill. Brill geniet internationale bekendheid omdat het een van de weinige drukkerijen in Nederland is die oriëntaalse teksten kan drukken, bijvoorbeeld Hebreeuws. Nog steeds is drukkerij Brill aan Leiden verbonden, iets om trots op te zijn.

Op Breestraat 121, het pand met de klokgevel zetelde vroeger het studentencorps.

Pfeiffer heeft Leiden vereeuwigd in zijn gedicht In Leiden met het meisje van zilver. Het gaat zo:

In Leiden met het meisje van zilver

In de lokhorststraat met het meisje van zilver
In de brandewijnsgracht met het meisje van zilver
In de minnestraat met het meisje van zilver
In de meisjespoort met het meisje van zilver 
In de paradijssteeg met het meisje van zilver
In de beschuitsteeg met het meisje van zilver
In de uiterste gracht met het meisje van zilver 

Dichter Jan van Hout schreef beide gedichten op de voorgevel van het stadhuis. Oorspronkelijk werd de voorgevel in 1594 door de Vlaming Lieven de Key ontworpen. Na de verwoestende stadhuisbrand van 12 februari 1929 werd het stadhuis opnieuw opgetrokken door architect Blauw, die de voorgevel in zijn oude glorie herstelde.Jan van Hout woonde trouwens vlak rechts van het stadhuis in het huis dat nu een schitterend gekleurde gevelversiering daterend uit 1673  heeft de horecagelegenheid In Den Vergulden Turk.
Terug naar die fatale nacht.Het vroor die nacht dat het kraakte. De volgende ochtend leek de ruïne nog het meest op een ijspaleis 
Er zijn foto's bewaard gebleven waarbij de ijspegels aan de hangsnorren van de spuitgasten. Een groot deel van het archiefmateriaal ging voorgoed verloren. Wat er nog gered kon worden ligt in Erfgoed Leiden en Omstreken. Soms met nog steeds zichtbare brand- en schroeiplekken.

In het  linkergedicht op de gevel van het stadhuis kunnen we lezen hoeveel dagen het Beleg van Leiden heeft geduurd en als we de Romeinse cijfers optellen komen we aan het jaartal 1574, het jaar waarin Leiden door de Watergeuzen ontzet werd. Het aantal dagen dat het Beleg door de Spanjaarden geduurd heeft bedraagt 129. Een waar gewrocht uit de tijd van de Rederijkers.

Thrijc van Spaengien, hem verbliden,
In tbeleggen, als si sagen,
Met gedult, mi dragen 't liden
Zo veel letters, Zo veel dagen

Nae zVVarte HVnger-noot,
GebraCht had tot de doot 
BInaest Zes-dVIizent MensChen:
ALst God Den heer Verdroot 
Gaf hI Vns VVeder brood,
Zo Veel VVI CVnsten VVensChen.

Zuukt en vint tjaer, van liden zwaer 
Dat niet en was te herden:
De Heren, maer, vrid'uns daer naer, 
Der tienden maent, den derden.

Het rechtergedicht is ook van de hand van Jan van Hout en gaat als volgt:

Indien Gods goetheyt U brengt voort
Gheluc en spoet, niet trotst t'gemoet 
Maar neer wil dragen 
En zend hij (siet) weeromme aen 't boort 
Angstich verdriet, weest daerom niet,
Te zeer verslaghen:
U heyl, zulc hil en toebehoort:
Danc God, swijcht stil, zoo was zijn wil
Beheer behaghen.


Twee cartouches met de tekst Bewaert Heer Hollandt en En Salicht Leyden. Deze laatste tekst is ook te vinden aan de achterzijde van de overblijfselen van de Vrouwenkerk op het gelijknamige plein. Componist Cornelisz Schuyt schreef er een compositie op.

Boven op het stadhuis ziet u pinakels met daarop een half maantje. Dat zit er niet alleen voor de decoratie op. In de Tachtigejarige Oorlog waren we in een strijd verwikkeld met het katholieke Spanje. Katholiek wilden we niet zijn, dan nog liever islamitisch. Vandaar de uitdrukking: Liever Turks dan paaps. De halve maan is het symbool van de Islam.

Leiden had aan het eind van de zestiende eeuw twee Rederijkerskamers: De Witte Acoleye en D'oraingne Lelie, de laatste was speciaal bedoeld voor de nieuwe Leidenaars en stond onder leiding van Jacob Duyn (1547 - 1624).

Aan de overkant, in de Wolsteeg, bevindt zich dranklokaal de WW. Hier wordt een paar keer per jaar op de dinsdagavond een Poetryslam of Poëzieslag georganiseerd, waarbij plaatselijke dichters hun recentste gedichten voordragen en het publiek kan beoordelen welk gedicht het meest treffend rond een bepaald onderwerp is en wie over de beste performance beschikt.

Toen François HaverSchmidt als student voor de laatste keer de stadhuistoren hoorde slaan viel hem dat heel zwaar, getuige een brief aan zijn beste vriend Adrianus van Wessem:

'Toen de toren van het Stadhuis mij voor 't laatst het middernachtelijk uur toesnikte, doolde ik alleen langs de eenzame straten en grachten der Sleutelstad. Ik zocht al de huizen op, waar vrienden hunne kamers hadden gehad, ik stond voor uw vroeger verblijf, en voor dat van Lutjen en Kaay langen tijd stil en ik herdacht al die zalige uren, toen wij daar alles smaakten, wat de aarde zoets en heerlijks heeft. Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik gevoelde mij zoo diep ongelukkig, dat het waarachtig was, of mij het bonkend hart zou barsten in de boezem. Ik bad om tranen en ik kon niet weenen. - Zie, ik had mij zoo gansch en al met ziel en ligchaam verpand en verkocht en overgegeven aan het Studentenleven en bovenal aan de vrienden, die ik onder de Studenten had gevonden, dat het voor mij was, alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijne wareld. Goddank dat die ure voorbij is!

Toen Rudolf Thorbecke, de grondlegger van de Grondwet en ons huidige parlementaire stelsel in Leiden hoogleraar was, woonde hij op Breestraat 113. Eerder bewoonde hij Nieuwsteeg 11 en later woonde hij op de Garenmarkt, waar wel een gedenksteen van zijn aanwezigheid in de stad getuigt.

Tegenover het stadhuis woonde hoogleraar Joseph Justus Scaliger het grote talenwonder. Naar verluidt beheerste Scaliger meer talen dan wie ook in heel Europa.

Op nummer 83 en 85 woonde de dichter Hieronymus van Alphen. Hij had daar een huis met een naastgelegen koetshuis.
Op nummer 103, naast het poortje van de Penshal woonde aan het eind van de zestiende eeuw de moralistische dichter Jacob Cats.

In de Stadsgehoorzaal droeg Jacob Geel in 1844 zijn Gesprek op den Drachenfels voor. Ook de Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid hield hier haar bijeenkomsten.

Op nummer 55 woonde de humanist Justus Lipsius, een begenadigd Leids hoogleraar, die de universiteit internationaal in de belangstelling wist te verheffen. Hij werd tot vier keer toe benoemd tot Rector Magnificus van de jonge universiteit. De jonge Prins Maurits woonde bij hem in. Hij eiste overigens een ijzeren tucht van zijn studenten. Ze moesten al om zes uur opstaan en lazen de hele dag klassieke teksten. Ook moesten ze zelf gedichten in het Latijn schrijven en voordragen. Zijn bekendste werk is De Constantia.

Op Breestraat 52 was vanaf de jaren dertig een boekhandel van S.B. Van Kloeten gevestigd. Het pand is ontworpen door architect Hendricus Lamberts in de Nieuwe Zakelijkheidstijl in gele baksteen en blauwgeschilderde kozijnen en geveldelen. Op de eerste verdieping van Het Nieuwe Boekhuis, zoals het bedrijf later ging heten, bevond zich de afdeling Letterkunde, die toepasselijk naar de gelijknamige bundel van Maarten Biesheuvel 'In de Bovenkooi' werd genoemd.


In de Vrouwensteeg woonde van 1583 tot 1585 de internationaal bekende drukker en uitgever Christoffel Plantijn. Een flinke gedenksteen hiervan kan u onmogelijk ontgaan. Plantijn werd opgevolgd door zijn schoonzoon Franciscus Raphelengius, de eerste drukker van Arabische teksten. De spreuk luidt vertaald: door arbeid en standvastigheid. De passer was zijn zinnebeeld.

Aan de rechterkant van de Breestraat nummer 50 doemt studentensocieteit Minerva op. Deze eerbiedwaardige vereniging bestaat al meer dan tweehonderd jaar en is op meerdere gebieden van belang geweest voor de Nederlandse letterkunde. Allereerst zijn er natuurlijk heel wat schrijvers die in hun studententijd lid geweest zijn van het corps. Te denken valt aan François HaverSchmidt, Eric, Soldaat van Oranje, Hazelhoff Roelfzema, Annie Romein-Verschoor, Alexander Verhuell, Conrad Busken Huet en vele anderen. Ook vormt Minerva regelmatig het decor voor verhalen van schrijvers.
Overigens, als we het over Minerva hebben, gaat het niet altijd om dit gebouw. Tot begin van de twintigste eeuw zetelde het corps op de begane grond van het Von Sieboldhuis aan het Rapenburg 19. Op de eerste verdieping daar lagen de vele Japanse kunstschatten van Von Siebold opgeslagen. Het mag gerust een wonder heten dat de hele miljoenencollectie in die roemruchte Minervajaren onaangetast is gebleven.
In de negentiende eeuw had Minerva een abonnement op verschillende buitenlandse kranten. In onze huidige informatiesamenleving kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat een eeuw geleden het internationale nieuws er een aantal dagen over deed om de sleutelstad binnen te sijpelen. De leestafel van Minerva is van onschatbare waarde geweest voor de nieuwsvoorziening in Leiden. De blik op de wereld werd hier voor een niet onbelangrijk gedeelte gevormd. Minerva heeft op de eerste verdieping een rijkgevulde bibliotheek, waarin de bezoeker zich, onder het toeziend oog van zes opgezette zwanen, weer even in de negentiende eeuw waant. De zwaan is het symbool van een subvereniging van Minerva, roeivereniging Njord.
In de Vrouwensteeg treffen we een muurgedicht aan van Piet Paaltjens. Paaltjens is door HaverSchmidt voor het laatst gezien tussen twee biljarttafels van Minerva, om daarna voorgoed van de radar te verdwijnen.
Aan de voorkant van de vesting zien we in het blazoen van Minerva de tekst Virtus Concordia Fides hetgeen Deugd Eensgezindheid Trouw betekent. Het lijflied van Minerva is het veel geciteerde en overbekende Io Vivat.

Veel Leidenaren vinden Minerva een detonerend gebouw in de Breestraat. Minerva is een representant van het in de jaren zestig populaire brutalisme, een architectonische stroming die veel met beton werkt en in vakken werkt.De binnenkant echter heeft een veel warmere uitstraling. Dit pand kwam in de plaats van zijn illustere in 1959 afgebrande voorganger. Vanaf 1844 troffen de corpsleden elkaar hier. Een ingediend bouwontwerp van mahoniehout kwam niet in aanmerking. Op het hoekje van de Wolsteeg en de Breestraat, op nummer 121, was de studentensocieteit Minerva van 1814 tot 1837 gevestigd, in de roerige beginjaren van het corps. Het huis werd in die tijd  ook 'De twee kolommen' genoemd. Het moet in dit gebouw  geweest zijn dat zo'n 300 studenten zich inschrijven om ten strijde te trekken in de beroemde Tiendaagse Veldtocht. Onder hen bevond zich ook Gerrit van der Linde, die we later leren kennen onder zijn pseudoniem De Schoolmeester. 

De leden van Minerva zelf noemen hun onderkomen steevast De Tent. Ze komen er vaak meerdere keren per week een aantal pinten downloaden. Peter Matthes beschrijft het verenigingsleven in die beginjaren als volgt:
'Bijj Sociëteit Minerva voelt zich de student te huis, zij is zijn tweede woning, zij is 't tooneel waarop de studenten-wereld zich beweegt. - Daar vindt gij des namiddags te 3 uur de geheele studenten-maatschappij bijeen; dan krioelt het er, dan wordt er gelagchen, geschertst, gezongen, gespeeld, gedronken; ja de dorstige kelen worden dan gelaafd met nektar, vroeger door nijmfen geschonken ... thans helaas! Door iemand die alles met Ganymedes gemeen heeft behalve zijn schoonheid. ... En 's-avonds, als het troepje studenten daar bij een zit, laat dan de een of andere melancholicus, die reeds door de doctoren als ongeneeslijk is opgegeven, zich onder hen mengen, ik verzeker u, hij wordt genezen.'

Na de uitreiking van zijn eredoctoraat in 1946 heeft Sir Winston Churchill voor de deur van Minerva nog een sigaar gerookt.

Overigens is het aan Minerva te danken dat we tegenwoordig nog of weer 3 oktober vieren. Het feest was in 1883 op sterven na dood doordat de viering die toen op vrijdag plaatsvond in verband met economische schade aan de wekelijkse veemarkt verplaatst werd naar zondag 5 oktober De Leidenaar werd zodoende een vrije dag door de neus geboord en dat ging de heren studenten te ver. Ze gingen zelf op 3 oktober haring en wittebrood uitdelen aan arme stadsgenoten. Enkele leden van Minerva hebben het toen met de ervaring die ze hadden met het organiseren van maskerades hebben Leidens Ontzet toen nieuw leven ingeblazen. En zie daar, de roemruchte 3 October Vereeniging, zag in 1886 het levenslicht. Om die reden neemt de preses van Minerva qualicate qua plaats in het bestuur van de 3 October Vereeniging en is er jaarlijks de traditionele hutspotmaaltijd op Minerva met datzelfde bestuur.
In het gedicht De Drie Studentjes komt de sociëteit ook nog een keer voor.

Alle morgens van tienen tot elven
Hengstten ze samen vol vlijt,
En van elven tot vieren
Bezochten ze eendrachtig de sociëteit.

Veel lijkt er in al die jaren niet veranderd; alleen zijn de tijdstippen wat meer opgeschoven naar de avonduren.

Ook vormt Minerva het decor van de verfilming van Erik Hazelhoff Roelfzema's boek Soldaat van Oranje (1977)
Rutger Hauer zingt hier het bekende Maleise liedje Terang Bulan. Erik moet dit lied tijdens een studentendoop zingen voor preses Guus, die gespeeld wordt door Jeroen Krabbé. guus vindt dat Erik het lied vals zingt. Hij moet het lied opnieuw zingen en krijgt daarbij een nog volle soepterrine boven zijn hoofd uitgegooid en op zijn hoofd gezet. Dan valt Erik tegen de tafel van het bestuur en moet naar het ziekenhuis. guus bezoekt hem daar en zo leren zij elkaar kennen. De herkenbaar muziek van de film is van de veel te vroeg overleden componist Rogier van Otterloo en wordt vaak gebruikt bij Minerva-evenementen, en klinkt dan flink versterkt over de Leidse grachten.

Het liedje gaat als volgt:

Terang bulan, Terang bulan di kali
Buaya timbal, disankalah mati 
Jangen percaya orang mulat lelaki 
Berani sumpah,  dia takut mati.

Het is een Maleis liedje in de krontjongstijl en dateert nog uit de koloniale tijd. De versvorm is een zogenaamd pantun, een klassieke kwatrijnvorm, waarbij alleen het eerste en tweede regelpaar bij elkaar horen. Soms is er een duidelijk verband tussen beide regelparen, vaker is het verband vaag of soms zelfs helemaal zoek. In het Nederlands vertaald luidt het liedje als volgt:

De maan schijnt, de maan schijnt over de rivier
De krokodil drijft, je zou denken dat ie dood is.
Geloof niet dat wat een man je zegt.
Ze durven van alles te zweren,
Maar zijn bang om dood te gaan.

De dichter J.M.W. Scheltema (1921-1947) was lid van het Leidse studentencorps. Pim kon af en toe  echt strontvervelend zijn, zo ook op een avond waarop hij uit De Tent komende iedereen de hoed van het hoofd stootte. Er ontstond een opstootje doordat het publiek zich ging bemoeien met het politieoptreden. De politie was zijn fluimactie zat en loste een schot dat hem noodlottig werd. Pim werd onder massale belangstelling begraven in aanwezigheid van burgemeester Van Kinschot en een speechende rector-magnificus. De agent die het fatale schot loste werd vrijgesteld van  verdere rechtsvervolging. Pim Scheltema geniet bekendheid om zijn kolderliedjes à la Toon Hermans, bijvoorbeeld zijn bekendste gedicht Mijn Hospita in een soort pseudo-Hongaars. 

De steen in de gevel van Breestraat 37 vermeldt dat Pieter Bas hier tussen 1868 en 1873 heeft gewoond. Dat is echt fake, want de persoon Pieter Bas heeft nooit bestaan. Het is een karakter van de geestige Godfried Bomans uit zijn roman Memoires of Gedenkschriften van Pieter Bas. Pieter Bas studeerde in die tijd rechten, was lid van Minerva en woonde in de ploeterij (kosthuis) van juffrouw Fles. Hij zou het later nog tot minister van Onderwijs weten te schoppen. Bomans heeft zelf nooit in Leiden gewoond, noch er gestudeerd.
Godfried Bomans zelf was een begenadigd causeur en in de beginjaren van de televisie een veelgevraagde spreker. Legendarisch geworden is zijn beschrijving van de Duitse zangeres Marlène Dietrich: Had mijn vrouw maar één zo'n been.

Ik zit mij voor het zolderraam
Onnoemelijk te vervelen
Ik wou dat ik twee hondjes was
Dan kon ik samen spelen.

Altijd toegeschreven aan Godfried Bomans, maar in werkelijkheid waarschijnlijk van cabarettekstenschrijver Michel van der Plas. Bomans zelf heeft overigens nooit toegegeven dat hij de auteur is. We kunnen het ze niet meer vragen.

Vroeger was de centrale van de openbare bibliotheek gevestigd aan de Breestraat 43. Deze locatie speelt een rol in de zich in Leiden afspelende detectiveroman De Kroongetuige van Maarten 't Hart. Een van de hoofdpersonen Thomas Kuypers raakt hier verliefd op het spiegelbeeld van bibliotheekmedewerkster Jenny. Zij verdwijnt op mysterieuze wijze, en Thomas is de laatste die haar gezien heeft. Thomas wordt er vervolgens van verdacht haar lijk aan zijn laboratoriumratten te hebben gevoerd.

De bioscoop Trianon en het daartegeover gelegen pand, dat vroeger een postkantoor was, spelen een rol in Kort Amerikaans van Jan Wolkers. Eric van Poelgeest vlucht bij een razzia door de Duitsers door de draaideur het postkantoor binnen en weet zo te ontkomen. Hij en een vriend stonden toen net de schaarsgeklede dames op de posters van de de bioscoop te bewonderen.

Daarnaast op nummer 29 woonde van 1831 tot 1834 literatuurcriticus, historicus en filosoof Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink (1810-1865). Hij studeerde hier en in Amsterdam theologie en filologie.In zijn tijd gold hij als een van de meest invloedrijke intellectuelen van het land en was een warm voorstander van een liberale maatschappij. Hij heeft zeven jaar in Europa van bibliotheek tot bibliotheek gezworven om, naar eigen zeggen, onderzoek te doen, maar in werkelijkheid om zijn schuldeisers te ontlopen; hij had namelijk torenhoge speelschulden.

Vroeger was de centrale van de openbare bibliotheek gevestigd in het pand Breestraat  25 en 27. Deze plek speelt een rol in de roman De Kroongetuige van Maarten 't Hart. De bibliotheek op deze plek werd mogelijk door een legaat van juffrouw Reuvens. Zij bood haar huis aan en zorgde ervoor dat de bibliotheek over een startkapitaal kon beschikken. Eerder waren er al initiatieven voor een bibliotheek in het gebouw van de Maatschappij tot Nut Van Het Algemeen op de hoek van de Langebrug en de Steenschuur. De katholieke kerk en de gereformeerde gemeente waren bevreesd dat zij hun grip op de lezers zou kwijtraken.
Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog beschikte de centrale van de openbare bibliotheek over 28.000 boeken. De Duitse bezetter liet 200 Nederlandse auteurs verbieden. In totaal werden er 1150 verwijderd die de Duitsers niet welgevallig waren.
Op Breestraat nummer 30 woonde in zijn studententijd de schrijver Jacob van Lennep en hier zijn Academische Idyllen schreef en zich hier liet inspireren tot De lotgevallen van Klaasje Zevenster.


We passeren op Breestraat 24 het geboortehuis van Johannes Kneppelhout (pseudoniem Klikspaan) die we vooral kennen van de bundel Studententypen en het latere Studentenleven. De sprookjesschrijver Hans Christian Andersen heeft hier in 1866 gelogeerd. Hij gold als een maecenas voor arme kunstenaars.

Aan de Breestraat is eveneens studentenvereniging Quintus gevestigd. Schrijfster Corien Botman (1961) was lid van dispuut Triumph. Nu is ze een gevierd  schrijfster van jongerenromans. Met Schaduwspits schreef ze haar bekendste werk. Ook cabaretier Onno Innemee was lid van Quintus en wel van het dispuut Delta. Tot slot noemen we nog de naam van Renee Gade, die lid was van dispuut Aquavite.

Waarom eigenlijk publiceren zoveel schrijvers toch onder een schuilnaam? In het bijzonder in de negentiende eeuw. Kneppelhout is toch zeker een schitterende naam? Staan ze niet achter de inhoud? Zijn ze bang te min gevonden te worden? Willen ze het voor anderen niet weten? Zijn ze bang voor eventuele vervolging (van die onschuldige verhaaltjes)? Of is er nog een andere reden?
Veel schrijvers die een pseudoniem kozen deden dat in hun studententijd. Ze waren zich er als rechtenstudent en theologiestudent terdege van bewust later in een hoge maatschappelijke functie terecht te komen. Onder de hoede van de alma mater konden de studentschrijvers lekker experimenteren en zichzelf nog even laten gaan, want later in de grote boze wereld moest alles voor het echie.

We komen nu op het Kort Rapenburg die het decor vormt voor het verhaal Drijvende Mijnen in de roman Ernstvuurwerk van F.B Hotz. Hotz woonde zelf op de door hem vereeuwigde Rijnsburgerweg, op nummer 75.

Aan het eind van de Breestraat gaan we linksaf het Rapenburg op en nemen hiervan de rechter, onevengenummerde zijde. Achter ons zien we molen De Valk, waar cabaretier Paul van Vliet in zijn studententijd gewoond heeft. Over zo'n beetje elk pand aan het deftige Rapenburg, ooit de mooiste gracht van Europa genoemd, valt wel wat te zeggen. Dat is dan ook gebeurd in een lijvige studie over de gracht en zijn bewoners door de eeuwen heen. Overigens weten we nog steeds niet wat de naam Rapenburg betekent. Ook Amsterdam kent zijn eigen wijkje Rapenburg en ook hier tast men in het duister over de herkomst van de naam.
Zoals al eerder gezegd vermelden we nog eens dat hier op de hoek ooit schrijver en tekenaar Alexander Verhuell, pseudoniem O. Veralby heeft gewoond. Hij woonde boven de bakkerij van Garrer. In 1914 bouwde architect W. C. Mulder dit Um 1800 hoekpand voor de Leidsche Verzekeringsmaatschappij. 

Op de beletage van het Von Sieboldhuis op nummer 19 was zoals gezegd studentensociëteit Minerva gevestigd.

Over het Rapenburg en haar bewoners door de eeuwen heen heeft Willemijn Fock een tiendelig boekwerk gemaakt. Niet bekend is waar de naam Rapenburg vandaan komt en wat het betekent.

Philipp Franz Von Siebold (1796 - 1866) was een Duitse arts in dienst van het Nederlands-Indische leger. Hij is een vermaard natuuronderzoeker en geniet vooral bekendheid vanwege zijn in Japan verzamelde etnografica en kunstvoorwerpen waarvoor hij zijn huis ter beschikking stelde. Zelf verbleef Von Siebold meestentijds tussen zijn exotische plantencollectie op zijn buiten Nippon aan de Lage Rijndijk.

Aan de overkant van het Rapenburg ligt Hotel De Doelen. In 1995 huurde A. F. Th. van der Heijden hier enige weken een kamer en werkte daar aan zijn dubbelroman De Tandeloze Tijd deel 3.

De Franse filosoof Rene Descartes of Cartesius woonde in 1640 en 1641 op het Rapenburg 21 . Descartes voltooide hier zijn beroemde Meditationes.
Het was hier dat hij via zijn hospes Jean Gillot in contact werd gebracht met de Haagse uomo universalis Constantijn Huygens. Er ontstond een levendige conversatie en correspondentie tussen die twee. Van Descartes is de beroemde uitspraak cogito ergo sum, hetgeen Latijn is voor ik denk dus ik besta. Hij trok alles in twijfel alleen zijn eigen denkvermogen niet. Het bekendste werk van Descartes verscheen In 1637 onder de titel Discours de la Methode, een verhandeling over de manier waarop wetenschap bedreven dient te worden. Descartes wordt dan ook wel de vader van de moderne wetenschap genoemd. Bij de wijsgerige debatten ging het er soms zo heet aan toe dat de discussianten buiten met elkaar slaags raakten. Descartes bewoonde ook kasteel Endegeest.


We gaan de brug over de Groenhazengracht over. Haasje Groen was een bekende Middeleeuwse prostituee. Lange tijd is dit de hoerenbuurt van Leiden geweest. Militairen van de voor u liggende Doelenkazerne en studenten vormden de clientèle. Publieke vrouwen werden in de zeventiende eeuw ook wel dakhaasjes genoemd.
O Here, breng hem niet tot Leyde, verzuchtte een angstige Amsterdamse vader toen zijn zoon te kennen gaf in Leiden te willen studeren. Leiden gold in de zeventiende eeuw als een stad waar de verleiding om de hoek lag. Amsterdam daarentegen was toen nog een nette stad. Hoe anders is het nu. Hier zijn de nodige liefdesgedichten over geschreven in Incogniti Scriptores Nova Poemata, (nieuwe gedichten van onbekend willen blijvende schrijvers) want anoniem wilde deze dichters natuurlijk wel blijven. Om diezelfde reden zijn de gedichten in het Neolatijn opgesteld.

Op de hoek zien we de Bibliotheca Thysiana. De jong overleden Jan Thijs had bij testament bepaald dat na zijn overlijden zijn boekenverzameling ter beschikking moest komen van de samenleving, echter er was nog geen pand. Thysius laat 20.000 gulden na voor de bouw van een bibliotheek. Die verrees hier in 1654. Een pareltje van Renaissance-architectuur. De nog steeds publieke bibliotheek is ontworpen door de Leidse stadsarchitect Arent van 's Gravesande en werd afgemaakt door Willem van der Helm. In het Hollands classicistische pand bevindt zich nog een van de zes originele lezenaars, een meubelstuk in de vorm van een boekenmolen waarop zes boeken konden liggen en met gemak een ander boek naar voren gehaald kon worden.
Het werd veel gebruikt bij het afschrijven van teksten.

Een aantal panden verder zien we het huis van Herman Boerhaave. De gevelsteen geeft aan dat Boerhaave hier gestorven is. Boerhaave is van bijzonder belang geweest voor de geneeskunde. Hij was een warm pleitbezorger van colleges in de landstaal en was hij de eerste die geneeskundeonderwijs gaf aan het bed van de patiënt. Nu nog is dat de gewoonlijke gang van zaken. Boerhaave bracht het grootste gedeelte van zijn leven door op kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest. Hij is geboren in het nabijgelegen Voorhout.Boerhaave genoot een zodanige internationale bekendheid dat een brief uit China met als enige adres 'Boerhaave Europa' voldoende was om de brief prompt op het juiste adres besteld te krijgen. Van de Russische tsaar Peter de Grote is bekend dat hij in zijn boot voor de deur van Boerhaave de nacht heeft doorgebracht om in alle vroegte de volgende dag een consult van de superarts te kunnen krijgen. Op de gevel staat de Latijnse spreuk Simplex Veri Sigellum en betekent Eenvoud is het kenmerk van het ware, de lijfspreuk van Boerhaave. Het zou zomaar kunnen zijn dat hij deze spreuk zelf bedacht heeft. Boerhaave heeft een standbeeld in Leiden aan de gelijknamige straat waarbij hij uitkijkt op de voormalige hoofdingang van het academisch ziekenhuis. Ook het Boerhaavemuseum is naar hem vernoemd omdat het hier was dat hij zijn eerste college aan bed heeft gegeven.

Weer een aantal panden verder zien we dat brompot Willem Bilderdijk hier rond het jaar 1820 op huisnummer 37 heeft gewoond. Bilderdijk heeft op verschillende plaatsen gewoond. De dichter-jurist gaf aan huis als privaatdocent Staatsrecht. Hij ging daarbij meestal gekleed in een kamerjas met om zijn hoofd een witte doek gewikkeld tegen de hoofdpijn die veroorzaakt door het gebruik van opium.
Ik schrijf brompot en dat kan gestaafd worden aan de hand van het navolgende briefje aan zijn huisbaas, die Bilderdijk maant achterstallige huur te betalen.

Hoogwelgeboren heer,

Daar ik my nooit met geldzaken bemoeid heb, noch meen te bemoeien, weet ik niets van huurpenningen of lasten of wat dergelijke is. Ik verschoon voor het overige, volgens uw verzoek, uwe vrijpostigheid, als van een onbekende jegens een onbekende, schoon het -inderdaad - dezelve wat verre gedreven is iemand in zijne studiën met zoodanige kleinigheden te storen. Ik teeken my dus,

Met alle betamelijke hoogachting,
Uw dienstwillige Dienaar
W. Bilderdijk 

De huisbaas zal vervolgens zwaarder geschut hebben moeten inzetten om aan zijn huurpenningen te komen.

Aan de overkant van het Rapenburg zien we het pand van de op een na grootste Leidse studentenvereniging Augustinus. Leiden heeft vijf studentenverenigingen: Minerva, Augustinus, SSR, Catena en de jongste Quintus. Nu bloeit het studentenleven weer, maar dat is niet altijd zo geweest. Hannes Menkema geeft in haar boek En dan is er koffie (1976) een aardig beeld van het alternatieve studentenleven van de jaren zeventig, toen het not-done leek om lid te zijn van welke studentenvereniging dan ook. De authentieke corpsbal was bijna compleet uit het Leidse straatbeeld verdwenen. Het is in die tijd een wereld van seks, bier, stickies, jenever en relatietroubles.

De Japanse keizer Akihito heeft met zijn echtgenote een wandeling gemaakt van het Sieboldhuis naar het Academiegebouw en onderweg de hand geschud van een aantal studentes, een eer die hen wel te beurt viel, een spontaniteit die in Japan zelf hoogst ongebruikelijk is. De keizer leunde bij deze gelegenheid met zijn hand op het paaltje voor de deur. Nu doen vele Japanners die hier op bezoek komen dat na en fotograferen dat. Dichterbij hun keizer kunnen ze in eigen land nauwelijks komen.

Nummer 49 was het woonhuis van dr. C.H.A. Kruijskamp, ,de hoofdredacteur van het WNT en de dikke Van Dale. Zijn bibliotheek telde op haar hoogtepunt maar liefst 67.000 werken. Zijn boekenbezit werd in Leiden door veilinghuis Burgersdijk & Niermans geveild, niet alleen zijn boeken, maar ook zijn grote verzameling erotica, een liefhebberij die aanvankelijk niemand achter deze ietwat wereldvreemde kamergeleerde had gezocht. 

Op Rapenburg 45 was tijdens haar studententijd de woning van prinses Beatrix en later van haar zus prinses Margriet. De Leidse schrijver F.B.Hotz was zeer slechtziend, maar speelde wel in een bandje, zo ook een keer in aanwezigheid van de nog jonge Beatrix. In de pauzes vermaakte Hotz zich prima met deze dame, want ze kwam steeds naar hem toe. Een van de bandleden zei later op de avond tegen hem: Joh, Frits, weet je wel wie dat meisje is, met wie je al de hele avond aan het praten bent, dat is onze toekomstige koningin.' Waarop Hotz antwoordde: 'O, ik dacht al dat het niets zou worden.'

Op de hoek van het Rapenburg en de Doelensteeg vinden we een muurgedicht van Maria Vasalis dat daar is aangebracht door de Stichting Tegenbeeld op verzoek van de Vereniging van Vrouwelijke Studenten Leiden bij gelegenheid van hun 115e diës. Maria Vasalis woonde in haar studententijd van 1927 tot 1934 op de hoek van de Lijsterstraat en de Leeuwerikstraat. Haar eigen naam was Droogleever Fortuin-Leenmans. Vasalis is de genitief van leenman.

Aan het eind van de Doelensteeg bevindt zich het Huizingagebouw, waar de hoofdpersoon van Christiaan Weijts' roman Via Capella 23, de kunsthistoricus Arthur Citroen zijn werkkamer heeft. Hij komt in de problemen als hij een relatie krijgt met een studente en er vervolgens erotische filmpjes van Fay op internet verschijnen. Heeft Arthur hier de hand in gehad? 

Hèhè, eindelijk weer eens een schrijvende vrouw. Op Rapenburg 41 woonde de dichteres Lucretia Wilhelmina van der Merken (1721 - 1789). Zij schreef het treurspel Het Beleg der Stad Leyden. Waarschijnlijk werd zij onder andere om die reden samen met haar echtgenoot Nicolaas van Winter tot ereburger van de Sleutelstad benoemd.

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), de grote Arabist en Mekka-ganger die onder de schuilnaam Abd al-Gaffâr in 1885 bijna in Het Heiligste Der Heiligen van de Mohammedanen wist te komen. Ik nog niet De vermomde wetenschapper wilde koste wat het kost de archieven van de Verboden Stad Mekka bestuderen. Hij werd 16 keer gecontroleerd, totdat een Franse krant over Snouck Hurgronjes drieste daad publiceerde en als een haas moest maken dat hij wegkwam. Studenten konden die avontuurlijke inslag overigens hogelijk waarderen.

Wat valt u op aan het pand Rapenburg 65. Inderdaad, de deur zit niet in het midden. In het pand woonde Aernout van Overbeke, voor vrienden, waaronder Constantijn Huygens Nout. Ondanks dat zijn huis een waar stadspaleis lijkt, ging het hem financieel bepaald niet voor de wind. Zijn erfdeel van zijn jong overleden vader joeg hij er snel doorheen en zijn hele verdere leven heeft hij op zwart zaad gezeten. Van Overbeke (1632 - 1674) schreef in zijn leven ongeveer 2500 moppen op die zijn gebundeld in Anecdota sive historiae jonsta. In de Gouden Eeuw waren schuine moppen een een groot gedeelte enorm populair, terwijl anderen ze juist verfoeide, exact zoals tegenwoordig. Dan zult u er vast een paar willen horen? Vooruit dan maar!

Een bedelaer quam voor de deur van een rijcke juffrou seer jammerlijk klaegen over sijn grooten honger en eyschte maar één stukje broot. De meyt quam het haer juffer vraegen. 'Wat', seyde die, 'Geeft den armen bloet een heel broot.' Haer vrijer, die haer lang opgepast hadde, sat just bij haer en seyde met een diepe sugt: 'Geluckige bedelaer, die de eerste reyse dat hij hier komt terstont een heel broot krijgt, daer ik soo lange jaeren maar een kleyn sneetje gebeden hebbe en noch niet verhoort ben geworden.'

In modern Nederlands:

Er kwam eens een arme bedelaar aankloppen bij een rijjke vrouw en klaagde zijn nood over zijn onvoorstelbare honger en vervolgens vroeg  om een klein stukje brood. De dienstbode ging het aan haar mevrouw vragen. 'Wat', antwoordde ze, geef die armoedzaaier een heel brood.' De vrijer van de rijke vrouw, die al een paar jaar verkering met haar had, was toevallig getuige van dit gesprek en slaakte een diepe zucht: 'Gelukkige bedelaar, die gelijk bij de eerste keer dat hij aan de deur komt direct een heel brood krijgt, terwijl ik al zoveel jaar om een klein sneetje gevraagd heb, maar het nooit gekregen heb.' 

Voor de fusie met Minerva zetelde de VVSL, de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden, in hetzelfde pand Rapenburg 65. De in Leiden gestudeerd hebbende neerlandica Marijke Harberts (1936) geeft in haar roman Doezamand (1994) een aardig inkijkje hoe het er hier in de vijftiger jaren aan toe ging. Niet alle èles, zoals de dames in twinset werden genoemd, wisten bijvoorbeeld op seksgebied waar Abraham de mosterd haalde. 'Wat vind jij eigenlijk van een gelijktijdig orgasme? Eh, dat is nog eens wat anders dan de svarabaktivocaal.' Seks van vrouwen onderling lijkt hierin absoluut onbespreekbaar.

Het Academiegebouw 

De eerste twee jaar na de oprichting van de universiteit op 8 februari 1575 zetelde de alma mater in het Barbaraklooster, dat we moeten situeren op de hoek van het Rapenburg en de Houtstraat. Gevolgd door het Faliede Begijnhof hier schuin tegenover. Daarna in 1581 streek de universiteit neer in het klooster van de Witte Nonnen, de orde der Dominicanessen, waar het hart van de wetenschap nog steeds klopt.
Het torentje is een ontwerp van stadsarchitect Willem van der Helm die ook onze stadspoorten ontwierp, waarvan alleen de Morsport en de Zijlpoort resteren.
Het devies van de Leidse universiteit luidt: Praesidium Libertatis en is Latijn voor Bolwerk der Vrijheid. De wetenschap moest zonder wat voor beperking dan ook uitgeoefend kunnen worden. En inderdaad, meerdere keren in de geschiedenis moest die vrijheid met hand en tand worden verdedigd, bijvoorbeeld via de protestrede van professor Cleveringa in 1942.
De universiteit wist in de beginjaren al internationale geleerden van naam naar Leiden te trekken. Naast Scaliger en Lipsius is Daniël Heinsius van buitengewone betekenis voor Leiden geweest. Hij stak zijn trots voor de stad niet onder stoelen of banken getuige het volgende lofdicht:

Aen Leyden 

O Nederlandts Athenen,
O voester van verstant en kloecken geest.
O Son van wijsheit ende konst, o, Duytschen Helicon.
Fonteyn van prijs en eer, o herberch van de wijsen,
O woonplaats van de Faem, wie souden konnen prijsen,
De glans van uwen lof so groot en breet?
Wie sou afschilderen u werck en costelick gebou?

Het was ook voornamelijk hier in dit gebouw dat gedurende Het Twaaljarig Bestand (1609 - 1621) de theologen Arminius en Gomarus elkaar meer dan eens in de haren vlogen over leerstellige verhandelingen aangaande predestinatie. De ideeën liepen zo zeer uiteen dat het bijna tot een burgeroorlog leidde. Arminius woonde in de Nonnensteeg en Gomarus op de naastgelegen Vijfde Binnenvestgracht. De mythe wil dat beide heren elkaar over de schutting schier de hersens insloegen. De godsdiensttwisten kostte landsbestuurder Johan van Oldenbarneveldt evenwel letterlijk de kop.


De muurtekeningen in het gebouw zijn van de hand van Victor de Stuers. Gradus ad Parnassum is uit te leggen als de trap naar de wijsheid. Vele duizenden wijze mensen hebben deze wenteltrap in de loop der eeuwen inderdaad beklommen. Victor de Stuers bracht de tekeningen, houtskool op stuc langs de wenteltrap aan in de periode 1861 - 1867. HaverSchmidt had de universiteit toen al lang de rug toegekeerd, maar hij wijdt er in 1886 nog wel een artikel aan. Het wereldvreemde studentje staat er met zijn koffertje een beetje lullig bij, nog onwetend wat de toekomst aan de universiteit hem zal brengen. Angstig ziet hij zijn ontgroeningstijd tegemoet. Macte animo betekent Houd goede moed. Ps. 99 Heere, breng hem niet in lijden. Maar goed, we gaan de trap op en volgen het academische leven aan de hand van het artikel van HaverSchmidt: 'De inauguratie is achter den rug en wij ontmoeten den jongen student op de tweesprong, dien Hercules en na hem iedereen betreden moest, wien de levenslust gloeiend door de aderen tintelde. Wat zal hij doen? Pallas Athene legt de hand op zijn schouder en wenkt hem haar te volgen, opwaarts, waar schoone gestalten zich aan zijn oog vertoonen, Labor en Industria, Arbeid en Vlijt, en in haar midden de schoonste van allen Veritas, de eeuwige Waarheid. Maar ook op 's knapen anderen schouder rusten zachte vingers en, terwijl de geurige druif uit vollen beker hem tegenlacht, zijn blanke armen gereed hem te omhelzen, lokt driest onthulde schoot hem tot verboden lust. Wat zal hij doen? Ziet hij het monster niet, den grimmigen beer, die achter de bekoorlijke verleidster wegschuilt, gereed hem te verslinden, waar hij zich aan haar overgeeft? O! Laat ons hopen, dat geen naberouw te laat des jongelings keuze volgen zal!'

Op de eerste verdieping aangekomen vinden we het vermaledijde Zweetkamertje. Boven de deur vinden we de Italiaanse tekst: Lasciate ogni speranza voi che entrate. 
Ook deze tekeningen zijn van de hand van Victor de Stuers, de grondlegger van de monumentenzorg. Deze tekst is afkomstig uit De Hel van Dante en betekent Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt. De Stuers liet zich voor het maken van deze tekening in 1865 een nacht opsluiten in het Academiegebouw, naar verluidt omdat hij een goede band had met de pedel.
Hic sudavit sed non frustra. Hier heb ik veel gezweet, maar niet tevergeefs. Deze tekst schreven vele alumni op de muren van het Zweetkamertje. Deze tekening is van student Louis Raemakers en stamt uit 1919. De tekst rondom het kraantje luidt: Dit is Hansworst, lest hier uw dorst. Hansworst is de voorloper van de bekende poppenkastfiguur Jan Klaasen. Dit is een verwijzing naar een kinderversje dat als volgt gaat: 

Heb je dorst, 
Ga naar Hansworst.
Die heeft een hondje,
Dat piest zo in je mondje.

Vele groten hebben zich hier ooit heel klein gevoeld. Nadat een of andere onverlaat het Zweetkamertje met roze verf had besmeurd, is dit unicum alleen onder toezicht te bezichtigen.

Gerard Unger ontwierp de zogenaamde Leidse letter, die nodig bleek om enkele Latijnse teksten in het plaveisel in te graveren. In het Academiegebouw staat de tekst Musa Coela Beat en dat betekent de muze verblijdt de hemel.

Hebt u even tijd, dan kunt u gerust een bezoek brengen aan de Hortus Botanicus. Dan kunt u Het Geheim van de Hortus van Peter van Zonneveld wellicht beter tot u laten doordringen. Zo niet, dan kunt u toch even onder de poort doorlopen en meteen rechts daarvan de nog door Dirck Outgaerdszoon Cluyt, beter bekend als Carolus Clusius, - de eerste hortulanus - geplante en nu behoorlijk gestutte goudenregen bewonderen. Hij staat hier nu al ruim vier eeuwen. Vlak voor u ziet u zijn borstbeeld. Direct links van de poort staat een zeldzame tulpenboom, een geschenk van hoogleraar Herman Boerhaave. Ook deze tulpenboom boom is aardig op leeftijd. De tulpenboom komt maar vrij zeldzaam voor. Kijk maar, het blad heeft de vorm van een tulp.

Aan de overkant van het Academiegebouw zien we een statig zandstenen gebouw  in zogenaamde Palladiostijl waar niemand minder dan de latere Koning Willem I enige tijd gewoond heeft. Twee ambtenaren moesten toezien op de studievorderingen van de balsturige oranjetelg. Dat dat niet zo veel zin heeft gehad moge blijken uit het feit dat Willem de studie al na twee maanden voor gezien hield.
Het gebouw heeft in de loop der jaren verschillende functies gehad, maar verdient nu toch snel een representatievere bestemming.

Het Academiegebouw uitkomende gaan we meteen naar rechts en weer naar rechts de Nonnensteeg in.
Aan het eind van de Nonnensteeg heeft Multatuli (ik heb veel geleden), pseudoniem van Eduard Douwes Dekker professor Veth vereeuwigd in het volgende puntdicht: Wie niet verbaasd staat over de kennis van professor Veth, heeft geen verstand van kennis. Het bord verdient wel een opknapbeurtje, vindt u niet?
Op de Vijfde Binnenvestgracht hebben we een goed zicht op de Leidse Sterrenwacht, die een belangrijke rol speelt in De Ontdekking van de Hemel van Harry Mulisch.
We gaan de tweede steeg, de Zionsteeg, linksaf. Aan het eind hiervan gaan we weer linksaf de Kaiserstraat in.

Dirck Raphaelsz. Camphuysen (1586-1627) woonde aan de Kaiserstraat. Camphuysen wordt nu niet veel meer gelezen, maar in zijn tijd was hij enorm populair, getuige de vele herdrukken; hij was de op Cats na de meest gelezen dichter van de Nederlandse Renaissance, waarschijnlijk omdat zijn gedichten zeer gemakkelijk toegankelijk waren. Eveneens in de Kaiserstraat woonden hier als student Gerardus Vossius (1577-1649), en Jacobus Westerbaen (1590-1670) en kwam de calvinistische regent Jacobus Revius (1586-1658) hier aan zijn eindje.

Tekenaar en schrijver Marten Toonder woonde in de oorlogsjaren aan de Witte Rozenstraat 27e en zag op 10 mei 1940 de eerste Duitse vliegtuigen overkomen.

Nu steken we de Nonnenbrug over en vervolgen onze weg rechtsaf aan de evenzijde van het Rapenburg.
Blijf even op de brug staan en kijk recht vooruit naar het beroemdste balkonnetje van Leiden boven café Barrera met de naam Welgelegen. Dit was in de oorlogsjaren de studentenwoning van Erik Hazelhoff Roelfzema, Soldaat van Oranje.
'Dan komt er een moment dat je zegt, iemand moet het doen.' Roelfzema hoorde na de protestrede van professor Cleveringa de aanwezige studenten het Wilhelmus aanheffen. We schrijven 26 november 1940. Hij ging vervolgens op zijn kamer in de houding staan en zong heftig geëmotioneerd uit volle borst ons volkslied mee. Na het ontslag van de joodse hoogleraar Meijers vond Cleveringa dat de Duitse bezetter te ver was gegaan en riep op tot een studentenstaking. Die kwam er, waarop de Duitsers de universiteit sloten. In veel gevallen gingen de colleges ondergronds verder. Examen konden de studenten niet doen, maar dat zou later wel weer ingehaald worden. Iedereen was ervan overtuigd dat de bezetter het hier geen jaren zou uithouden.
Omdat er op last van de bezetter  geen colleges meer gegeven mochten worden gingen verhoudingsgewijs veel studenten in het verzet. De broers Huib en Jan Drion bijvoorbeeld brachten gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog samen met Hazelhoff Roelfzema onder studenten het verzetsheld De Geus uit. Soms bedroeg de oplage zelfs 5000 exemplaren.

In de voor u liggende Kloksteeg op nummer 4 heeft in zijn studententijd van 1884 tot 1889 de dichter J.H. Leopold gewoond. (Bekendste dichtregel: Om mijn oud woonhuis peppels staan.)

We zien even verderop de dichtregel staan: For whom the bell tolls van Ernest Hemmingway. Het is een regel uit de volgende tekst van de Engelse schrijver.

'No man is an island of it selfe; every man is a peece of the Continent, a part of the maine; if a God bee washed away by the Sea, Europe is the lesse, as well as if a Promontoire were, as well if a Mannor of thy friends or of thine owne were; any mans death dimishes me, because I am involved in Mankide; And therefore never send to know for whom the bell tolls; it is for thee.'

We lopen terug naar het Rapenburg en gaan nu linksaf.

We lopen langs het woonhuis van Matthias de Vries. We zijn hem eerder tegengekomen als motor achter het WNT. Samen met collega Te Winkel ontwikkelde hij De Spelling De Vries en Te Winkel. Wij, Neerlandici, hebben veel aan hem te danken. De Vries ligt begraven op de historische begraafplaats Groenesteeg onder nummer 265.

Dan passeren we het bestuursgebouw van de universiteit, Rapenburg 70-74. Tot 1983 was in dit gebouw de universiteitsbibliotheek gevestigd. Daarvoor was hier het Faliede Begijnhof te vinden. Een falie is een habijt zonder mouwen, maar wel met een kap. In de gigantische binnenstadstuin, de zogenaamde Vredevoogdtuin, als het hek open is vrij toegankelijk, vinden we het muurgedicht Stoa van Albert Verweij. Omdat de tuin niet altijd geopend is, druk ik het ook hier af.

Stoa

Wie de slag van 't zwemmen en de kunst 
Zich door de golven te doen dragen leerde
Kreunt zich langer om ongunst noch gunst
Van 't getijde. 't Onvermijdbre zinken 
Beangst hem niet. Het bitterste te drinken 
Is aan 't eind misschien het dan begeerde.



In het plaveisel voor het bestuursgebouw zien we een granieten gedenksteen uit 2009 van de hand van Jan Kleingeld met daarop een gedicht dat door de gemeente is aangeboden bij het vertrek van rector magnificus Douwe Breimer, tevens ereburger van de stad.

Laat je zoon studeren
Laat hem voor minister leren
Laat je zoon studeren
Aan een universiteit 
Laat je zoon studeren
Om de buurt te imponeren
Laat het circuleren 
En je aanzien is een feit.

Laat je zoon studeren 
En hem later promoveren 
Laat je zoon studeren 
Hij krijgt overwicht en tact
Laat je zoon studeren 
En hij wordt zonder mankeren 
Een van die meneren 
Waar de maatschappij naar snakt.

De eerste strofe van het vers ligt half op grond van de universiteit en half op gemeentegrond om uit te drukken wat Breimer allemaal voor de stad Leiden betekend heeft. Hij was een belangrijk aanjager van de ontwikkeling van het Bio Science Park.
Het vers van Floor Kist stamt uit 1957 en werd toen vertolkt door het Leidsch Studentencabaret met daarin niemand minder dan cabaretier Paul van Vliet. Van Vliet: "Met dit lied hebben we in die tijd veel gedonder gehad vanuit feministische hoek. Maar ja, zoon en dochter klonk gewoon niet goed, dus hebben we het maar zo gelaten."

In het midden van de tuin is in 2013 een boom geplant naar aanleiding van de inhuldiging van koning Willem Alexander die in Leiden geschiedenis heeft gestudeerd 
en op Rapenburg 116 heeft gewoond.

De grote literator en hoogleraar klassieke letteren, geschiedenis en staatkunde Daniël Heinsius (1580  - 1655) woonde in het Begijnhof, in het inhammetje, wat nu nummer 1a en 2a is. De Nederduytsche Poemata. Heinsius werd begraven in de Pieterskerk.

Herinneringsplaquette Jacob Geel Rapenburg.Geel was bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek en schreef Gesprek op den Drachenfels. Vanaf 1836 woonde Jacob Geel ook enige jaren aan de Hooglandse Kerkgracht 22. 

Aan de overkant, in het pand van In Den Gapenden Eter heeft waarschijnlijk de rechtsgeleerde Hugo de Groot  in zijn studententijd gebivakkeerd. Hij woonde in ieder geval in 1597 bij een zekere Junius tegenover het Begijnhof.

Precies in de bocht van het Rapenburg raakte hoogleraar Slavische Talen Karel van het Reve, inderdaad de broer van, met zijn autootje te water. De toevallig op weg naar Reves college zijnde Maarten Biesheuvel heeft hem toen zijn pak geleend, maar de hele historie wil dat Reve zijn natte sokken en schoenen het hele college heeft aangehouden.

On n'y soit qui mal y pense betekent 'wee diegene die hier slecht van denkt.'

Op Rapenburg 88 bevindt zich huize Jeruwel. In dit pand richtten Paul van Vliet en Floor Kist op 7 oktober 1957 het Leidsch Studentencabaret op, dat in binnen- en buitenland veel successen wist te boeken.

De brug aan de overkant heet de Sint Jeroensbrug. De Vliet komt hier uit in het Rapenburg. Op deze plek kwamen de Geuzen in de vroege morgen van 3 oktober 1574 met platbodems de stad binnen en deelde haring, wittebrood, kaas en sigaren uit, een historisch feit dat we nog jaarlijks op 3 oktober gedenken. Op de gedenksteen op de Sint Jeroensbrug staat de volgende tekst:

Men was in groot verdriet
Want eten wasser niet
Ent volc van honger schreiden 

Ten laetst God nedersiet 
En zont deur desen Vliet 
Broot spijz en dranc in Leiden.

Pieter Cornelisz Hooft beschrijft in zijn Nederlandsche Histoorien, alsof hij er zelf bij stond,  hoe de Geuzen door de uitgehongerde,  maar toch ook uitgelaten bevolking in de stad worden verwelkomd: 'Men scheen er verrezen van de dood; en met reppen en roeren zijn achterstal van levendigheid te willen inhalen; zo woelde 't en krioelde 't door straten en stegen; inzonderheid aan de Vlietbrug, waar de lijftochtschepen door de veste schoten. Het holgehongerd volk, wijf, man, oud, jong boordde bol en dik de oever, en overwelfde, zo veel hun doenlijk viel, de vaart, met uitstrekken van schouderen, armen en handen, om te bereiken, te vangen, te grabbelen 't broot, haring, kaas, en andere spijzen hun toegestoken of -geworpen door de bootsluiden. Sommigen liepen of sprongen ten halze toe in 't water, of zwommen aan de schepen. Dezelfde luiden, zo nat en druipende als zij waren, ook anderen die iets gekregen hadden, schooiden er mee steewaarts in, verkondigende d'algemene behoudenis. Alle buurten en wijken gewaagden van de roep: Leiden, Leiden is ontzet. Gode lof in der eeuwigheid.'

Op Vliet 15 woonde Elias Annes Borger (1784 - 1820). Borger studeerde hier vanaf zijn zeventiende en werd hier later hoogleraar theologie en letteren. Zijn eerste vrouw overleed in het kraambed, hij hertrouwde en zijn tweede vrouw stierf eveneens in het kraambed, met het pasgeboren kind erbij. Niet verwonderlijk dan ook dat hij als gevolg van deze traumatische ervaringen in een diepe depressie schoot, waarbij hij alleen maar bij zijn dierbaren wilde zijn. Borger schreef nog wel het gedicht Aan den Rhijn, dat ook in de Camera Obscura van Hildebrand is vereeuwigd, waarin het hopeloos voorgedragen werd door mevrouw Dorbeen. Hij stierf op 37-jarige leeftijd in Katwijk waar ook een straat naar hem vernoemd is.

Aut viam inveniant aut faciam. Deze uit het Latijn afkomstige tekst vindt u op het bankje voor het huis Rapenburg 108. De vertaling hiervan luidt:
Ik zal een weg vinden en anders zal ik er een maken. Deze zinsnede wordt toegeschreven aan Hannibal, nadat hem te verstaan was gegeven dat het onmogelijk zou zijn om over de Alpen te trekken. Uiteindelijk heeft hij het met zijn olifanten 🐘 toch gered.

Op Rapenburg 120 vinden we een uit dankbaarheid door Amerikanen aangeboden plaquette ter meerdere eer en glorie van Johan of Jean Luzac (1746 - 1807.) Jean Luzac was uitgever en journalist van de Gazette de Leyde. De krant werd in 1677 door een aantal Hugenoten opgezet en werd later ook nog door Jeans vader gerund, maar door zijn zoon Johan tot nog grotere hoogte gestuwd. De krant was wereldvermaard vanwege zijn internationale nauwgezetheid. In zijn tijd was het de meest gezaghebbende krant ter wereld met internationale kopstukken als Lodewijk XVI en Voltaire als abonnee. Helaas was Johan Luzac een van de vele slachtoffers van de buskruitramp van 1807. Hij belandde daarbij jammerlijk in het kolkende water van het Rapenburg. Op deze plek werd Luzac door de kracht van de klap het water in geslingerd.

De naam van Rapenburg 120 is Domula Gallarum. Het is een meidenhuis van studentenvereniging Minerva en herbergt 45 meiden. De Latijnse tekst Domula Gallarum betekent zoiets als Huis voor de Hanen. Minervanen zelf spreken liever over Het Kippenhok. Grappig om te weten is dat koning Willem Alexander in zijn studententijd vlak naast Het Kippenhok op Rapenburg 116 heeft gewoond. Hier ontmoette hij Emily Bremer, van wie we ee tijd gedacht hebben dat zij onze nieuwe koningin zou worden.

Aangekomen bij de brug ziet u dat aan beide zijden van het Rapenburg de bebouwing abrupt ophoudt om na zo 'n 250 meter weer opnieuw te beginnen. De bebouwing liep tot 1807 dan ook gewoon door. Echter, op 12 januari 1807 om kwart over vier ontplofte op deze plek een hier gelegen Kruitschip. Als we door het van der Werffpark lopen zien we aan de overkant nog een herinneringsplaquette die de plaats van de ramp aanduidt. De klap was volgens onbetrouwbare bronnen tot in Friesland te horen. 

Bekend in dit kader is de anekdote van de huisvrouw van professor Jona Willem Te Water die woonde op wat nu de hoek van het Rapenburg en de Douzastraat vormt, nog geen vijftig meter van het epicentrum van de klap. De vrouw was stokdoof, maar meende nu toch echt wat gehoord te hebben. Vlak na de klap keek ze even op van haar breiwerk en vroeg aan haar man: 'Zei u wat, Te Water?'

Tot de 151 dodelijke slachtoffers van de ramp behoorde onder andere de zus van Hieronymus van Alphen, de achttiende eeuwse dichter van de Kleine Gedigten voor Kinderen. Het bekendste gedicht hieruit is op zeker:

Jantje zag eens pruimen hangen
O, als eieren zo groot 
Het scheen dat Jantje wou gaan plukken 
Schoon zijn vader 't hem verbood.

Er raakten ongeveer 2200 personen gewond. Natuuronderzoeker, arts, schilder en dichter Le Franq van Berkhey, geboren en getogen Leidenaar ( 1729 - 1812) verloor zijn huis en bijna zijn leven. Koning Lodewijk zorgde ervoor dat alle daklozen konden worden ondergebracht in het speciaal voor dit doel opengestelde Huis Ten Bosch in Den Haag, het latere koninklijke paleis.
Le Franq van Berkhey studeerde eerst klassieke talen, maar promoveerde in de medicijnen. Zijn bekendste werk is de dichtbundel Het onbedwingbare hart. Hij ligt begraven in de Hooglandse Kerk, waar hij een schitterend grafmonument heeft.

Wonder boven wonder bleef de toren van de Saaihal overeind. De katholieke kerk die er later zijn intrek nam heeft de kerk Lodewijkskerk genoemd, naar de Heilige Lodewijk. De jas van de Heilige Jacobus boven de voordeur is gemaakt in de vorm van een jacobsschelp.

De ramp zorgde ook voor een primeur. Koning Lodewijk Napoleon kwam vijf uur na de ontploffing een kijren op de rampplek en nam slagvaardig de reddingswerkzaamheden ter hand. Hij zegde meteen allerlei hulp toe en bracht ook inderdaad ook een zak geld mee, 30.000 gulden. Een door hem geïnstireerde nationale collecte leverde twee miljoen gulden op. 
Na hem zouden veel staatshoofden deze bemoedigingspoging bij nationale rampen overnemen.Toch zou het nog enige tientallen jaren duren voordat De Ruïne, zoals de rampplek in de volksmond was gaan heten, weer opnieuw werd opgebouwd. Aan de overkant zien we nu het Kamerling Onnesgebouw, vroeger een natuurkundig laboratorium, tegenwoordig rechtenfaculteit. Het gelukte deze geleerde om  het edelgas helium vloeibaar te maken. Zijn lijfspreuk was niet voor niets: Door meten tot weten. Voor zijn tomeloze inspanning ontving Kamerling Onnes de Nobelprijs voor de Natuurkunde, een eer die ook de Leidse natuurkundigen Lorentz, Van 't Hoff, Van der Waals en Zeeman tebeurt viel. Willem van Einthoven ontwikkelde op deze plaats het eerste elekrocardiogram. Ook hij ontving een Nobelprijs voor de Geneeskunde.

We gaan nu linksaf de Nieuwsteeg in. 
Rechts van u treft u een gebouw aan waar de natuurkundige Kamerling Onnes op zoek geweest is naar het absolute nulpunt. zijn lijfspreuk was: 'Door meten tot weten', de tekst die ook op zijn borstbeeld staat voor de ingang van het naar deze Nobelprijswinnaar genoemde gebouw. Professor Dirk van Delft, directeur van museum Boerhaave, schreef een lijvige biografie over leven en werk van Kamerling Onnes, een werk dat zelfs voor alfa's heel goed te pruimen valt.
Aparte aandacht vraag ik u even voor het muurgedicht De Schoolverlater van Gerrit Komrij dat is aangebracht op de muur van het Kamerling Onnesgebouw rechts van u. Het behoort niet tot de 101 muurgedichten van de Stichting Tegenbeeld. Dit gedicht werd in 2008 door de studentenverenigingen van Leiden aangeboden ter gelegenheid van het vertrek van rector magnificus Douwe Breimer. Het veertienregelige sonnet gaat als volgt:

De Schoolverlater

Een rijstebrijberg ben ik doorgegaan 
Van schoolse weetjes en verplichte stof
Waar drang naar vrijheid niet was toegestaan 
Waar alles op mij viel en niets mij trof.

Tot ik belandde in een open veld 
Ver van de regels en de kouwe drukte
Waar mij een pauw van wijsheid heeft verteld 
En ik de kennis van de bomen plukte.

Ik had voor nutteloosheid alle tijd 
En trof daar goud aan als ik kiezels zocht
Die wereld heette universiteit.

Een wereld die nu, hoor je wel beweren 
Aan wolf en snelheidsduivel wordt verkocht
Alsof je bankpapier op brood kunt smeren.


Aan het eind van de steeg zien we op Nieuwsteeg 1 links een uithangbord met daarop de tekst Templum Salamonis. Het betekent Tempel van koning Salomon. Salomon werd in het Oude Testament gezien als een wijs man, vandaar ook  het begrip salamonsoordeel. Vrij vertaald betekent Templum Salamonis dus zoiets als Tempel van de Wijsheid.Templum Salamonis kan gezien worden als een van de eerste particuliere bibliotheken. Deze bibliotheek was eigendom van Philips van Leyden, van beroep kanunnik en grafelijk ambtenaar en Nederlands eerste rechtsgeleerde waarvan geschriften zijn overgeleverd. Na zijn overlijden werd de bibliotheek opengesteld voor een aantal mensen die bij testament waren aangewezen. Er stonden slechts 42 kostbare banden. Voor het lenen moest dan ook een pittige borgsom betaald worden en een karaf wijn voor de bibliothecaris.
Het pand heeft in al die eeuwen van zijn bestaan altijd een relatie met boeken gehad. Nu nog is er van een boek bekend dat het ooit tot de verzameling van Philips van Leyden heeft behoord.
Christophel Guyon drukte hier in het begin van de zeventiende eeuw pamfletten, de bekende boekenveiling van Burgersdijk  & Niermans was hier gevestigd en er was een antiquariaat met het accent op kostbare boeken. 
Zowel Jan Wolkers in Kort Amerikaans als Harry Mulisch in De Ontdekking van de Hemel hebben zich door Templum Salamonis laten inspireren. Mulisch noemt het hier echter Tempel der Zotheid.

Aan de overkant van Templum Salamonis op Pieterskerkkerkhof 40b vinden we de Bibliothèque Wallone die zich speciaal richtte op de Franstalige bevolking. Het gebouw, dat ook als hospitaal  en weeshuis in gebruik is geweest, heeft een kapconstructie uit 1380 en is daarmee waarschijnlijk het oudste gebouw van de stad. Leiden beschikte niet alleen over een Waalse Bibliotheek, maar ook over een eigen hospitaal, het Hopital Wallon aan de Papengracht (nu het grootste Minerva-studentenhuis) en een kerk aan de Breestraat de Eglise Wallon aan de Breestraat. Iedere zondagochtend worden er nog steeds in de Franse taal diensten opgedragen. Culte le dimanche à dix heures et demi staat er op de deur van de Waalse Kerk naast de Stadsgehoorzaal.
Er was zelfs een compleet nieuwe volkswijk nodig om alle Franstaligen op te vangen, de Franse buurt, die gebouwd werd ten noorden van de Oude Singel. Het duurde zeker drie generaties voordat de nieuwkomelingen een beetje Nederlands gingen spreken en zich gingen mengen onder de autochtone bevolking. Wat dat betreft is er nog steeds niets nieuws onder de zon, dure inburgeringstrajecten ten spijt. Het zal u overigens verbazen hoeveel Leidenaars er nog met een Franse achternaam of verbasterde achternaam rondlopen. Ook ik ben er een van. De Franstaligen kwamen naar Leiden, onder andere omdat ze in Frankrijk na de intrekking van het Edict van Nantes hun protestantse geloof niet meer mochten belijden. Ze worden Hugenoten genoemd. Echter, een groot gedeelte kwam hier om economische redenen. Hier in Leiden was volop werk te vinden en was en is men zeer verdraagzaam. De Fransen genoten hier godsdienstvrijheid. En de Fransen hadden geld, kennis en waren werkwilend. De Leidse gemeenschap wilde niet opdraaien voor alle kosten bij ziekte of werkloosheid, dus moest de achterblijvende familie borg staan. Leidse gemeente-ambtenaren togen naar het noorden van het huidige Frankrijk, in de buurt van Henegouwen en Valenciennes, om er arbeiders te charteren. De overeenkomst werd op papier gezet. Ze kwamen hier ongetwijfeld lopend naar toe om een nieuwe toekomst op te bouwen. Als ze geluk hadden konden ze misschien met een boot een stuk de rivier de Schelde afzakken. Leiden was wel goed maar niet gek. Hier werken was okay, zo niet dan moesten die Fransen terug of verzorgd worden door leden van de eigen gemeenschap. Dat terugsturen gebeurde echter maar zelden. Een ding is zeker, zonder al die immigranten was er geen Gouden Eeuw geweest en had Leiden nu niet op de kaart gestaan.
Rond 1700 telde de Franse gemeenschap naar schatting zo'n 5000 leden. Dat moet zijn weerslag hebben gehad in het typisch Leidse dialect. De uitdrukking 'niet dan' aan het eind van een zin is een rechtstreekse vertaling van het Franse n'est-ce pas. En de rollende r heeft ook zijn roots in het Frans dat de nieuwkomers spraken.
Nu ligt het grootste deel van de Bibliothèque Wallone opgeslagen in de universiteitsbibliotheek in Leiden te wachten op ontsluiting. Wie heeft er interesse?
Ook oud-burgemeester Cees Goekoop had op dit adres achttien jaar lang zijn pied-a-terre en schreef er zijn  boek 'Op zoek naar Ithaca', een duiding van Odysseus' zeereis.

We gaan linksaf de Kloksteeg en zien al gauw een gedenksteen die herinnert aan de werkplek van de dichter van de Tachtiger Beweging Albert Verweij. Albert Verweij was de eerste hoogleraar Nederlandse Letterkunde. Het pand werd vroeger gebruikt voor het geven van colleges. Albert Verweij richtte samen met Willem Kloos De Nieuwe Gids op. Verweij woonde in Noordwijk.

John Robinson was de leider van The Pilgrim Fathers en woonde in het Jean Pesijnshofje. Voorganger Robinson wilde met een groep gelovigen naar New England met het zeilschip The Mayflower. Hij heeft dat zelf helaas niet mogen meemaken en werd onder het nodige ceremonieel begraven in de Pieterskerk.

We lopen om de Pieterskerk heen. De laat-gotische Pieterskerk is vernoemd naar Sint Petrus. Petruskerk is de beschermheilige van de stad. Hij had als bewaker van de hemelpoort de beschikking over de sleutels hiervan. Vandaar de twee gekruiste sleutels in het Leidse gemeentewapen. In de stad zult u het verschillende keren zijn tegengekomen. Ooit beschikte de Pieterskerk over een majestueuze kerktoren, de hoogste van Nederland, die zelfs de schippers op zee tot baken diende. Op 4 maart 1512 stortte de toren echter met donderend geraas in om nooit weer opgebouwd te worden. Leiden is verder nooit rijk aan torens geweest.

Jeroen Windmeijer schreef met De bekentenissen van Petrus een ware Leidse thriller. Zijn tweede roman heet Het Pauluslabyrint. 

In de Pieterskerk ligt onder andere de dichter, staatsman en hoogleraar in de Welsprekendheid Johannes van der Palm begraven. Hij woonde aan de Nieuwe Rijn op nummer 43. In zijn hoedanigheid van Minister van Onderwijs gaf hij de Leidse taalkundige Matthijs Siegenbeek in het begin van de negentiende eeuw opdracht tot het ontwerpen van een uniforme spelling van het Nederlands.

Recht voor ons op het Pieterskerkhof zien we het Gravensteen, de voormalige grafelijke gevangenis, nu in gebruik van de faculteit Rechten. Boven de gevel waakt
Vrouwe Justitia over ons. Waar Vrouwe Justitia overal wordt afgebeeld met twee attributen, krijgt ze er Leiden maar liefst drie; kijk maar. Een zwaard, een weegschaal en een bliksemafleider, want ze mag natuurlijk niet de kolder in de kop krijgen. Let u ook eens de leeuwen in het fronton onder Vrouwe Justitia. Lijken de genitaliën niet heel erg veel op die van een man?


In een van de huisjes die tegen de Pieterskerk lijken geplakt woont filosoof Ad Verbrugge.

In de Lokhorststraat lopen we recht tegen de Latijnse school op, de plek waar Rembrandt van Rhijn en Jan Steen schoolgingen. Het poortje van de naastgelegen rectorswoning van de Latijnse School staat nu naast het Gravensteen en draagt de tekst Tuta est aegide Pallas en betekent Pallas (de godin van de wetenschap) is veilig achter haar schild.


Pieterskerkgracht 
Ars Aumula Naturae (de kunst wedijvert met de natuur). Deze teken- en schilderacademie werd bezocht door Jan Wolkers. Niet verwonderlijk dan ook dat deze locatie voorkomt in een van zijn romans te weten: Kort Amerikaans. Eric van Poelgeest loopt daar: 'Halverwege de Pieterskerkgracht bleef hij staan en keek naar de gevel van de schilderacademie aan de overkant. Vlak onder de dakgoot zaten twee gevelstenen waarop, tegen een fluweelzwarte achtergrond, in gouden kapitalen stond RUST BAART LUST en LUST MET GOD IS RUST. Langzaam slenterde hij de straat over. Links van de groene deur zat een bord: Teken- en Schilderacademie ARS AEMULA NATURAE. Hij zocht naar een bel maar kon die nergens ontdekken. Toen sloeg hij een paar keer met zijn vuist op de deur die onder de slagen meegaf. Hij duwde hem open en liep een ruime marmeren hal in waar vijf deuren op uitkwamen, vier geelgeokerde, rechts twee en links twee, en een groene deur vóór hem tussen twee boogramen waardoor een kil licht naar binnen viel. Hij keek naar de plaquette die boven de deur zat en waarop in verzonken gouden letters stond Gesticht door Jan Kneppelhout.'  Al deze teksten zijn nog ter plekke aanwezig. 
Boven de deur hangt de tekst Pax Huic Domui en dat betekent zoveel als Vrede zij dit huis. De Leidenaars maakten hiervan als naam voor het huis Pakhúisdominee.
De hoofdpersoon heeft hier seks met een gipsen tors. Voor de verfilming van Kort Amerikaans is een replica van deze tors gemaakt en deze staat er nog steeds.

De dichter Philips Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598) stierf in het huis Pieterskerkgracht 7. We kennen hem vooral door de satire Byencorf der H. Roomsche Kercke, dat in 1569 het licht zag. Hij werd door velen eveneens beschouwd als de schrijver van het Wilhelmus, volgens het Guiness Book of Records het oudste volkslied ter wereld. Echter uit een zogenaamd stylometrisch onderzoek uit 2016, waarbij verschillende teksten van schrijvers uit de tijd van ontstaan in 1568 naast elkaar worden gelegen en via speciaal ontwikkelde computerprogramma's op allerlei tekstverwerken worden vergeleken, blijkt Petrus Datheen, de oude psalmberijmer, eerder als schrijver van het Wilhelmus in aanmerking te komen dan Marnix van Sint-Aldegonde. Marnix werkte hier ook aan een nieuwe bijbelvertaling.Tussen 1625 en 1635 werkte in opdracht van de Synode van Dordrecht (1618-1619) op kosten van de Staten-Generaal een team vooraanstaande schriftgeleerden uit het hele land aan deze voor de Nederlandse taal zo belangrijke megaklus. Ook de druk van deze Statenbijbel vond te Leiden plaats.

Het kortste steegje van Leiden is ongetwijfeld het Berkendaalstraatje, door Maarten 't Hart abusievelijk Berkendaalsteegje genoemd, maar dat zij hem vergeven.

We gaan rechtsaf de Langebrug op.

Links van ons zien we nog ne t het uithangbord  van discotheek Nexus, waar de wereldberoemde dj en Leidenaar Armin van Buuren zijn eerste plaatjes draaide.
Even opletten. We gaan nu rechts een heel smal steegje in, de Arend Roelandsteeg. Arend van Rollandt was in de 15e eeuw schepen, zeg maar een soort wethouder van Leiden. We gaan nu links af de William Brewstersteeg in. Hier had de naamgever van deze steeg zijn Pilgrim Press. Brewster was een van de belangrijkste figuren van the Pilgrim Fathersgroep die zich in Leiden had gevestigd en drukte hier verschillende godsdienstige traktaten. Niet onwaarschijnlijk is dat hier de voorloper van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van de pers rolde.

We gaan linksaf de Pieterskerkchoorsteeg. Hier links op nummer 12 is Jan van Leyden geboren, bekend van de uitdrukking zich er met een Jantje van Leyden van afmaken. Op de Pieterskerkchoorsteeg nummer 5 woonde tussen 1844 en 1849 Conrad Busken Huet. Hij studeerde rechten in Leiden. Busken Huet schreef verschillende verhalen in de Leidse studentenalmanak, maar hij geniet toch vooral bekendheid vanwege zijn roman Het Land van Rembrandt.

Op de Lange Pieterskerkchoorsteeg nummer 20 was op de bovenverdieping van een drukker de vergaderzaal van de Rederijkerskamer Kunst wordt door arbeid verkregen gevestigd. Naar verluidt konden er aan de groen gedekte tafel wel negentig leden plaatsnemen. Bedoeling van de Rederijkerskamer was om elkaars werk te becommentariëren, zodat het op een hoger plan gebracht kon worden. Ook werden er prijsvragen uitgeschreven, waar Willem Bilderdijk zeker twee keer de eerste prijs heeft gewonnen. De knorrepot vond het een hele eer, totdat hij erachter kwam dat er slechts twee inzendingen waren. Desalnietemin werd Bilderdijk een regelmatige gast bij Kunst wordt door arbeid verkregen.

In de vroeg zeventiendeeeuwse tuitgevel van Langebrug 83 vinden we een gevelsteen met daarop de tekst: Tandem bona causa triumphat hetgeen betekent: Op den langen duur zal de goede zaak zegevieren. Op dit adres woonde van 1830 tot 1832 de jonggestorven romanticus Aarnout Drost (1810-1834). Hermingard van de Eikenterpen (1832) is zijn bekendste werk.

Iets verder aan de rechterkant zien we een klein poortje.
De zeventiendeeeuwse Hollandse kunstchilder Jan Havickszoon Steen (1625 of 1626 - 1679) woonde en schilderde de laatste tien jaar van zijn leven in De Gecroonde Liefdepoort. Hij is in Leiden geboren en gestorven in Leiden en werd begraven in de Pieterskerk. Ondertussen woonde en werkte hij ook in Haarlem, Delft en Warmond. In Leiden bezocht hij net als Rembrandt van Rhijn de Latijnse School. Studeren aan de universiteit werd geen succes, maar door zijn inschrijving kon hij zich wel aan allerlei burgerlijke plichten onttrekken. Hij voorzag in zijn onderhoud als handelaar in graan en brouwer en herbergier. De huiselijke taferelen die hij veelvuldig schilderde getuigen van humor. De scènes zien er heel alledaags en rommelig uit, vandaar de uitdrukking Een huishouden van Jan Steen. Hij zette gewone mensen op het doek. Een lekkere bende. Helemaal niks verhevens. Zijn werk kenmerkt zich door een uitbundig kleurgebruik. Jan Steen had een bijzonder oog voor detail en zijn schilderijen zitten vol symboliek, die vier eeuwen later soms moeilijk te duiden valt. De stijl waarin  Steen schilderde wordt Barok of Caravaggisme genoemd, naar het grote Italiaanse voorbeeld.
Ook de uitdrukking 'leven in de brouwerij' lijkt afkomstig van Jan Steen. Zijn vrouw zou haar beklag hebben gedaan over de teruglopende omzet in de herberg. Het bier was uitverkocht. Niet uitgesloten wordt dat Jan Steen zelf daar een heel groot aandeel in gehad had. Er moest meer leven in de brouwerij komen. Steen nam dat wel heel letterlijk, greep een paar eenden en deed ze al tegenspartelend en kwakend in de brouwketel en zie, er was weer leven in de brouwerij. Zijn vrouw kon haar lachen uiteindelijk toch niet inhouden.

Op nummer 107 zien we een gedenksteen ter herinnering aan de dichter en essayist over poëzie J.C. Bloem. Jacobus Cornelis (Jacques) Bloem leefde van 1887 tot 1966. Bloem woonde en werkte hier van 1900 tot 1905, hij was dus nog heel jong, toen hij hier verbleef. Hij ging in Leiden naar de HBS op de Pieterskerkgracht en woonde in bij geschiedenisleraar J. Kunst. Hij moest van zijn vader rechten gaan studeren, maar daar had Bloem helemaal geen zin in. In de poëzie was volgens zijn vader geen droog brood te verdienen. Liever hield hij zich bezig met poëzie, hij zou beïnvloed zijn door het werk van Jacques Perk. 'Alles is veel, voor wie niet veel verwacht' is een veel geciteerde dichtregel van Bloem.

Domweg gelukkig in de Dapperstraat uit de bundel Quiet though sad is een van zijn bekendste gedichten. Hier volgt het sonnet:

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen 
En dan: wat is natuur nog in dit land.
Een stukje bos ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe stedelijke wegen
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omarmd
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat 

Nog zo'n bekende regel van J.C.Bloem komt uit het gedicht Insomnia dat slapeloosheid betekent. Een perfect voorbeeld van het stijlfiguur chiasme of kruisstelling:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen
En niet slapend denk ik aan de dood.


We gaan linksaf de Ketelboetersteeg in en steken over naar de Korenbeurs en de Burgsteeg.

Het ronde bankje op het pleintje voor de Burchtheuvel wordt ook wel het Beetsbankje genoemd. Jaarlijks vindt hier aan de voet van de Burchtheuvel de Leidse Olympus plaats, een laagdrempelig literair evenement waarbij schrijvers en dichters van naam uit eigen werk komen voordragen.

De ruimte rechts van u is nu in gebruik als openbare bibliotheek. Vele Leidenaars maken er gebruik van om boeken te lenen, maar ook biedt de bibliotheek veel sfeervolle rustpunten voor zelfstudie. Loop gerust eens naar binnen en verbaas u over het fantastische uitzicht op de Hooglandse Kerk. Vroeger was Het Heerenlogement hierin gevestigd en nog eerder kwam de Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid, ook wel De Romantische Club genaamd, hier bijeen en schotelden de leden elkaar hun gekunstelde schrijfproducten voor. Onder hen steevast J. Kneppelhout  Klikspaan) en N. Beets (Hildebrand). Samen met J.P. Hasebroek (publiceerde ook onder het pseudoniem Jonathan) en L. Ten Kate worden ze wel de dominee-dichters genoemd waar de Tachtigers zo tegen ageerden.

De zaal met schouw en met uitzicht op de Burchtheuvel is nog steeds vrij toegankelijk via de ingang van de bibliotheek in de Nieuwstraat 4. 

We vervolgen onze wandeling in de richting van de Hooglandse Kerk.

Dit gedeelte van de Nieuwstraat, voor café De Twee Spieghels vormde het decor voor de verfilming in 1975 van Keetje Tippel naar de drie boeken Jours de famine et de détresse (Dagen van honger en Ellende), Keetje en Keetje Trottin van Neel Doff onder regie van Paul Verhoeven, met muziek van Rogier van Otterloo en een meeslepend lied van de Leidse Zangeres zonder Naam. Het is de succesvolste Nederlandstalige film ooit. Met ruim 1.8 miljoen bioscoopbezoekers was het de grootste kaskraker van de zeventiger jaren. Als u even alle fietsen wegdenkt waant u zich zo weer een eeuw terug in de tijd.

We laten de Beschuitsteeg rechts liggen. In deze steeg woonde in zijn studententijd Gerrit van de Linde, alias De Schoolmeester, al is niet meer te achterhalen waar precies. Omdat hij het had aangelegd met de echtgenote van zijn hoogleraar moest hij spoorslags benen maken richting Engeland. Bovendien werd het hem hier te heet onder de voeten vanwege het hoge aantal schuldeisers dat aan zijn deur zat te morrelen.

We lopen verder richting café De Uyl van Hoogland. Hier verzuchtte Maarten 't Hart in Avondwandeling: 'Hier was het net of ik weer in Maassluis was, en op de Middelweg leek dat ook nog zo omdat ook daar dezelfde lantaarns waren. We vlogen door de Hartesteeg over het Gangetje naar de Steenschuur.' Maarten 't Hart vond Leiden ten opzichte van Maassluis net een maatje te groot. Had Leiden dan geen enkel voordeel. 't Hart: 'O, jawel hoor, waar je je in Leiden ook bevindt, binnen tien minuten ben je er weer uit.'

Aan de rechterkant van de Nieuwstraat passeren we nu een gevel uit 1650 met de naam 't Wijfshoofd, waarmee klaarblijkelijk werd bedoeld dat de vrouw des huizes hier de broek aan had en het voor het zeggen had; maar kijk eens goed helemaal naar boven; daar zien we de hand van een man; het huis heet daarom niet voor niets: Mans Hand Boven.

Aan de overkant zien we veilinghuis Onder de Boompjes waar regelmatig veilingen van eerste drukken plaatsvinden.

Aan het eind gekomen van de Nieuwstraat gaan we linksaf de Hooigracht op. Een rasechte Leidenaar is te herkennen aan de uitspraak van deze straat. Hij spreekt het uit als Hooiegracht en maakt er drie lettergrepen van.

In het pand Olivier was vroeger het door architect Van der Laan het katholieke Elisabeth Ziekenhuis gevestigd. In de Tweede Wereldoorlog stortte een vliegtuig neer precies op de binnenplaats van ziekenhuis. Wonder boven wonder vielen er geen slachtoffers te betreuren.

Op Hooigracht woonde de natuurkundige Lorentz, een van de 14 Leidse Nobelprijswinnaars.

Op Hooigracht 94 woonde Carel Jan Schneider die we beter kennen onder zijn pseudoniem F. Springer. Hij publIciceerde in 1981 de roman Bougainville. In de roman Zaken over zee (1977  beschrijft F. Springer de stad als volgt: 'Ik scharrelde wat met meisjesstudenten Jennen, Corrie, Annet enzovoorts, 's zomers in Noordwijk,  'winters bij de gloed van potkachels in de straatjes rond het Rapenburg, en zette mee met lichte walging aan het voltooien van de studie.'

We gaan nu rechtsaf en lopen de Groenesteeg in en lopen deze helemaal uit. Ongeveer in het midden gaan we over de boogbrug van de Herengracht. Nick Nicholls schrijft er over in Kartonnen Doos. 'onderweg kwam ik heel toevallig deze oom tegen op de fiets die hij voor de Duitse bezetters had verstopt en waar hij prompt vanaf viel toen we elkaar ontmoetten. Hij is mij gaan aankondigen en korte tijd later stapte ik op de Herengracht ons huis binnen.'
In House with a view van W. van Toorn lezen we: ' 's Avonds wandelden we soms door de buurt aan de overkant. Het was een armoedige wijk met grachtjes waar je haast overheen kon stappen en nauwelijks steegjes die geloof ik bijna allemaal Groenesteeg heten.'
Aan het eind van de Groenesteeg vinden we een verstild plekje, de voormalige begraafplaats Groenesteeg. Vele wetenschappers vonden hier hun laatse rustplaats, waaronder de taalkundige Matthias de Vries. Het bekendste graf is misschien toch wel dat van de moeder van de tijdens zijn leven zo miskende schilder Vincent van Gogh.

Via het Lakenplein gaan we twee keer rechtsaf en vervolgen onze weg over de Zijlsingel in de richting van de Hoge Rijndijk.

Protestrede Professor Van Holst.

Op de Hoge Rijndijk gekomen nemen we de derde straat rechts, de Cobetstraat. Op de hoek van de Cobetstraat en de Kernstraat zie we een gezellig groen houten huisje met de naam Sunny Home; het is het onderkomen van Maarten en Eva Biesheuvel. Een beetje wrange naam als we de  overwegende gemoedstoestand van Maarten even in ogenschouw nemen. Biesheuvel is ereburger van Leiden. Zijn bekendste roman is wellicht De verpletterende werkelijkheid.

We lopen de Cobetstraat in en belande op de Fruinlaan. Aan deze straat is het Stedelijk Gymnasium gelegen waar Christiaan Weijts, Jochem Meyer en Armin van Buuren hun schooljaren doorbrachten. We gaan rechtsaf de Fruinlaan in en aan het eind linksaf de Zoeterwoudse Singel op. We passeren nummer 74. W.F. Hermans over de keuze van juist dit pand in De Donkere Kamer van Damocles: 'Dit huis had het kunnen zijn.' 'De Zoeterwoudse Singel had geen zijde met even nummers en een andere met oneven nummers, maar de huizen waren doorlopend genummerd: 70, 71, 72. Aan de overkant van de zigzagverlopende vroegere vestinggracht was parkachtige aanleg met enorme treurwilgen. Nummer vierenzeventig lag precies aan de binnenkant van een scherpe punt van de zigzaglijn. Het huis was heel anders dan de huizen links en rechts ernaast. Het sprong enigzins naar voren. Ramen en daklijst waren overladen met houtsnijwerk. Er was geen tuintje voor, maar wel, naast de deur, een hardstenen plaatsje, nauwelijks groot genoeg om er een kinderwagen op te zetten en omheind met een ijzeren hekje. ' De situatie is nog altijd precies gelijk als in de roman beschreven.

We komen er niet langs maar de dichter Rudy Kousbroek woonde op de Lange Mare.

We zijn nu weer bijna aan het beginpunt van onze wandeling gekomen. Ik hoop dat u er net zo veel plezier aan beleefd hebt, als ik met het schrijven ervan.

Auteur Franca Treur groeide op in het Zeeuwse dorpje Meliskerke. Ze studeerde in Leiden psychologie, Nederlands en literatuurwetenschap. Ze legt een bijzondere interesse voor zeer korte verhalen aan de dag. Haar eerste roman was Dorsvloer vol Confetti, die ook werd verfilmd. Slapend Rijk is een verhalenbundel. 

Tot slot volgt hier nog een lijstje van schrijvers en dichters die in Leiden het levenslicht zagen:

Jan Brokken (1949)
Johannes Petrus Hasebroek (1812 - 1896)
Johannes Kneppelhout 
Alfred Kossmann 


Meer weten:

Onno Blom: Bloem der Steden. Schrijvers over Leiden. Eerder verschenen in het Leidsch Dagblad.(z.p.), 2009

Het Land der letteren. Leiden. Door schrijvers en dichters in kaart gebracht: Samenstelling Tilly Hermans en Peter van Zonneveld. Amsterdam, 1985.

Langs Leidse letters:

Leiden door Leiden: Uitgave Juniorkamer Leiden. (z.p.), 1979.

Peter van Zonneveld: Door de straten der Sleutelstad. Een literaire wandeling door het Leiden van Piet Paaltjens. (z.p.), 2006.

Peter van Zonneveld: Een literaire wandeling door Leiden. Leiden, 1992.

Querido's letterkundige reisgids van Nederland. Onder redactie van Willem van Toorn. Amsterdam, 1982, pp. 403 - 420.

Wikipedia 



-------------------------------------------------------------


Een wandeling langs onze Nobelprijswinnaars 

De Nobelprijzen zijn vernoemd naar Alfred Nobel en worden elk jaar uitgereikt door de Zweedse koning. Hij was een Zweeds chemicus die voornamelijk bekendheid geniet als de uitvinder van het dynamiet. Toen Alfred Nobel in Parijs was, las hij in de krant dat hij was overleden, huh? Een pijnlijk misverstand want het betrof hier niet Alfred, maar zijn broer Ludvig. In de necrologie werd Alfred afgeschilderd als handelaar in de dood. Dat heeft hem zeer aangegrepen en dat heeft tot het bekende gevolg van de vijf Nobelprijzen geleid. Alfred bepaalde in 1897 bij testamentaire beschikking dat van de rente uit zijn vermogen jaarlijks een prijs naar een vooruitstrevende wetenschapper moest gaan. Welke persoon of organisatie heeft het afgelopen jaar het meest voor de mensheid betekend. Nobel liet een bedrag na van 32 miljoen Zweedse kronen na. Deze prestigieuze prijs wordt nu vanaf 1901 telkenjare op 10 december, de sterfdag van Nobel, in Zweden of Noorwegen uitgereikt. Hoewel het geldbedrag dat aan de Nobelprijzen verbonden is beslist niet onaanzienlijk is gaat het de meeste laureaten meer om de internationale erkenning die de toekenning met zich mee brengt. Jaarlijks is er een Nobelprijs voor de Natuurkunde, Scheikunde, Fysiologie of Geneeskunde, Vrede, Literatuumi r en de laatsttoegevoegde categorie, eigenlijk Prijs van  de Zweedse Rijksbank, Economie.

Leiden heeft maar liefst zestien Nobelprijswinnaars voortgebracht, bijzondere personen die op wat voor manier dan ook onlosmakelijk met de stad Leiden verbonden zijn, hetzij door geboorte, studie, woonplaats hoogleraarschap of coproductie. Leiden is daarmee direct en by far de grootste leverancier van Nobelprijswinnaars van heel Nederland. Helaas zit er geen vrouw bij, slechts een schamele 5,61% van de Nobelprijswinnaars is vrouw.


We beginnen onze wandeling, hoe kan het ook anders bij het Academiegebouw aan het Rapenburg 73, de voedster van al onze Nobelprijswinnaars. In het gebrandschilderde raam komen we Nobelprijswinnaar Lorentz al tegen.

Nicolaas Bloembergen (Dordrecht-1920) promoveerde op deze plek. Bloembergen ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde. Hij is een grondlegger van de kernspinresonantie, laser en de niet-lineaire optica.

We steken nu de Nonnenbrug over en gaan direct rechtsaf langs de evenzijde van het Rapenburg en lopen door tot het Kamerling Onnesgebouw. Er is geen plek op aarde te vinden waar het aantal Nobelprijswinnaars per vierkante meter zo hoog ligt als hier.


Heike Kamerling Onnes werd op 21 september 1853 in Groningen geboren en overleed op 21 februari 1926 te Leiden. Hij ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn onderzoek naar de reacties van materie op lage temperaturen en het daaruit voortvloeiende vloeibaar maken van helium. Onnes bereikte hier het absolute nulpunt van -273 graden Celsius. 8 april 1911 is een datum die de geschiedenis in kan. Bij toeval ontdekte KO dat bij een experiment met vloeibaar helium de stroom door en draad geen weerstand meer bood bij deze absolute minimumtemperaturen. Dat was even absurd als een muntstuk omhoog gooien en dat dan door de zwaartekracht niet meer naar beneden komt. Die ontdekking leidde tot de revolutie van de supergeleiding. Supergeleiding maakte het mogelijk enorm sterke magneten te ontwikkelen. De MRI-scan is hier een direct gevolg van. Met recht iets om trots op te zijn, want soms levensreddend.
Het devies van Kamerling Onnes luidde: Door meten tot weten. Hij introduceerde deze lijfspreuk tijdens zijn inauguratierede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de natuukunde in Leiden, daarmee het belang van experimenteel onderzoek benadrukkend.
Kamerling Onnes is tevens de grondlegger van de wereldberoemde Leidse Instrumentmakersschool die nog steeds in de Sleutelstad gevestigd is, nu in het Bio Science Park en populairder is dan ooit. Een praktische opleiding met absolute baangarantie. Kamerling Onnes had voor zijn minutieus onderzoek fijnafgestelde apparatuur nodig waarvoor hij zelf technisch personeel in dit instituut opleidde. Omdat deze fijntechnici blauwe overalls droegen werden ze al vrij snel 'de blauwe jongens' genoemd, een eretitel.
Kamerling Onnes woonde even buiten het centrum in Het Kastanjehuis aan de Haagweg nummer 49. Omdat hij last had van zijn luchtwegen liet hij een extra groot balkon op het westen aanbrengen.
Prof. Dr. Dirk van Delft, directeur van het Leidse museum Boerhaave schreef een lijvige biografie over Kamerling Onnes. Nu is de juridische faculteit gevestigd in dit gebouw dat nu het Kamerling Onnesgebouw, kortweg KOG heet. Voor de hoofdingang staat een borstbeeld van Kamerling Onnes met, hoe kan het ook anders de tekst Door meten tot weten. Binnen hangen meerdere foto's van hem. Ook is er in Leiden een straat naar hem vernoemd, het Kamerling Onnesplein vlak voor het NS-station Leiden Lammenschans. Het Oort-gebouw aan de Niels Bohrweg houdt met verschillende memorabilia de herinnering aan Kamerling Onnes levend. Hier staat ook een opstelling van de heliumliquefactor, het apparaat waarmee heliumgas vloeibaar werd gemaakt.

Nu we hier toch staan, wetenschapper Willem Einthoven heeft hier een levensreddende uitvinding gedaan. Als u tegenwoordig naar een specialist wordt doorgestuurd is het maken van een elekrocardiogram (ECG) de gewoonste zaak van de wereld, maar het is goed om te weten dat het eerste hartfilmpje hier op deze plek werd ontwikkeld. Willem Einthoven kreeg de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde. Einthoven werd hoogleraar in de onderdelen fysiologie en histologie. Heike Kamerling Onnes' apparatuur kon soms dusdanig tekeer gaan dat het een aard had en het gebouw op zijn grondvesten deed schudden. Speciaal hiervoor werd een trillingsvrije vloer ontwikkeld die het Einthoven mogelijk moest maken met zijn uiterst fijngevoelige snaargalvanometers te werken. Ondanks de aanpassingen bleef Einthoven hinder ondervinden van Onnes' machines. Meerdere keren zijn de heren geleerden elkaar in de haren gevlogen. Het is zelfs zo ver gekomen dat er strakke afspraken gemaakt worden wie wanneer mocht werken. 
Einthoven woonde op de Groenhovenstraat nummer 5. Nog net niet helemaal overwoekerd door de klimop is er een steen in de muur links ban de deur te zien die daar aan herinnert.
Einthoven overleed in Leiden.
Het voormalige gebouw van Fysiologie nabij de Wassenaarseweg heet nu Willem Einthoven.

Jan Tinbergen won in 1969 de eerste Prijs van de Zweedse Rijksbank, nu%
©1997-2019 Bizzieman.NL